Waarheid

 

Hoe kunnen we de waarheid definiëren? We vergeten meestal dat wat wij waarheid noemen onze waarheid is. Dat betekent dat het een ‘gekleurde’ waarheid is. In dat licht beschouwd was de vraag van Pilatus geen slechte vraag.

Jezus zei: `U zegt dat ik koning ben. Ik ben geboren en in de wereld gekomen om te getuigen voor de waarheid. Iedereen die zich laat leiden door de waarheid, luistert naar mij.' `Maar wat is waarheid?' zei Pilatus tegen hem.  Joh 18:37-38

 

Een abstract antwoord vinden bij Søren Kierkegaard:

De weg van de objectieve reflectie maakt het subject tot het toevallige en daardoor de existentie tot iets onverschilligs, verdwijnends. De weg naar de objectieve waarheid verwijdert zich van het subject en omdat het subject en de subjectiviteit onverschillig worden, wordt de waarheid dat ook, en dit is juist zijn objectieve geldigheid; want van belang is, evenals bij de beslissing, de subjectiviteit. De weg van de objectieve reflectie leidt nu tot abstract (denken, tot mathematica, tot historische kennis van allerlei aard, en het leidt altijd weg van het subject, wiens bestaan of niet-bestaan, objectief volledig juist, oneindig onverschillig wordt. Volledig juist, want bestaan en niet-bestaan hebben, zoals Hamlet zegt, alleen subjectief betekenis. [. . .] Wanneer de subjectiviteit de waarheid is, moet de bepaling van de waarheid tevens een uitdrukking inhouden voor de tegenstelling tot de objectiviteit, een herinnering aan die wegsplitsing, en deze uitdrukking geeft tevens de spankracht van de innerlijkheid aan. Hier is zo'n definitie van de waarheid: de objectieve onzekerheid, volgehouden in de toewijding van de hartstochtelijkste innerlijkheid, is de waarheid, de hoogste waarheid die er voor een existerende is. 

Uit: Kierkegaard, Afsluttende uvidenskabelig efterskrift 

 

Een geheel andere vorm van de waarheid vinden we in de volgende Hassidische vertelling genaamd:

Zien    (de waarheid in een bepaalde context)

 

Een oude rabbi vroeg eens aan zijn leerlingen

hoe ze konden vaststellen dat de nacht voorbij en de dag begonnen was.

'Zou het kunnen zijn,' vroeg een van de leerlingen,

'dat het  is wanneer je een dier in de verte ziet

en duidelijk kunt zeggen of het een schaap of een hond is?'

'Nee,' zei de rabbi.

Daarop vroeg een andere leerling,

'Is het misschien wanneer je een boom in de verte ziet

en duidelijk kunt uitmaken of het een vijge- of een perzikboom is?'

'Nee,' antwoordde de rabbi.

'Maar hoe dan?' vroegen de leerlingen.

'Het is,' antwoordde de rabbi,

'wanneer je kijkt naar het gezicht van een willekeurige vrouw of man,

en ziet dat het jouw zuster of broeder is.

Wanneer je dat niet kunt zien, is het nog steeds nacht.'

 

Begrijpen we wat waar is?

Ik waag te betwijfelen of de ontmoeting tussen Alexander de Grote en Diogenes werkelijk heeft plaatsgevonden. Maar zelfs als het verhaal over wat zich tussen de grote veldheer en de niet minder grote wijsgeer heeft afgespeeld, verzonnen is, dan is het nog altijd een veelzeggend verzinsel.
We schrijven het jaar 327 voor het begin van onze jaartelling of daaromtrent, wanneer Alexander tijdens zijn veldtocht naar India ergens onderweg Diogenes ontmoet. Het was een zonnige, maar tamelijk koele wintermorgen en Diogenes lag op de oever van een rivier naakt te zonnebaden. Hij was een prachtige man om te zien.
 Alexander stond vol bewondering een tijdlang naar hem te kijken  en zei toen bedeesd: 'Meneer, ik ben diep onder de indruk van wat ik over u heb gehoord en ik zou graag iets voor u doen. Is er iets waarmee ik u een plezier kan doen?' Diogenes zei: , Als u een beetje opzij zou kunnen gaan staan - want u neemt al mijn zon weg -, zou ik dat zeer op prijs stellen. Dat is alles, verder heb ik niets nodig, dank u.' Alexander reageerde: , Als ik ooit nog eens opnieuw geboren zou worden, zou ik God vragen als Diogenes te mogen leven in plaats van Alexander te moeten zijn!' Diogenes begon te lachen en zei: 'Wie belet u om dat nu meteen te doen? Waar gaat u eigenlijk naar toe? Al maanden zie ik hier legers voorbijtrekken... Waar gaat u naar toe? En waarvoor eigenlijk?' Alexander antwoordde: 'Ik ben op weg om India en zo heel Azië te veroveren, heel de wereld zelfs.' 'En dan, wat gaat u daarna doen?' vroeg Diogenes. Alexander antwoordde: 'Daarna ga ik rust nemen. , Diogenes barstte in een luid lachen uit en zei: 'U bent gek! Ik neem nu rust. Ik heb de wereld niet veroverd en ik zie er de noodzaak ook niet van in. Als het u er uiteindelijk om begonnen is rustig te kunnen leven en te doen wat u echt graag wilt, waarom dat dan niet meteen gedaan? Wie heeft u wijsgemaakt dat men eerst de wereld zou moeten veroveren alvorens te kunnen rusten? Laat ik u dit zeggen: als u nu geen rust kunt nemen, zult u dat nooit kunnen. U zult er nooit in slagen de wereld te veroveren... U zult onderweg sterven. Iedereen sterft onderweg.' Alexander antwoordde bits dat hij daar eens over zou nadenken en dat hij Diogenes dankte voor zijn wijze woorden, maar dat nu stoppen absoluut uitgesloten was.
Enkele jaren later, nog altijd onderweg, stierf Alexander, zonder  zijn huis ooit nog terug gezien te hebben, zonder ooit tot rust te zijn gekomen.
Maar volgens de overlevering is het verhaal over de twee grote mannen hiermee nog niet afgelopen. Naar verluidt stierf Diogenes op dezelfde dag als Alexander. Op weg naar het hiernamaals komen ze elkaar weer tegen bij de oever van de rivier de Styx, volgens de oude Grieken de scheidslijn tussen het rijk der levenden en het rijk der doden. Alexander hoort op een bepaald moment iets achter zich, en wanneer hij zich omdraait, ziet hij dat het Diogenes is. Verrast, maar ook beschaamd tegenover de wijze man, die zo precies voorspeld heeft hoe het hem zou vergaan, zegt hij : 'Zo komen we elkaar dus weer tegen: de keizer en de bedelaar!' Diogenes antwoordt: 'Dat is waar. Maar ik ben bang dat u niet goed begrijpt hoe het zit. Het is u niet klaar wie hier de bedelaar en wie de keizer is! Ik heb mijn leven volledig geleefd. Ik heb ervan genoten en heb niet uitgesteld wat ik het belangrijkste vond. Ik kan de dood onder ogen komen zonder de gedachte dat ik te vroeg ben gestorven. Maar u kunt de dood niet in de ogen zien, dat zie ik duidelijk. U kunt van schaamte zelfs mij niet eens recht in de ogen zien. U weet niet eens zeker of uw leven nu verknoeide tijd is geweest of niet...'

 

Rene Diekstra

Typen

De grootste domheid en het grootste verstand hebben een zekere verwantschap met elkaar in die zin, dat beide slechts het reële zoeken en volkomen onontvankelijk zijn voor de loutere schijn.' Men kan in dit verband dus ook drie typen mensen onderscheiden. De domme mens gaat onder inde werkelijkheid, de verstandige reduceert de werkelijkheid tot een begrip en de symboliserende/spelende mens heeft de ervaring van de 'schone schijn'!

               Schiller