Onuitsprekelijke zaken

'Er bestaan stellig onuitsprekelijke zaken. Dit toont zich, het is het mystieke.'
          Wittgenstein

Levensbeschouwelijke vorming tendeert noodzakelijkerwijze naar 'ervaringsweten'. Op zijn tijd weten te zwijgen is het gevolg van deze overtuiging. Wanneer men, los van de ervaring, een waarde wil overdragen, rest de hoorder slechts 'geloof' op gezag van een instantie buiten hem. Dit betekent dat zwijgen over levensbeschouwelijke waarden en waarheden op zich niet waardevol is, maar dat men zwijgt omdat spreken geen zin heeft wanneer een mens die waarden (nog) niet ervaren heeft. 

Ingewijden

'De ingewijden hoeven niets te leren maar dienen iets te ondergaan.'
         Aristoteles

De PREEK, hoe zal ze zijn?

De tijd dat men meende 'luidkeels' over God te moeten praten, ligt goeddeels achter ons. Bij monde van priesters, predikanten en kerkelijke propagandisten werd lange tijd een God verkondigd van uiterlijkheden en besturing van buitenaf; dat gebeurde in cultische diensten met rituelen en magie, dreigend met strafrecht en angst, dogmatisch verankerd in de traditie en in de besluiten van het betreffende kerkgenootschap. Wat deze God te zeggen had, was vreemd, vervreemdend was de onderwerping van gemoed en geest die Hij verlangde en bevreemdend waren de wonderen en openbaringen die Hij volgens de bijbelse berichten tot stand bracht. Wat was dat voor een God: een God die de mensen uit het paradijs verjaagde? Een God die de hele wereld met zijn toom overspoelde? Een God die gehoorzaamheid verlangde, zelfs zover dat Abraham zijn kind ten 'offer' had moeten brengen?
De teksten die wij hier behandelen, geven een dwarsdoorsnede van drie opeenvolgende overtuigingen die ik in vele boeken, waaruit deze selectie afkomstig is, uitvoerig heb willen ontwikkelen en funderen.
 1. Als wij de bijbel lezen door het filter dat de Man uit Nazareth ons heeft gegeven, dan verschijnt God geheel als een licht zonder duisternis, als een onvoorwaardelijke goedheid, als een grenzeloos begrijpen en vergeven. Zo'n God spreekt geen recht, Hij stelt niet terecht, maar Hij richt op, Hij heelt. Over de God van Jezus - over onze, immers zijn Vader - mag nooit anders meer worden gesproken dan als helend door een goedgunstigheid die niet veroordeelt, nooit anders meer dan als heilzaam door de aanvaarding zonder enige ontkenning, als heiligend in het doen rijpen van een steeds diepere bevestiging. Daarmee wordt niet een nieuwe geloofsleer, een 'theologie', een 'dogmatiek' opgebouwd, maar wel verandert ons leven dan van angst in vertrouwen, van agressie in acceptatie, van dood in leven.
 2. Hier onderscheidt het christendom zich specifiek van bijvoorbeeld het jodendom, waar het uit voortkomt, of van de islam, die zich indirect zelf op de bijbel baseert. In de ogen van Jezus bestaan er geen 'kwaadwillige' mensen die je met wetten en straffen tot de orde kunt roepen; wie er wél bestaan, dat zijn verlorenen, verdwaalden, angstige en wanhopige mensen die uit hun schulp moeten worden gelokt, uit de hel waarin zij zich hebben verschanst, die uit hun eenzaamheid moeten worden gehaald en uit de woestenij waarin zij zijn gedreven. 'Erfzonde'? Als wij het bijbelse verhaal van de 'zondeval' goed lezen, zien wij daar helemaal geen overmoed en trots en ongehoorzaamheid, maar angst, onstandvastigheid en schaamte. Mensen die zo zijn, hebben een God nodig die zelf op zoek gaat om hen te vinden. Het verhaal van de Herder, die het honderdste verloren schaap van de kudde thuisbrengt (Luc. 15:1-7), vormt de gehele 'inhoud' van dit 'geloof' . Hij brengt geen scheiding aan tussen mensen van verschillende geloofsrichtingen. Hij brengt alle mensen juist bijeen in het diepgewortelde weten van dezelfde nood en hulpbehoevendheid.
 3. De echte 'taal' van God is daarom het zachte woord van de liefde, dat zich roert in het hart van een ieder, altijd als hunkering, soms als vervulling. Symbolische verwijzing, lyrische tederheid en mystieke versmelting vormen daarom de 'stijlvormen' van het ware religieuze spreken. Niet hoe iets 'historisch' was, zoals dat zich in ons leven heeft bewezen, niet het verleden, de voorstelling, niet de feiten en ficties van gebeurtenissen van weleer; als er over God gesproken wordt, dan willen en moeten de factoren die ons bestaan bepalen onder woorden worden gebracht en tot hun recht komen. 'Als je de bijbel leest, dan spreekt God tot je', zei Hieronymus. Iedere 'preek' wil een venster zijn dat in zijn beelden oplicht in het zuivere licht van God; het toont dit licht, opdat men het met eigen ogen kan zien.

                           Uit “stil van God spreken” van Eugen Drewermann

De ont - wikkelde mens

Meister Eckhart predikt geen verachting van en geen vlucht uit de wereld. Hij roept de mensen zich los te maken van gebondenheden en verwikkelingen in de wereld, die hun eenwording met God in de weg staan, om uiteindelijk in de ganse schepping het ene te herkennen. Want de ont - wikkelde mens ziet "in alle dingen niets dan God".

Soms heb ik een haat-liefde verhouding met religie

Ik heb die religieuze natuur, waarvan Kuiter wel eens schreef; een mens is een ongeneeslijk religieus dier, toevallig behoor ik tot die dieren, maar dat geldt niet voor iedereen!

Vaak krijg ik ook de pest in als ik zie hoe mensen religie bedrijven, ‘t is voor hun net prostitutie, je maakt er gebruik van als je er behoefte aan hebt.

Maar als ik dan aan God en aan Jesjoea van Nazareth denk, komt het volgende altijd weer boven; aan echtheid, aan leven, aan vrijheid en barmhartigheid en daar hecht ik sterk aan. Onvertroebeld, zoals je het maar zelden ziet.

 Over die vertroebeling het volgende;

1.Metafysica.

Hierbij gaat het om een godsdienst als een metafysisch bepaalde grootheid, waarin God onmisbaar wordt als bovenbouw op het bestaan, er in twee werelden wordt gedacht en het godsdienstig verlangen zich 'op een hemels huis' richt. Hiertegenover staat dat het volgens Bonhoeffer in het geloof niet om het hiernamaals gaat, maar om déze wereld, het hiernumaals. 'Wat boven deze wereld uitgaat, is in het evangelie bedoeld voor deze wereld.'

2. Individualisme. 

Religie als individualistisch bepaalde grootheid, als een zaak van innerlijkheid en geweten, als een poging God tenminste nog op persoonlijk, innerlijk, privé-terrein vast te houden. Dit kenmerk negeert de anti-individualistische gerichtheid van het christelijk geloof en van het rijk der rechtvaardigheid en dreigt het zielenheil te cultiveren ten koste van de wereld.

3. Partieel karakter. 

De godsdienst is tot een afgescheiden gebied naast andere levensgebieden geworden, dus tot een afzonderlijke sector in het leven. Religie heeft zo slechts op een gedeelte van het leven betrekking, terwijl het christelijk geloof allesomvattend is, betrekking heeft op het hele leven.

4. Deus ex machina. 

(letterlijk; God uit een machine), een snoepautomaat je mag zelf kiezen wat je wil (maar wel allemaal rottigheid voor je gebit!), een stoplap; een God die er is om hulp te bieden in nood, om raadsels op te lossen en vragen te beantwoorden. Deze religie maakt dat de mens vlucht uit het werkelijke leven en uit de mondige verantwoordelijkheid. Religie leeft van de macht van God, maar de bijbel verwijst volgens Bonhoeffer naar Gods onmacht.

5.Privilege.

Religieuze mensen neigen ertoe zich religieus als bevoorrechten te beschouwen. Ook de christelijke religie is in haar geschiedenis steeds opnieuw ontaard tot privilege en werd tot een scheidingbrengend kenmerk. Religie werd zo ook een middel om belangen en de bestaande orde te beschermen, terwijl gelovigen juist afzien van een bevoorrechte status.

6. Voogdij. 

Religie oefent voogdij over het leven uit, houdt mensen onmondig en ontneemt hen zo hun verantwoordelijkheid. Religie leidt zo ook tot een kerk als heilsinstituut, waarvan mensen afhankelijk worden.

7.Voorbijgaand karakter.

Een laatste kenmerk van religie is volgens Bonhoeffer dat zij een erfenis is uit een voorbije tijd en - in haar 'westerse gestalte' - gemist kan worden. Religie is een historisch fenomeen en kan - en zal ook, volgens Bonhoeffer- in deze tijd verdwijnen/sterk veranderen.

Een geschiedenis van God

Voor veel joden is het na de holocaust onmogelijk geworden in de traditionele God te geloven. Toen de Nobelprijswinnaar Elie Wiesel als kind in Roemenië opgroeide, leefde hij alleen voor zijn God; zijn leven werd door de Talmoed gevormd en hij hoopte dat hij eens in de geheimen van de kabbala zou worden ingewijd. Als jongen werd hij naar Auschwitz en later naar Buchenwald gedeporteerd.
Toen hij de eerste avond in het dodenkamp naar de zwarte rook keek die uit het crematorium opkringelde waarin het lijk van zijn moeder en zuster waren geworpen, wist hij dat zijn geloof voor eeuwig door de vlammen was verteerd. Hij bevond zich in een wereld die het objectieve correlaat van de godverlaten wereld was die Nietzsche zich had voorgesteld. 'Nooit zal ik die nachtelijke stilte vergeten die mij voor eeuwig van het verlangen om te leven heeft beroofd,' schreef hij jaren later. 'Nooit zal ik die ogenblikken vergeten die mijn God en mijn ziel vermoordden en mijn dromen, die het aanzien van de woestijn kregen.'
Op een dag hing de Gestapo een kind op. Zelfs de SS-ers voelden zich niet op hun gemak bij het vooruitzicht dat ze voor het front van duizenden toeschouwers een jongen moesten ophangen. Het kind dat in Wiesels herinnering het gezicht van een 'engel met bedroefde ogen' had, zei geen woord, was doodsbleek, bijna kalm toen hij het schavot beklom. 'Waar is de Goede God, waar is Hij ?' hoorde Wiesel een van de gevangenen achter hem vragen. Het duurde een half uur voordat het kind stierf en in die tijd moesten de gevangenen toekijken. 'Waar is God toch?' vroeg dezelfde man. En Wiesel hoorde een stem in zijn binnenste antwoord geven: 'Waar is Hij?
Hier - Hij is hier opgehangen - aan deze galg.'
Dostojewski had gezegd dat God door de dood van één enkel kind onaanvaardbaar kon worden, maar zelfs hij, toch niet onbekend met onmenselijkheden, had zich nooit de dood van een kind onder deze omstandigheden voorgesteld. De verschrikkingen van Auschwitz zetten veel conventionele ideeën over God op losse schroeven. De verre God van de filosofen die zich in transcendente apatheia verliest, wordt een ondraaglijk wezen. Veel joden kunnen het bijbelse concept van een God die zich in de geschiedenis openbaart en die, zeggen ze met Wiesel, in Auschwitz is gestorven, niet meer onderschrijven. Het idee van een persoonlijke God die net zo is als wij, maar dan met hoofdletters geschreven, is doortrokken van problemen. Als deze God almachtig is, had Hij de holocaust kunnen voorkomen. Als Hij niet in staat was hem tegen te houden, is Hij onmachtig en nutteloos; als Hij hem wel had kunnen tegenhouden, maar verkoos het niet te doen, is Hij een monster. De joden zijn niet de enigen die geloven dat de holocaust het einde van de conventionele theologie is geweest.

Maar aan de andere kant is het ook waar dat sommige joden zelfs in Auschwitz de Talmoed bleven bestuderen en de traditionele feestdagen in ere hielden, niet omdat ze hoopten dat God hen zou redden, maar omdat het in hun ogen zinvol was. Het verhaal gaat dat een groepje joden in Auschwitz God op een dag voor het gerecht daagde. De aanklacht luidde wreedheid en verraad. Net als Job konden ze geen troost putten uit de gebruikelijke antwoorden het vraagstuk van het kwaad en het lijden in de barbaarse wereld van dat moment. Ze konden geen excuus voor God aanvoeren, geen verzachtende omstandigheden, dus ze verklaarden dat Hij schuldig was en waarschijnlijk de doodstraf verdiende. De rabbijn sprak het vonnis uit.Toen keek hij op en zei dat de terechtzitting was afgelopen; het was tijd voor het avondgebed.

Karin Amstrong

Hij die kent

Hij die niets kent, heeft niets lief Hij die niets kan, begrijpt niets.
Hij die niets begrijpt, heeft geen waarden.
Maar hij die begrijpt, heeft ook lief, neemt waar, schouwt ...
Hoe meer iets gekend wordt, des te groter is de liefde ...

Ons huis

'Iedereen is een huis met vier kamers, een lichamelijke, een mentale, een sociale en een spirituele. De meesten van ons zijn geneigd de meeste tijd in een kamer te leven, maar zolang we niet iedere dag ten minste een keer in iedere kamer komen, al was het alleen maar om hem te luchten, zijn we geen heel mens.'

Gods geboorte in de ziel

Iemand vroeg mij of de mens Gods geboorte in de ziel wellicht kon vinden via bepaalde dingen, die wel op God betrokken zijn, maar toch van buiten af door de zintuigen zijn aangedragen, zoals bepaalde voorstellingen van God, bijvoorbeeld dat God goed, wijs of barmhartig is. Voorwaar, dit is niet het geval. Want ofschoon dit alles goed en op God gericht is, wordt het toch van buiten af door de zintuigen aangevoerd. Het moet echter van binnen uit, van God uit in de mens opwellen. Dit werk in jou moet God alleen volbrengen en jij kunt het slechts laten gebeuren.

                       Meister Eckhart

Zin van het leven

Er was eens een meisje dat besloot om bij een wijze leermeester, een goeroe, in de leer te gaan. Ze wilde, zei ze, leren wat de zin van het leven was. De goeroe wees haar een kamer waar ze kon wonen en gaf haar een grote stapel boeken om te bestuderen. Elke ochtend kwam hij naar de kamer om te zien hoe ver ze al gevorderd was. In zijn hand had hij dan een zware houten wandelstok. Elke ochtend stelde hij haar dezelfde vraag: “Heb je al uitgevonden wat de zin van het leven is?” En elke ochtend was het antwoord van het meisje precies hetzelfde. “Nee,” zei ze, “ik ben er nog niet achter. “De goeroe gaf haar dan een tik met de stok op haar hoofd en ging weg.
Zo ging het maandenlang door. Totdat op een dag de goeroe de kamer binnenkwam, de gebruikelijke vraag stelde, het gebruikelijke antwoord kreeg en zijn stok ophief om de gebruikelijke tik uit te delen. Maar deze keer greep het meisje het uiteinde van de stok vast en weerde zo de slag af. Opgelucht dat er nu een eind kwam aan dat gemep, maar bang voor de reactie die nu komen kon, keek het meisje onzeker naar de goeroe. Tot haar verbazing kwam er een brede glimlach op zijn gezicht. “Gefeliciteerd, “zei hij, “je bent er blijkbaar achter. Je weet nu wat je moet weten.” “Hoezo?” reageerde het meisje verbaasd.
“Wel,” zei de goeroe, “je hebt geleerd dat je nooit een definitief antwoord zult vinden op de vraag naar de zin van het leven. En je hebt geleerd hoe de pijn te stoppen.”

Wat in het verleden gegroeid is.

Traditie overleveren is het doorgeven van geloofsvoorstellingen. Ze vormen de plaatjes van een groot prentenboek, dat uitnodigt om te kijken. De plaatjes moeten zelf hun werk doen, ze zijn mooi, ze intrigeren of ze doen dat niet. Aanbevelingen, oproepen om er wat mee te doen zullen weinig zoden aan de dijk zetten. Zo gaat dat niet met plaatjes. Het enige wat zin heeft bij plaatjes is: helpen kijken.
In tegenstelling tot wat mensen veelal denken is de christelijke geloofstraditie niet één gesloten blok. Dat wordt er wel van gemaakt, maar ik heb het dan over theologische systemen. Daarop kom ik straks terug. De christelijke geloofstraditie is niet een systeem doch een historisch groeisel. In de loop van de geschiedenis zijn er voorstellingen aan vastgekoekt en weer afgeschilferd, zodat we vandaag met een geheel zitten, een leergebouw dat niet als los zand aan elkaar hangt - dat is teveel gezegd - maar wel opgebouwd is uit onderdelen die lang niet altijd bij elkaar passen. Er zit van alles in wat we er niet uit willen hebben of wat er niet uit te branden is. En omgekeerd, we hebben in de loop der eeuwen er weer heel wat uitgegooid, soms hebben we daar spijt van. Traditie is dus niet: hoe het begon, maar hoe het verder ging. Ze is meer stroom dan bron. Dat is zelfs de bedoeling de bron is er om een stroom te vormen. Vandaar dat de oproep om terug te keren naar de bron minder voorstelt dan we gewoonlijk denken. Terug naar de bron is alvast tegen de stroom in zwemmen, wat moeilijk, zo niet onmogelijk is. Maar het is als onderneming ook niet zinvol, als het om de stroom begonnen is. Niet alles wat in de stroom terecht gekomen is, komt uit de bron en - andersom - niet alles wat uit de bron kwam, is nog in de stroom terug te vinden.
In het bouwwerk van de christelijke traditie - om op een ander beeld over te gaan - zijn de laatste paar honderd jaar kolossale gaten geschoten. De christelijke leer is niet in trek, de kerk die de drager ervan is, heeft aan aanzien en invloed verloren (al moet je niet onderschatten hoeveel mensen er nog steeds bij horen), een populaire aanduiding van de christenheid luidt zelfs dat het een' cognitieve minderheid' is geworden" zeg maar een vreemde eend in de bijt.
Vandaar (toch wel) enige paniek in kerk en theologie: het wemelt van ontwerpen die het geloof meer bruikbaarheid moeten geven. Dat gaat zover dat de verstarring, waar het allemaal tegen gericht was, overgaat in verwarring. Wat voor de één een vorm van vernieuwing is, noemt de ander afbraak en omgekeerd. Veel christenen verkeren daardoor in het onzekere over wat wel en wat niet de bedoeling van het geloof is en vullen dan voor zichzelf maar in wat ze ervan willen overhouden en wat niet.

 

Harry Kuitert

Alleredelste

Het allerbeste en alleredelste waartoe de mens in dit leven kan komen is, dat hij zwijgt en God in zich laat werken en spreken. Als alle krachten der ziel zijn losgemaakt van al hun werken en al hun beelden, dan wordt het eeuwige woord in haar gesproken. Daarom sprak de wijze man in het Boek der Wijsheid: "Midden in het zwijgen werd het geheime woord tot mij gesproken." (Wijsheid 18:14v .). Dat laat zien: hoe meer je in staat bent al je zielekrachten in te zetten voor de eenheid en alle dingen en hun beelden die je ooit in je hebt opgenomen te vergeten, en hoe meer je afstand neemt van de schepselen, des te dichter ben je bij het spreken van het eeuwige woord in de ziel, en des te ontvankelijker daarvoor.

                          Meister Eckhart

Triniteit

Dat we van drie personen spreken, is niet om iets te zeggen maar om niet geheel en al te zwijgen.
            Augustinus

Gods domein

Zicht op Gods domein? Ondanks dat de bijbel ons inzichten geeft over Godsrijk, zijn schepping en Zijn bedoelingen voor de (onze) toekomst, blijft veel onduidelijk. De filosoof Plato heeft daar bijna 2500 jaar geleden gedachten over gevormd die heden ten dagen nog steeds algemeen aanvaard zijn. Om te laten zien dat het vreselijk moeilijk is dit in te zien, heeft hij een denkbeeldig verhaal gemaakt met een aantal aannamen die erg onwaarschijnlijk lijken maar nodig zijn om het verhaal rond te krijgen. Eén van de aannamen is dat er mensen zijn die altijd vastgebonden zijn daar vrede mee hebben. Of is dat nu juist niet vreemd, denk er eens goed over na. Wie het verhaal goed leest en in zichzelf op juiste manier overlegt, zal de toekomst verwachting als nog groter dan voorheen zien.


Plato, de allegorie van de grot 'Je moet je eens mensen voorstellen in een soort van onderaardse behuizing die op een grot lijkt. Die behuizing heeft een lange ingang, open naar het licht en langs de volle breedte van de grot. De mensen zitten daar van jongs af, vastgebonden aan hun benen en hun hals, zodat ze niet weg kunnen, alleen maar recht vooruit kunnen kijken en vanwege de boeien niet in staat zijn hun hoofd in welke richting ook te bewegen. Licht hebben ze wel: de weerschijn van een vuur dat achter hen, hoog en ver weg brandt. En daarboven, tussen het vuur en de vastgebonden mensen, is een weg. Stel je eens voor dat langs die weg een binnenmuurtje is opgetrokken, zoiets als de schermen die door de poppenkastspelers voor het publiek worden geplaatst en waarachter zij de spektakels opvoeren die boven de schermen te zien zijn. Ik probeer het me voor te stellen, zei hij. Stel je nu ook voor dat zich langs dat muurtje mensen bewegen met allerlei voorwerpen bij zich die boven dat muurtje uitsteken, ook afbeeldingen van mensen en andere levende wezens, van steen, van hout, en van allerhande materiaal vervaardigd. ( ...) Stel nu dat ze met elkaar konden praten. Denk je niet dat ze dan dat wat ze zien als de werkelijkheid zouden beschouwen? Wanneer nu een van die mensen tegen zijn wil - want de mensen in de grot munten uit door grote tevredenheid - zou worden losgemaakt en werd gedwongen naar de dingen boven te kijken, dan zouden zijn ogen pijn doen, en zou hij langzaam moeten wennen aan het licht en aan de ware gestalte van de dingen. Maar hij zou wel inzien dat hij onder in de grot ver beneden het niveau van de menselijke intellectuele mogelijkheden had geleefd. Hij zou met medelijden terugdenken aan zijn vroegere lotgenoten. En als hij werd gedwongen zijn plaats in de grot weer in te nemen, zou hij zeker proberen de mensen daar ervan te overtuigen dat hun kijk op de werkelijkheid verre van adequaat is. Maar ze zouden hem niet geloven en hij zou de kans niet krijgen de vanzelfsprekendheid van hun wereldbeeld aan het wankelen te brengen. Ze zouden zelfs proberen hem te doden, omdat hij onrust zaait in hun wereld. Zo hadden ook de Atheners Socrates veroordeeld, die als een lastige horzel het paard van de gemeenschap plaagde.' In deze allegorie is sprake van velerlei vormen van geweld. De gevangene moet met geweld worden losgerukt van zijn als comfortabel ervaren plaats in de grot. Misschien is hij daar ook met geweld gevangen gezet, maar dat blijkt hij te zijn vergeten. Hij wordt met geweld naar boven gesleept. Later moet hij worden gedwongen terug te keren en weer af te dalen, ofschoon hij daarboven zeer gelukkig is en zich op het eiland van de zaligen waant. En ook de medegevangenen willen geweld tegen hem gebruiken. In de allegorie lijkt al dit geweld te maken te hebben met een doorbreking van de vanzelfsprekendheid door de filosofie en de schok die zij teweegbrengt. Pas als die schok is verwerkt, wordt het initiatief van binnenuit overgenomen door de wijsgerige Eros (Griekse god van de zinnelijke liefde).

Ons leven

Dat een mens een rustig leven heeft is goed;
dat een mens een moeite vol leven met geduld verdraagt is beter;
maar dat men rust ervaart in een moeite vol leven,
dat is het allerbeste.

                     Meister Eckhart

Vroedvrouw

Het beeld van de vroedvrouw gebruikt Socrates in het boek Theaetetus (Plato, Dialogen).  Theaetetus is jongeman en veelbelovend wiskundige, hij heeft een gesprek met Socrates, en is op een bepaald moment helemaal van slag. Hij weet geen antwoorden meer op de vragen die Socrates hem stelt terwijl hij tegelijkertijd de antwoorden van anderen op hun voosheid doorziet. Socrates laat hem dan ook maar voort ploeteren. Het irriteert en intrigeert de jonge man zeer. Juist tegen deze achtergrond wordt ons pas de beroemde vroedvrouwkunde van Socrates duidelijk.
En Socrates zegt: “Het is omdat je in barensnood bent, mijn beste Theaetetus! Want je bent niet leeg, maar zwanger.”
“Dat weet ik niet, Socrates. Ik zeg maar hoe het met mij gesteld is.”
“Toe, laat me niet lachen! Heb je dan niet gehoord dat ik de zoon ben van een vroedvrouw, van een heel flinke en indrukwekkende vroedvrouw, Phaenarete?”
“Ja, dat heb ik al gehoord.”
“En dat ik diezelfde kunde uitoefen, heb je dat ook gehoord?”
“Nee, helemaal niet”

En dan gaat Socrates deze vroedvrouwkunst uitleggen en volgt de vermaarde vergelijking waarin het ons niet meer verbaast steeds weer de godheid te zien opduiken.
“Het voornaamste in mijn kunde bestaat erin bij machte te zijn om, op alle mogelijke wijzen, uit te maken of het verstand van de jongeman drogbeeld en leugen baart, dan wel iets leefbaars en waarachtigs. Want ook dat kenmerk deel ik met de vroedvrouwen: ik kan zelf geen geleerdheid (wijsheid) baren. Velen hebben me er al een verwijt van gemaakt dat ik altijd vragen stel aan de anderen, en dat ik over geen enkel probleem enige opheldering kan verstrekken, omdat ik niet de minste geleerdheid bezit. Wel, dat verwijt is juist. De reden daarvan is de volgende: de godheid dwingt me anderen te verlossen, maar ontzegde me het baren. Ook ben ik persoonlijk helemaal geen geleerde. Ik heb ook geen enkele geleerde ontdekking gedaan, die een vrucht zou zijn van mijn ziel. Maar kijk eens naar hen die met me omgaan. In het begin lijken sommigen onder hen dom, erg dom zelfs. Maar allen maken ze, naarmate onze omgang voortduurt, en als de god het toelaat, ongelooflijke vorderingen; en dat is niet alleen hun indruk, maar ook die van anderen. Nochtans is het evident dat ze niet iets bij mij geleerd hebben; zijzelf hebben bij zichzelf veel prachtige ontdekkingen gedaan en ter wereld gebracht. Hun verlossing is echter het werk van de godheid en van mij....

Een gebed

Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen,
ze horen nu eenmaal ook bij dit leven.
Ik  roep je er ook niet voor ter verantwoording,
jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen.
En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist,
tot het laatste toe moeten verdedigen.
Er zijn mensen, het is heus waar,
die  nog op het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en lepels,
in plaats van jou, mijn God.
En er zijn mensen, die hun lichamen in veiligheid willen brengen, die alleen nog maar  behuizingen zijn voor duizend angsten en verbittering.
En ze zeggen:
Mij zullen ze niet in hun klauwen krijgen.
En ze vergeten, dat men in niemands klauwen is,
als men in jouw armen is.
Ik begin alweer wat rustiger te worden mijn God, door dit gesprek met jou.

Voor het grote heroïsche lijden, heb ik genoeg krachten, mijn God, maar het zijn meer dan duizend kleine dagelijkse zorgen, die je soms plotseling als bijtend ongedierte bespringen.

 

Etty Hillesum

Waarom GOD mens werd

Er was eens een man die sceptisch was over alles wat met God te maken had.
Hij woonde met zijn gezin op het platteland.
Zijn vrouw was diepgelovig en voedde ook haar kinderen trouw op in het geloof.
Soms maakte hij het haar wel moeilijk omwille van haar geloof en vooral het vieren van het Kerstfeest zat hem dwars.
Op een witte Kerstdag maakte zij de kinderen klaar om samen met haar naar de kerkdienst te gaan.
Zij vroeg hem of hij niet mee wilde gaan maar hij weigerde beslist. Hij vond het idee van de menswording van Christus gewoon belachelijk. "Waarom zou God zichzelf zo vernederen en een mens worden als wij? Het is zo'n idioot verhaal", zei hij.
Toen vertrok zijn vrouw met de kinderen naar de kerk en hij bleef thuis.
Nadat ze vertrokken waren begon het harder en harder te waaien en de sneeuwbui werd een echte sneeuwstorm. Toen hij naar buiten keek zag hij niets anders meer dan een verblindend sneeuwgordijn.
Hij ging ontspannen bij de haard zitten om wat te lezen.
Toen hoorde hij een harde klap; alsof iets tegen het raam aanvloog. Weer een klap. Hij keek naar buiten maar kon niets zien. Daarom trok hij een warme jas aan en ging naar buiten om te kijken wat er aan de hand was.
In het veld naast zijn huis zag hij een troep wilde ganzen.
Ze waren duidelijk onderweg naar het zuiden om een warmere verblijfplaats op te zoeken maar ze waren verrast door de sneeuwstorm. De sneeuw was zo hevig en zo verblindend geworden dat de ganzen niet verder meer konden. Ze waren afgedwaald en neergestreken bij de boerderij, zonder voedsel of beschutting. Ze sloegen wanhopig met hun vleugels en draaiden doelloos in cirkels, totaal verblind en hulpeloos.
De man had medelijden met de vogels en wilde ze helpen. Hij dacht bij zichzelf: "De grote schuur zou een goede plaats zijn om ze op te vangen.
Het is er warm en veilig; ze zouden er de nacht kunnen doorbrengen en wachten tot de storm voorbij is". Dus liep hij naar de schuur en opende de poort.
Hij bleef daar wachten en keek naar de vogels in de hoop dat ze de open schuur zouden opmerken en daar zouden gaan schuilen. Maar ze bleven maar doelloos rondfladderen. Ofwel hadden ze de schuur niet opgemerkt, ofwel begrepen ze niet wat dit voor hen kon betekenen. Hij liep dan maar naar de ganzen toe om hun aandacht te trekken maar het enige resultaat was dat ze nog verder wegvluchtten omdat ze bang waren voor hem.
Hij liep terug het huis in om wat brood te halen. Hij brak het brood in kleine stukjes om op die manier een spoor in de richting van de schuurpoort te maken in de hoop dat hij de ganzen zo zou kunnen binnenlokken, maar ook dat hielp niet.
De man begon gefrustreerd te raken; hij probeerde opnieuw achter de vogels aan te lopen en ze zo naar binnen te jagen. Ze werden alleen maar banger en vluchtten weg naar alle kanten, behalve in de richting van de schuur.
Hij kon blijkbaar niets doen om hen in die schuur te krijgen waar ze toch een warme en veilige beschutting konden vinden.
Totaal ontmoedigd riep hij: "Waarom willen ze me nu niet volgen! Begrijpen ze nu niet dat dit de enige plaats is waar ze de storm kunnen overleven! Hoe krijg ik ze nu in 's hemelsnaam op de enige plaats waar ze kunnen gered worden!"
Hij dacht een ogenblik na en kwam tot de vaststelling dat ze een mens nooit zouden volgen. En hij zei bij zichzelf: "Hoe zou ik ze nu toch kunnen redden? De enige manier lijkt wel te zijn dat ik zelf een gans zou worden. Als ik een van hen zou zijn, dan zou ik ze kunnen redden. Dan zouden ze me wel willen volgen en zou ik hen op een veilige plaats kunnen brengen".
Hij stond een ogenblik stil en hoorde de woorden die hij zelf gesproken had als een echo door zijn gedachten gaan: "Als ik een van hen zou zijn, dan zou ik ze kunnen redden".
Hij dacht na over zijn eigen woorden en herinnerde toen wat hij tegen zijn vrouw had gezegd: "Waarom zou God zichzelf zo vernederen en een mens worden als wij? Het is zo'n idioot verhaal".
Het was alsof er in zijn brein een schakelaar werd omgedraaid toen hij die dingen bij zichzelf herhaalde.
Het was echt een openbaring; plots begreep hij de zin van de menswording van God.
God had zich door Jesjoea van Nazaret een weg gevonden om ons te helpen.

Doop

Evangelie van Filippus : 49

Als iemand in het water afdaalt
en weer bovenkomt zonder iets te hebben ontvangen
en dan zegt: ‘Ik ben een christen’
heeft hij deze naam in bruikleen ontvangen.
Maar als hij de Heilige Geest ontvangt,
krijgt hij deze naam als een geschenk.

Van wie een geschenk heeft ontvangen
wordt dit niet afgenomen,
maar wat in bruikleen ontvangen is,
wordt terugverlangd.

              uit NHC II.3

Gebed

Wat is het gebed van het hart dat zich heeft afgescheiden?
Daarop is mijn antwoord: een zuiverheid die zich heeft afgescheiden kan niet bidden, want wie bidt begeert iets van God wat hij wil hebben,
of hij begeert dat God hem iets afneemt.
Het hart dat zich heeft afgescheiden begeert echter niets,
het heeft ook niets waarvan het graag ontheven is.
Daarom is het vrij van ieder gebed en
zijn gebed is niets anders dan eenvormigheid met God.
Daaruit bestaat zijn hele gebed.

               Meister Eckhart