WERELD GODSDIENSTEN

Voorwoord

 Oorsprong 

Wat is religie

In iedere cultuur en in ieder tijdperk vermoedden mensen een macht in de natuur die groter was dan zijzelf. Omringd door natuurfenomenen die zij niet begrepen en niet konden beheersen, gisten zij naar de aanwezigheid van hogere machten. De mensen bejegenden deze bovennatuurlijke krachten met vrees en respect. Ze ontwikkelden allerlei erediensten, beschouwden sommige verschijnselen als heilig en hielden deze gescheiden van hun dagelijkse bezigheden.
Sommige van deze culturen geloofden in meerdere goden, andere in slechts één opper wezen. De mensen moesten regels opstellen voor de omgang met het goddelijke. Zij gaven de bovennatuurlijke krachten hun beloften, geschenken en offers. Het belangrijkste was dat zij wisten dat er een macht was, groter dan zijzelf, en dat zij daarom hun redding en later ook de verlossing alleen konden bereiken met goddelijke hulp. Tot zover een periode die duizenden jaren van ontwikkeling heeft gekend.

Natuurkrachten

De krachten van de natuur zijn allesbepalende en onontkoombare aspecten van het menselijk bestaan. Zij kunnen angst en ontzag, afhankelijkheid en vrees oproepen: de zee die op de kust beukt, de regen, soms allesverwoestend, dan weer afwezig in perioden van  droogte, het vuur, dat de mens dient bij de bereiding van zijn voedsel, maar een levensgevaarlijke vijand wordt als het om zich heen grijpt, de donder en de bliksem, de aardbevingen, vulkanen, stofstormen en wind. Mensen zijn voor hun voedsel afhankelijk van planten, maar moeten hard werken om deze te verzamelen, te zaaien, te oogsten en te bereiden. Zij kunnen het klimaat, het weer en de wisselende hoeveelheden daglicht, zonnewarmte en regenval niet beïnvloeden, maar er slechts op reageren. Mensen zijn verder ook afhankelijk van dieren, en moeten rekening houden met hun woestheid als het om wilde, en met hun afhankelijkheid als het om gedomesticeerde dieren gaat. Het leven wordt beheerst door cycli die niet kunnen worden onderbroken, omgekeerd of genegeerd: de wisseling van de  seizoenen en de fasen in het menselijk leven, van geboorte tot dood, met tussen deze twee uitersten mijlpalen zoals de puberteit, het huwelijk, het krijgen van kinderen en het overlijden van oudere verwanten. In dromen, in extase en bedwelmde toestand ervaren wij plaatsen, mensen en gevoelens die uiterst werkelijk overkomen maar in wakende toestand altijd weer zijn verdwenen. Al deze indrukwekkende menselijke ervaringen geven aanleiding tot religieuze voorstellingen, gebruiken, gebeden en vormen van eredienst. De mens stelt vragen die niet met feiten, logica of empirische waarnemingen kunnen worden beantwoord. Wie ben ik en waarom ben ik hier? Er bestaan geen eenvoudige antwoorden. Culturen hebben hiertoe mythen geschapen - verhalen waarin op dramatische wijze de oorsprong en het lot van de mens wordt beschreven, evenals zijn relaties met de natuur en het goddelijke. Meestal beschrijven deze verhalen ook de goden die voor een bepaalde cultuur van belang zijn. Deze mythen vormen een gemeenschappelijke en gezaghebbende grondslag om antwoorden op deze vragen te geven. Reeds lang voor de uitvinding van het schrift werden in mythen ervaringen, openbaringen en geloofsvoorstellingen doorgegeven van generatie op generatie, evenals de beloften van de voorvaderen. Geconfronteerd met de verwoestende natuurkrachten wendden mensen zich vaak tot de geestenwereld in de hoop een luisterend oor te vinden, bescherming te krijgen en te worden getroost in een wereld die zij begrepen noch beheersten. Zij verklaarden de natuurkrachten en natuurfenomenen in hun mythen, met begrippen die de mens kon bevatten en bespreken, en in vormen waarmee zij konden omgaan. In rituele gebruiken treden mensen gezamenlijk het onbekende tegemoet. Rituelen verlopen volgens een vooraf bepaald patroon. Hierbij kunnen woorden worden uitgesproken of gezongen, er kan bij worden gemusiceerd, gedanst of gelopen. Rituelen zijn bijzondere handelingen die losstaan van de dagelijkse bezigheden met als doel gunsten te krijgen van boven- en buitenmenselijke krachten en wezens. Deze rituelen worden van generatie op generatie doorgegeven, waardoor de deelnemers niet alleen onderlinge banden smeden, maar ook relaties aangaan met hun voorouders. Als een gemeenschap of cultuur tot eenheid wil komen, moeten de leden ervan dezelfde morele opvattingen delen. Al voor het ontstaan van de eerste staten en naties, bepaalden godsdiensten wat goed en kwaad was en  welk gedrag binnen de gemeenschap aanvaardbaar was.WERELD GODSDIENSTEN

 

De eerste sporen van religie

Het ontstaan van de godsdienst, tienduizenden jaren geleden, viel samen met andere belangrijke ontwikkelingen, zoals de uitvinding van werktuigen, kleding en sieraden, de bouw van de eerste onderkomens en de beheersing van het vuur. Hoewel we misschien nooit zullen achterhalen in wat voor denkwereld ze ontstonden, zijn er in de graven en schilderingen uit het Paleolithicum (oude steentijdperk, van 2,5 miljoen tot 12,5 duizend jaar geleden) aanwijzingen te vinden dat er toen al gebruiken en rituelen bestonden die religieus kunnen worden genoemd. Uit zeventigduizend jaar oude menselijke resten blijkt dat zowel de Neanderthalers als de homo sapiens uit het Paleolithicum grafgiften meegaven aan de doden. Bij het gebeente van een Neanderthalkind dat begraven lag in Teshik Tash, een grot in Oezbekistan, lagen de hoorn van een wilde geit en botschrapers. Mogelijk wijst dit slechts op een gul gebaar ten aanzien van een gestorven verwant, maar latere grafvondsten wijzen op een uitgebreider geloofssysteem. De zogenoemde Rode Vrouw van Paviland  - die later een jongeman bleek te zijn - werd ongeveer 26.000 jaar geleden begraven in de Goat's Hole-grot in het zuiden van Wales. Hij droeg ringen en ornamenten rond zijn middel, gemaakt van mammoetbeen, en een buideltje met alikruikschelpen. Zijn botten en grafgiften waren allemaal rood gekleurd met oker. Zijn stoffelijke resten waren netjes neergelegd. Bij het graf werden veel plantenresten gevonden, hetgeen erop wijst dat zijn stamgenoten na zijn dood nog respect betoonden aan de dode.

Een begin

De oorsprong van religieuze gebruiken is gehuld in duisternis, verborgen in een grijs verleden. In veel culturen ontstonden mythen die de rituelen en geloofsvoorstellingen van die samenleving moesten verklaren, zoals in het verhaal van de Zwartvoet-indianen over een zoektocht die het karakter heeft van een levenstaak, een jonge jager (Scarface) die reeds vroeg in zijn leven gewond raakte in zijn gezicht. Hij werd verliefd op een meisje dat al was opgeëist door de  Grote Geest, de zon. Uit liefde ging Scarface op reis, in de hoop de Grote Geest te vinden en toestemming te krijgen van de zon om met haar te trouwen. Hij vroeg mensen en dieren tevergeefs om hulp, tot twee zwanen hem over een diep meer droegen, waarin allerlei monsters leefden. Aan de overkant ontmoette Scarface een man, Hij-die-Vroeg-Opstaat. Dit was de morgenster, de planeet Venus. De man vertelde dat de maan zijn moeder was en de zon zijn vader. Scarface raakte zeer gesteld op de hemelse familie en leefde lange tijd bij hen. Uiteindelijk kreeg hij toestemming om met het meisje te trouwen. Toen hij afscheid nam, vertelde de zon hem precies hoe hij een ‘medicijnhut' moest bouwen en gebruiken. De zon liet hem de macht van het medicijn zien en liet het litteken van het gezicht van de jonge Zwart- voet verdwijnen, een element in het verhaal dat benadrukte dat gezondheid en vruchtbaarheid zouden volgen als zijn volk zich aan de regels hield. Na zijn terugkeer bouwde Scarface zijn medicijnhut, waar rituelen werden uitgevoerd. Als hij in de hut was, droeg hij altijd twee ravenveren die de zon hem had gegeven. Deze mythe verklaarde de herkomst van de religieuze gebruiken van de Zwartvoet-indianen, waarin de medicijnhut de hoofdrol speelde. Ook verzekerde de mythe hen van een band met en de bescherming en zorg van de grote onbeheersbare machten, de zon en de maan, de hoogste wezens in de hemel. Mythen over natuurgoden en hun schepping zijn er in allerlei vormen. Veel van deze verhalen zijn ingebed in het verhaal van de schepping van het universum. Zulke verhalen, zoals ook het boek Genesis uit de bijbel, waarin de schepping van de wereld in zeven dagen wordt beschreven, kunnen worden gezien als allegorische constructies of letterlijk worden genomen door de gelovigen. In Susa, bij het huidige Dezful in Iran, zijn reliëfs gevonden die voor 2000 v. Chr. zijn vervaardigd. Ze beelden de twee hoofdgoden uit van Soemer (Beneden- Mesopotamië), de oudste beschaving op aarde en voedingsbodem voor de vele andere culturen en godsdiensten die ontstonden in Mesopotamië. Op dit reliëf rijst de Soemerische hemelgod An op uit de zee. Lichtstralen komen uit zijn schouders. An komt uit het water, zet zijn voet op de schouder van een knielende man en beklimt vervolgens de trappen van de wereldberg. Enki, de watergod, blijft in de zilte diepte. Soemerische teksten in spijkerschrift verhalen van de scheppingsmythe van Nammu, een godin en de moeder van amu tu anki, hemel-en-aarde, een universele twee-eenheid, bestaande uit An en Ki, uit mannelijk en vrouwelijk. Samen brengen zij de luchtgod Enlil voort, “die het zaad van het land uit de aarde doet komen' en die door te blazen An en Ki, hemel en aarde, van elkaar scheidt.

 

HINDOEÏSME

Oorsprong, geschiedenis en de praktijk

 

–  Religie zonder stichter

Goden en nomaden
Het hindoeïsme is niet een religie in de zin van de islam, het jodendom of het christendom. Het zogenaamde hindoeïsme bestaat uit een verzameling van verschillende religies. Veel godsdienstwetenschappers omschrijven het hindoeïsme als een geheel van religies. De reden hiervoor ligt in de ontstaansgeschiedenis. Ongeveer 1800 jaar voor de geboorte van Christus trokken Indo-Germaanse nomadenstammen het Indiase subcontinent binnen. Deze oorlogszuchtige Ariërs hadden hun land van herkomst moeten verlaten nadat grote stukken land in Centraal-Azië door een klimaatverandering in steppen waren veranderd en daardoor onvruchtbaar waren geworden. De herdersstammen die naar India trokken, namen hun godheden mee. Deze vereerden ze zonder tempels en godenbeelden in de vrije natuur en ze prezen hun daden in talrijke hymnen (heldendichten op rijm). De goden van de oorspronkelijke inwoners van India werden door hen opgenomen. Dit gegeven is kenmerkend voor hele hindoeïsme: het oude wordt niet verdrongen of verwijderd, maar in het bestaande geïntegreerd.

Een 'verzameling religies'
De religies van het hindoeïsme gaan niet terug op één gemeenschappelijke stichter. Ze hebben geen gemeenschappelijke leer, kennen geen gemeenschappelijke rituelen en beschikken over veel verschillende geschriften. Hindoes kennen ook geen gemeenschappelijk religieus centrum. Aanhangers van deze 'verzameling religies' delen niet hetzelfde geloof in één of meer godheden. Een hindoe kent en vereert vaak ook een serie goden, waar er duizenden van zijn. Er is geen sprake van of-of, maar van en-en.

Enige overeenkomst tussen alle gelovigen
De enige overeenkomst tussen alle gelovige hindoes is dat zij de sanatana-dharma, de eeuwige wet", naleven, die betrekking heeft op de orde die leven en een universum mogelijk maakt en daarmee op het gedrag dat de instandhouding van deze orde dient. Santana-dharma is niet gebaseerd op een menselijke oorsprong, maar gekit voor eeuwig en voor iedereen, inclusief de kastelozen.

– Religieuze stromingen in het hindoeïsme

Het hindoeïsme wordt gekenmerkt door talrijke religieuze stromingen waarin de centrale metafysische levensvragen worden uitgedragen. In tegenstelling tot de monotheïstische religies (zoals het christendom en jodendom) streven de verschillende stromingen niet naar unificatie. Het geloof in één god en veelgoderij bestaan eerder naast elkaar en het staat de gelovigen vrij te bepalen waarin ze willen geloven en waarin niet. Geen paus, dogma, tempel, wet of boek bepaalt de geloofsrichting binnen het hindoeïsme. Ook de vraag wat de mensen heil brengt - waarop in het christendom bijvoorbeeld maar één antwoord mogelijk is, namelijk Christus - wordt door het hindoeïsme met creatieve veelzijdigheid beantwoord.

Visjnoeïsme en shivaïsme
Er bestaan grote verschillen tussen het visjnoeïsme en shivaïsme, want ze gebruiken verschillende heilige geschriften en gaan uit van andere manieren om verlossing te bereiken. Voor sommige auteurs zijn de verschillen zo groot dat ze spreken van twee religies onder één dak. Aanhangers van beide geloofsrichtingen leven ascetisch in kloosters en zijn te onderscheiden door cle verschillende tekens op hun voorhoofd. Shivaïsten dragen horizontale en visjnoeïsten verticale strepen. De cultus en rituelen zijn bepalend voor het dagelijks leven. In tegenstelling tot de visjnoeïsten kennen de shivaïsten geen 'avatara's' (incarnaties) van hun goden. Het symbool van Shiva is voor hen een 'lingam' (fallus). Bij de verschillende religieuze groeperingen is sprake van wederzijds respect, want de idee van één enkele zaligmakende religie is hen vreemd. Niemand heeft de waarheid in pacht, aangezien het goddelijke zich in talrijke verschijningsvormen openbaart.

Het shaktisme
Shakti is Parvati, de vrouw van de god Shiva. Shakti is tegelijkertijd een bepaald aspect van deze godin, namelijk de vrouwelijke energie, en geniet als moedergodin grote verering. Shaktisme is rituele seksualiteit met het doel de scheppingsenergie in de mens op te wekken. Dat gebeurt via de seksuele daad, die met speciale technieken wordt uitgevoerd. Shaktisme is zowel genotzucht, zinnelijk vermaak en verering van het vrouwelijke als zoeken naar verlossing. De shaktische culten ontstonden waarschijnlijk in het 1e millennium van de christelijke jaartelling in de cultuur van het Indusdal. De aarde wordt hierin gezien als een vruchtbare godin; zij laat alles in een eeuwige kringloop ontstaan en weer vergaan. Shakti alleen schept en vernietigt de wereld, vervult wensen, schenkt genade, brengt verlossing.

Tantrisme
In het tantrisme gaat het om de zoektocht naar goddelijke eenheid door middel van magische praktijken. Ook hier staat de grote moedergodin op de voorgrond. Alle verschijningsvormen zijn beelden van het eeuwige ontstaan en vergaan. Verlossing wordt gezocht in de vereniging van tegenstellingen. In de vereniging van man en vrouw, oftewel met seks, wordt de verlossende kracht van de godin gezocht. Centraal daarbij staat altijd het magische ritueel dat nauw verbonden is met de esoterische voorstelling van micro-macrokosmos. Deze sinds de oudheid ook in het Westen bekende tantristische leer gaat er verder vanuit dat er een overeenkomst bestaat tussen de grootste en de kleinste componenten van het universum en die van de mens. Elke materiële gestalte is slechts de zichtbare uiting van een verborgen kracht, die overal doorheen stroomt.  De mens is net als het heelal vormgegeven.

Sikhs - één god en de gouden tempel
Bijna driekwart van de wereldwijd meer dan 23 miljoen sikhs woont in het grensgebied tussen India en Pakistan. Hun geloof in één god, in één mensheid en in de afwijzing van het kastenstelsel werd gesticht door goeroe Nanak (1469-1539), die zijn aanhangers opdroeg een op God gericht leven te leiden. "Beoefen meditatie, deugdzaamheid en barmhartigheid tegenover de armen en bedelaars," luidt het belangrijkste gebod van de sikhs, die ook geloven in de wedergeboorte. Wie zich echter volledig overgeeft aan God, kan verlossing vinden. Sikhs staan afwijzend tegenover de islam, maar zijn zeer verdraagzaam tegenover andere religies. De tiende volgeling van Nanak, Gobind Sing (1675-1708), bouwde het sikhisme uit tot een streng en militair georganiseerde gemeenschap. Mannelijke sikhs zijn sindsdien te herkennen aan hun. baard, lange haar en groene tulband. Meestal dragen ze ook een sabel. In Arnritsar in Punjab, ten noorden van Delhi, staat hun heiligdom, de gouden tempel. Hun heilige geschriften bestaan uit de schriftelijke nalatenschap van de tien goeroes en het boek Adi Granth.

 

– De veda’s

Veda's wijzen de 'weg van het horen'
Met de veda's worden in de eerste plaats heilige openbaringen bedoeld, die volgens het geloof van niet-menselijke oorsprong zijn. Vooral westerse geleerden en zoekenden spreken van een 'vedische literatuur'. Deze ontstond tussen 1500 en 500 v.Chr. en wordt in drie klassen onderverdeeld. Voor een gelovige hindoe volgt de openbaringskennis van de veda's net als vroeger de 'weg van het horen'. Dit horen gaat verder dan wat met het menselijk oor wordt gehoord. De heilige woordopenbaring door de veda's is eeuwig en heeft geen begin in de tijd. Zij ontvouwt haar ware betekenis pas als ze door iemand gesproken of gehoord wordt en de horende deze in zijn innerlijk opneemt. Volgens hindoes is deze kennis afkomstig uit de goddelijke adem: "Zo gemakkelijk als onze adem stroomt, ontstaan deze geschriften uit de hoogste brahmaan, die er geen moeite voor hoeft te doen". Het gaat de mens minder makkelijk af; die moet daartoe ritueel rein zijn.

Poging tot systematisering
De veda's worden in drie klassen ingedeeld, die samen de 'shriti' vormen (dat wat gehoord, geopenbaard wordt) en voor iedere hindoe bindend zijn:

1. Samhita - daartoe behoren de Rigveda, Samaveda (bij het offer gezongen melodieën) en de Atharvavecla (toverformules). De Rigveda ontstond rond 1200 v.Chr. en bestaat uit 1028 hymnen die in tien boeken, de zogenaamde mandala's (cirkels of scholen), zijn samengebracht en zijn gericht aan de verschillende goden van de Indiase godenhemel. Het tiende boek bevat bovendien speculaties over de oorsprong van de mens en de wereld. Vroeger mocht alleen de stand van de brahmanen (de priesters) zich met de Rigveda bezighouden, omdat de hymnen door profeten ('rishi's') werden beschouwd als goddelijke openbaring.

2. Brahmana's - dit zijn uitsluitend voor priesters bestemde verklaringen en aanwijzingen voor het offeren.

3. Aranyaka en Oepanishad, de Oepanishad bestaat uit 108 religieuze leergedichten die aansluiten op de veda's en daarom ook vedanta ('einde van de veda's') worden genoemd. De Oepanishad wordt bovendien beschouwd als geheime leer. Centrale gedachte van deze geschriften is de eenheid van 'atman' (het onveranderlijke wezen van de mens, ook levenskracht of adem) en 'brahman' (wereldziel, het absolute, dat ook ten gronde ligt aan de ziel). Aranyaka bevat de woudteksten waarvan de leer niet in de dorpen, maar in het bos werd doorgegeven.

Shroeti en smriti
De vedische geschriften worden onderverdeeld in 'shroeti' en 'smriti'. Tot de shroeti behoren de drie klassen van de veda's en de Oepanishad. Ze komen voort uit de Sanskrietwortel 'sroe' (horen) en betekenen 'dat wat wordt gehoord'. Rishi's (ziener, heilige) hebben ze ooit gekregen en doorgegeven. Ze zouden volgens het hindoeïstische geloof niet van menselijke oorsprong zijn. Tot de smriti ('dat wat wordt herinnerd') behoren openbaringen, leerboeken, wetboeken, poëzie zoals de Bhagavadgita, en de werken van de oprichters van de zes klassieke Indiase filosofiesystemen. Symbolisch worden shroeti met de moeder en smriti met de zuster vergeleken. Een kind hoort eerst dingen van zijn moeder en leert verder bij zijn zuster.

De veda's worden tot op heden verder geschreven
Naar eigen inzicht leggen verschillende filosofen de nadruk op bepaalde teksten van de vedische openbaringen, terwijl ze andere buiten beschouwing laten. Zo zijn er geleerden die alleen de shroeti als veda's beschouwen, omdat deze de oorspronkelijke openbaring zouden bevatten.

Geen voorgeschreven weg
De veda's bieden niemand een voorgeschreven weg, maar eerder een onbegrensd spectrum van verschillende wegen en filosofische benaderingswijzen. De mens moet zich op zijn eigen niveau van bewustzijnsontplooiing en voorkeur aangesproken voelen. De veda's willen de mensen aanmoedigen zich verder te ontwikkelen.

Tolerante religie
Deze religie maakte diepe indruk op Helmuth von Glasenapp (1891-1963), een Duitse Indoloog. Hij herkende er een kern van verdraagzaamheid in: "Dat in wezen zo verschillende opvattingen naast elkaar kunnen voorkomen, zonder dat vertegenwoordigers ervan in hun tegenstellingen reden zagen voor belangrijke godsdienstoorlogen, heeft te maken met het feit dat de meeste Indiërs niet geloven dat metafysische waarheden in een logische structuur samen te vatten zijn"
 
Geen aanspraak op de absolute waarheid
De shastra's, de heilige boeken van de Indiërs, bevatten volgens hindoeïstische denkers niet alles wat ze van hun oneindige vader hadden kunnen krijgen. Er bestaat geen boek zonder fout. Gods openbaring is de absolute waarheid, maar die wordt zelden in haar oorspronkelijke zuiverheid ontvangen en bewaard. Hindoeïstische geleerden gaan bij het bestuderen van de oude schrijvers zeer zorgvuldig te werk, hoe wijs de ouden ook worden geacht te zijn. Zo hebben ze de volledige vrijheid ideeën af te wijzen die voor hun persoonlijke zielenheil onacceptabel of in hun ogen verkeerd zijn.

 

– Hindoeïstisch godenhemel

De vele gedaanten van god
De goden- en halfgodenwereld van het hindoeïsme is verwarrend door de hoeveelheid goden en complexiteit. In tegenstelling tot westerse interpretaties, die zo'n godenwereld al snel gelijkstellen aan het polytheïsme van de Grieken of Romeinen, interpreteert het vedische monotheïsme deze godengedaanten als verschillende aspecten van één god: een god die zich in verschillende goddelijke gedaanten toont. De veda's spreken echter ook van de verschillende vormen van de enige goddelijke kracht, 'brahman'. De drie hoofdgoden, Brahma, Visjnoe en Shiva, staan in die volgorde voor de schepping, het behoud en de vernietiging ervan.

Het ongrijpbare principe 'brahman'
Boven alles troont een principe dat voor het menselijk verstand ongrijpbaar is en daarom ook door mensen niet bereikt, laat staan aangeroepen kan worden: brahman. Brahman staat voor .de wereldziel die in alles aanwezig is en die ongedeeld is. Alle dingen die wij waarnemen, behoren daarentegen tot 'maya', een schijnwereld. Het erkennen hiervan en doorzien van de illusie is de taak van alle gelovigen. Omdat brahman niet voorstelbaar is, zoekt de hindoe een aanspreekpartner als tussenpersoon: 'ishta deva'. Hij vertegenwoordigt een aspect van de brahman dat de hindoe zelf kiest: bijvoorbeeld eeuwigheid. In die zin is de ishta deva altijd een product van de illusie, maar daarvan is de gelovige zich meestal wel bewust. De ishta deva vormt echter ook een brug voor hem om dichter bij het absolute te komen.

Brahma, Visjnoe en Shiva
De Indiase godenhemel wordt beheerst door drie grote goden. De god Brahma, de vierhoofdige scheppergod, is de oudste god van het hindoeïsme en hoofdgod van de brahmanen. Hij heeft het universum geschapen en elk van zijn hoofden kijkt in een van de vier windrichtingen. In zijn handen liggen de vier veda's, de heilige geschriften van de openbaring. Samen met Visjnoe en Shiva vormt hij een drieëenheid, 'trimoerti', waarbij elke god een specifieke rol heeft: Brahma als schepper, Visjnoe als bewaarder en Shiva als vernietiger.
De drie goden strijden om de gunst van de mensen en zijn elkaars rivalen in de strijd om aanhangers. Een gelovige hindoe kiest meestal een van de drie als zijn lievelingsgod, zonder de anderen te verloochenen of af te zweren.
Bovendien bestaat in het hindoeïsme ook een zuiver monotheïsme, zoals de vereerders van Krishna laten zien. Zij aanbidden uitsluitend Krishna, die een volledige incarnatie van Visjnoe is (vergelijkbaar met Christus die als God mens werd). De drie goden hebben allemaal een vrouw aan hun zijde, omdat ze anders onvolkomen zouden zijn. "Een vogel kan niet met slechts één vleugel vliegen," zegt men daarover in het hindoeïsme. Brahma's vrouw is Saraswati, de godin van de wetenschappen. Visjnoe's echtgenote is Lakshmi, de godin van de schoonheid en het geluk. Shiva's vrouw heet Shakti (of Parvati) en staat enerzijds voor innerlijke kracht en energie, anderzijds voor moederlijke goedheid en weldadigheid. In de gedaante van de godin Kali belichaamt zij echter de vernietiging van het leven.

Visjnoe - de bewaarder
Hij zorgt ervoor dat de schepping in stand wordt gehouden.
Daartoe komt hij in de gedaante van talrijke avatara's (incarnaties) op aarde om tegen de boze machten te strijden. Dat gebeurt zowel in de gedaante van dieren als van mensen. Lange tijd bestonden er negen incarnaties van Visjnoe, onder andere de vis, om de mensen bij grote overstromingen bij te staan. De vis is de eerste avatara. De geliefdste is de achtste, die van de hoedergod Krishna met de fluit, die houdt van alles wat lekker is. Boeddha is sinds lange tijd Visjnoe's negende en laatste incarnatie. Zijn tiende zou Kalki zijn, die als apocalyptische ruiter het kwaad wil laten verdwijnen.

Shiva - de vernietiger
Visjnoe is geliefd omdat hij elke natuur en gestalte kan aannemen en zowel als vrouw als man verschijnt, maar ook Shiva heeft een grote schare aanhangers. Shiva is een veelzijdige, goedig-meedogenloze god. In een onstuimige dans zet hij de wereld in beweging om deze aan het einde onbewogen te vernietigen. In zijn handen houdt hij de drietand, net als de Romeinse zeegod Neptunus. Shiva's drietand is het symbool voor de heer van het universum, de grote yogameester, de danser die over geesten en demonen beslist. Shiva leeft met zijn vrouw Shakti (Parvati) en zijn twee zonen Ganesha en Skanda op de heilige berg Kailash in de Himalaya. De piramidevormige berg Kailash wordt ook vereerd in het Tibetaanse boeddhisme. Shiva's uiterlijke kenmerken zijn een gevlochten haarkroon met daarin de maansikkel, slangen en de riviergodin Ganga. Verticaal op zijn voorhoofd staat het oog van het inzicht. Zijn lichaam is gehuld in de huid van een roofdier. Om zijn nek is een cobra gewikkeld. Shiva is een danser. In deze functie wordt hij als Nataranja, de god van de dans, met klokjes aan zijn enkels weergegeven.

Ganesha - de olifantgod
Ganesha is de zoon van Shiva. Hij heeft een hangbuik en een olifantskop. Shiva heeft hem echter niet verwekt. Zijn vrouw Parvati schiep Ganesha uit haar eigen badwater. Ganesha wordt beschouwd als god van de wijsheid en het wereldlijke succes. Hij snoept graag, reden waarom hij op veel afbeeldingen met een schaal zoetigheden wordt weergegeven. De relatie met zijn vader Shiva is tweeslachtig, want deze heeft zijn zoon ooit diens mensenhoofd afgehakt, toen hij hem in de weg stond. Ganesha had Shiva niet herkend. Toen Parvati haar man bad om de zoon weer tot leven te wekken, weigerde Shiva dit niet, maar koos hij als nieuw hoofd voor Ganesha dat van het eerste dier dat langskwam, een olifant.

 

– De hindoeïstische jaartelling

Het laatste wereldtijdperk
De hele wereldgeschiedenis beweegt zich in een cyclische tijdsruimte. Volgens de filosofie en de theologie volgt op elke vernietiging van de wereld een nieuwe schepping. Binnen een wereldtijdperk bestaan vier perioden die elkaar opvolgen. Wij leven in de donkerste en laatste periode, in de kaliyuga, die 432.000 jaar duurt. Deze begon met de dood van Krishna in 3102 v.Chr. en eindigt met de komst van Visjnoe in de gedaante van zijn tiende incarnatie Kali. Met deze komst wordt een nieuw tijdperk van vrede en harmonie ingeluid. Dit nieuwe, eerste tijdperk van de volgende cyclus heet satayuga en duurt 1.728.000 jaar. Dan volgen tretayuga (196.000 jaar), dvararayuga (864.000 jaar) en ten slotte weer kaliyuga. Alle vier genoemde yuga's vormen een wereldtijdperk, mahayuga genaamd. 1000 mahayugas vormen een kalpa, een wereldperiode, die zo lang is als “een dag en een nacht van Brahma”.

Avatara's, oermaterie en wereldei
Elke wereldcyclus begint met een tijdperk van vrede en harmonie dat vanuit menselijk oogpunt oneindig is. Maar daarna wordt de wereld in alle morele opzichten slechter. De god Visjnoe stuurt negen avatara's als redders van de wereld. De negen avatara's van Visjnoe tonen zich als dier, manleeuw, held, wijze, Krishna en Boeddha. Ten slotte, als er honderd brahrnajaren zijn verstreken, lost het wereldei op en wordt het oermaterie. Na een lange pauze zal het opnieuw ontstaan in een verder scheppingsproces.
Deze voorstelling vertoont parallellen met de moderne kosmologie, die ervan uitgaat dat een universum door de oerknal ontstaat en zich daarna uitzet tot het uiteindelijk in een tegengestelde beweging weer tot een heel klein puntje samentrekt.

– Karma, dood en wedergeboorte

Eeuwige kringloop en zielsverhuizing
Zielsverhuizing (transmigratie) en karma vormen in alle hindoeïstische leren een centraal thema. Wanneer bij de dood de atman oplost, blijft het karma bestaan. Hindoes geloven in een cyclisch verloop van de wereld, waarbij geen begin of einde is. Het wereldverloop lijkt op een slang die zichzelf in de staart bijt. De aandrijving van deze eeuwige kringloop is het karma, het principe van oorzaak en gevolg. Dit heeft de wedergeboorte als resultaat, omdat de ebden van de mens uit zijn vroegere leven een vergeldingsmechanisme in werking stellen. De daden moeten worden opgevat als een opeenhoping van energie, die probeert zich harmonieus op te lossen, maar hier niet in slaagt omdat er te weinig goede daden zijn. Als een mens goede daden in zijn laatste leven heeft verzameld, krijgt hij als beloning een toestand als in het hiernamaals in paradijselijke proporties, voordat hij opnieuw wordt geboren. Welk leven hem is toebedeeld, hangt af van zijn karma. Het is mogelijk het volledige karma op te bouwen en de geboortekringloop te doorbreken. Wanneer dat gebeurt, komt de mens in het brahma-nirwana, een toestand die het menselijk voorstellingsvermogen te boven gaat.

Hindoeïstische voorstellingen van het hiernamaals
Toen de Indo-Germaanse nomaden (Ariërs) in het 2e millennium v.Chr. het Indusdal binnentrokken, namen ze hun ideeën over een leven na de dood mee. Hun oudste document, de Rigveda, biedt daar echter slechts spaarzaam informatie over. Wat daaruit valt op te maken is dat de ziel na verbranding van het lichaam een tussentoestand, 'peta', aanneemt. In deze toestand dwaalt hij als geest op aarde en wacht hij tot hij naar de wereld van de voorouders kan. Bij de overgang naar het dodenrijk moet de overledene gevaarlijke wateren oversteken en de honden van de dodengod Yama passeren.
In het rijk van de voorouders wacht de nieuw aangekomene het eeuwige leven, lichamelijk herstel, fijne spijzen en muziek in een goed gezelschap. De geneugten van het hiernamaals alleen bestemd zijn voor degenen die een goed leven hebben geleid. Misdadigers worden in een hel geworpen, die zich kenmerkt door pikzwarte duisternis.
Een vastomlijnd kastenstelsel
Het hindoeïsme kent geen bepaalde geloofsbelijdenis of duidelijke definities, maar wel een groot aantal gebruiken, ceremoniën en religieuze voorstellingen. In het huis van iedere gelovige hindoe staat een klein altaar met een godenbeeld. Veel hindoes gaan minstens twee keer per dag een halfuur in opperste concentratie voor het altaar zitten. Alle hindoes hebben dezelfde perceptie van de wereld, die volgens een streng ordeningsprincipe functioneert. Alle levende wezens maken deel uit van een vastomlijnd klassenstelsel: aan het ene uiteinde staan de planten, aan het andere uiteinde mensen die een zuiver, zedelijk leven leiden. Hiertussenin staan de dieren, de slechte mensen en de minder goede mensen.

 

– De kasten

Indeling in kasten
De rangorde onder de mensen is nauwkeurig vastgelegd in het hindoeïsme. Ook al is de regering tegen het kastenstelsel, de meeste Indiërs geloven dat elk levend wezen bij geboorte zijn plaats krijgt toegewezen door dharma, de wereldwet. Het geloof in de zin en het doel van deze religieuze instelling, die de vermindering van het karma betreft, ligt zo diep in de volksaard verankerd dat de politiek hier niet zomaar verandering in kan brengen.

Kaste van de brahmanen
Het kastenstelsel kent vier grote kasten: bovenaan staan de brahmanen, omdat zij hun leven volkomen ondergeschikt maken aan de religie en het zo inrichten volgens basisprincipes dat ze beschermd zijn tegen rituele verontreiniging. Brahmanen nemen een bijzondere plaats in en worden in zowel lichamelijke als geestelijke zin als rein beschouwd. De kaste van de brahmanen is nog verder onderverdeeld: de 'pandits', de geleerden, zijn het hoogst in rang.

Kaste van de krijgers, kooplieden, arbeiders
Tot de op een na hoogste kaste behoren de kshatriya's, de krijgers en edelen, die de maatschappij beschermen en voor orde zorgen. Op de derde plaats volgen de vaishya's, de kaste van de kooplieden, landbouwers en veetelers. Op de vierde plaats volgen de soedra's (arbeiders en boeren). Daarnaast ontstonden door de afbakening van verschillende beroepsgroepen en door huwelijken ontelbare tussenkasten, bijvoorbeeld de kaste van de wassers (dhobi) of die van de goudsmeden. Monniken en allen die een echt spiritueel pad bewandelen, beschouwen zichzelf als verheven boven alle kasten.

De kaste van de onaanraakbaren
Met de onafhankelijkheid van India werd het kastenstelsel formeel opgeheven. Het is strafbaar de zogenaamde kastelozen (zo wordt de onderste kaste ook wel genoemd), de paria's, maatschappelijk te benadelen. De zogenaamde onaanraakbare kasten noemen zichzelf tegenwoordig 'harijans' (kinderen van god), een erenaam die ze kregen van Mahatma Gandhi, die af en toe bij hen leefde.

– Hindoeïstische praktijk

Chakra's en tantra's
Volgens de opvatting van het tantrisme, een religieuze stroming (sinds de 4e eeuw) met grote invloed op het hindoeïsme en boeddhisme, heeft het lichaam kosmische energie nodig om te kunnen leven. Aan het belangrijkste energiekanaal van het lichaam, dat langs de wervelkolom loopt, liggen zes chakra's die de kosmische energie verzamelen en verdelen. Een zevende chakra bevindt zich buiten het lichaam, net boven de schedel, in de aura.

Ascese en yoga
De hindoe zoekt naar middelen en manieren om verlossing te vinden. Als asceet doet hij afstand van materiële bezittingen en onthoudt hij zich van slaap, voeding of comfort en seksualiteit. Ondertussen mijdt hij andere mensen, omdat hij niet wil spreken. Ascese is een kleine, maar belangrijke stap op weg naar verlossing. Deze dient tot het verhogen en heiligen van de ziel, de geestelijke energie.

Het heilige symbool van het hindoeïsme
'Om' of 'aum' is het symbool voor het absolute en het heilige van het hindoeïsme. Het symbool om 'staat voor de driedeling van de wereld: lichaam, geest en onderbewustzijn.
Om, het oergeluid, omvat de hele kosmos en is een wezenlijk bestanddeel van de belangrijkste mantra's. Om is het symbool van de onherkenbare brahman en omvat verleden, heden en toekomst.

Bhakf - de volledige toewijding
Bhakti betekent de volledige toewijding aan een god. Vooral Krishna, de incarnatie van Visjnoe met de blauwe huid, wordt op deze manier door gelovigen geëerd. Bhakti heeft een zeer emotionele inslag en komt oorspronkelijk voort uit het gevoel dat de gelovige de scheiding van god als pijnlijk ervaart en dit ook zichtbaar tot uitdrukking brengt.

Toepassing en betekenis van mantra's
Mantra's zijn magische spreuken - meestal letters uit het Sanskrietalfabet, lettergrepen of onvolledige zinnen - die aan bepaalde riten of goden worden toegekend om door het uitspreken ervan bepaalde reacties op te wekken. In die zin zijn mantra's ('gezang voor bevrijding') net als 'om' heilige geluiden en volgens degenen die erin geloven dragers van energie. Veel mantra's zijn de namen van goden of kosmische wezens. Door een naam te herhalen kan iemand zich verbinden met de energie van zo'n god of wezen.
De mantra "Hare Krishna" is bijvoorbeeld ook in het Westen zeer bekend.

 

– De hindoeïstische tempel als goddelijke residentie

Brug tussen mens en god
De artistiek vormgegeven hindoetempel vormt het "brandpunt van het sociale en geestelijk leven van de gemeenschap van gelovigen. In alle delen van India en in verschillende perioden zijn tempels gebouwd. De tempel weerspiegelt de idealen en de levenswijze van degenen die hem hebben gebouwd en voor wie hij een brug tussen de wereld van de mensen en de wereld van de goden is". Tempels staan bij een plaats die als heilig wordt beschouwd. Aan het ontwerp en de bouw gaat altijd een rituele reiniging van de bouwplaats vooraf. De plattegrond van de tempel is een geometrische mandala: een concentrische figuur, bijvoorbeeld een vierkant.

Communicatie via het beeld van de god
Op deze wijze verbindt men de wereld van de goden - het universum - met de door de mensen gebouwde tempel. In zijn opzet is een tempel als het ware een verkleinde reconstructie van het universum. Om tot identificatie met het universum te komen, moet er sprake zijn van een visuele overeenkomst tussen de wereld van de goden en die van de mensen.

In het binnenste
Een klein sanctuarium in het binnenste van de tempel bevat cultusbeelden en symbolen van de godheid aan wie de tempel is gewijd. Het godenbeeld vormt een middel voor de gelovige om zich te verenigen met het goddelijke en wordt niet met de godheid zelf geïdentificeerd. De god of godin woont slechts tijdelijk in het beeld. Wie de goden wil eren, moet rein zijn. Daarom vindt de eredienst plaats na het dagelijks bad en voor de maaltijd. De tempelbezoeker slaat op de gong bij de ingang van de tempel, om zijn komst aan te kondigen en om boze invloeden te verdrijven. Er heerst een onophoudelijk komen en gaan - vaste gebedstijden bestaan niet. Tot de belangrijkste rituelen van hindoes behoort de omtrekking van het allerheiligste met de klok mee. Daardoor wandelt de gelovige symbolisch volgens de beweging van de zon op het pad van de eeuwige wereldordening.

Offergaven
Geliefde offergaven zijn voedingsmiddelen zoals rijst, vruchten en kokosnoten, die met bloemen en brandende wierookstaafjes aan de goden worden aangeboden. De kokosnoot symboliseert de vrucht van de handelingen uit het verleden. Rijst staat voor vruchtbaarheid. Bloemen zijn symbolen van reinheid en wedergeboorte en daarom geschikt als versiering van de godheid. Parfum, wierook en licht (brandende kaarsen) behoren ook tot de vaste offergaven. De dop van de kokosnoot is het symbool van het ruwe lichaam, het vruchtvlees dat van de ziel, met al zijn wensen en banden. Als de priester de kokosnoot openbreekt, toont hij de gelovigen de binnenste witte kern. Zijn handelen symboliseert het openbreken van het intellect en het vrijgeven van alle nobele eigenschappen. De kokosmelk stroomt daarbij naar de voeten van de god en symboliseert het versmelten van de individuele geest met de kosmische.

– Pelgrimstochten en heilige feesten

De heilige stad Varanasi
Voor hindoes is net als voor moslims de pelgrimstocht een wezenlijk onderdeel van de uitoefening van hun religie. In tegenstelling tot de betekenis van Mekka binnen de islam kan in India bijna elke plaats een heilig pelgrimscentrum zijn. Daarom variëren de gegevens over het aantal hindoeïstische pelgrimsplaatsen (tirthas) tussen de 58 en 64.000, afhankelijk van het feit of alleen hoofdplaatsen, zoals Varanasi (Benares) en Hardwar, ertoe worden gerekend of ook lokale, minder bekende plaatsen. Varanasi aan de Ganges is een heilige plaats waar de god Shiva ooit verscheen en als asceet leefde. De stad is zo beroemd omdat Shiva de stad volgens zijn aanhangers nooit heeft verlaten. Voor in het buitenland levende hindoes geldt zelfs een bezoek aan India als een 'tirthayatra', een pelgrimstocht. Heilige plaatsen van de hindoes liggen meestal aan rivieroevers, kusten, stranden en op bergen.

Heilige feesten
Hindoepelgrims houden van feesten. Het grote Kumbhamelafeest dat om de drie jaar op vier verschillende plaatsen wordt gehouden, wordt astrologisch bepaald en trekt elke keer miljoenen pelgrims. Ten tijde van het Dasserafeest in oktober/november wordt elk jaar de geschiedenis van de ramayana in een 30-daagse cyclus weergegeven. Bezoekers van Vrindavan en de met Krishna verbonden omgeving hopen op zijn geboortedag of tijdens het Holifeest ter ere van de dag- en nachtevening in de lente op een visioen van Krishna die met zijn vriendinnen, de 'gopis' (herderinnen), ronddartelt.

Een laatste tempel voor Brahma
Tot de hoogtepunten van de pelgrimstochten behoort een bezoek aan het meer van Pushkarakshetra ('blauwe lotusbloem') in het westen van India. Hier staat de enige overgebleven tempel voor Brahma, de schepper. Er zijn ook moderne bedevaartsplaatsen, bijvoorbeeld aan de oever van de Yamuna in Delhi, waar Mahatma Gandhi werd gecremeerd. Daar worden staatshoofden mee naartoe genomen en dagelijks leggen honderden hindoes hun bloemenslingers hier neer. Bij een pelgrimstocht is iedereen gelijk. In de "Ganges worden de reinen nog reiner en de verontreiniging van de onreinen wordt in elk geval tijdelijk tenietgedaan.

Waarde van een pelgrimstocht
De waarde van een pelgrimstocht hangt af van de manier waarop de gelovige hem benadert. Veel hindoes denken dat de waarde wordt bepaald door de afgelegde afstand - te voet is daarbij de beste keuze - en de heiligheid van de plaats. Sommige hindoes weten dat de ware pelgrimstocht de innerlijke reis van de ziel is; wie deze maakt, heeft geen pelgrimstocht nodig. Ramprasad Sen, een 18e-eeuwse vereerder van de godin Kali, meende het volgende: "Wat heb ik met Varanasi te maken? Kali's voeten zijn voor mij genoeg pelgrimsoord. Wanneer ik diep in de lotus van mijn hart over haar mediteer, zweef ik boven de oceaan van gelukzaligheid".

 

– De boeddhistische periode van het hindoeïsme

In de 6e en 5e eeuw v.Chr. probeerden verschillende culturele bewegingen de principes van het vedische geloof te ondermijnen. Een groep atheïstische filosofen stond afwijzend tegenover het bestaan van een god, het gezag van de vedische geschriften en het principe van wedergeboorte. Bovendien weigerde deze groep de status van de brahmanen (priesters) te erkennen. De aanhangers van Gautama Boeddha splitsten zich van de vedische traditie af en volgden een eigen religieuze weg. Volgens de hindoeïstische voorstelling is Boeddha de vleesgeworden god Visjnoe. Basis van deze voorstelling vormen de vedische geschriften. Daarin staat: "In het begin van de kaliyuga [in het hindoeïsme het laatste van de vier tijdperken waarin de wereldcyclus is ingedeeld] zal de heer als Boeddha, de zoon van Anjana in de provincie Gaya verschijnen om degenen die de gelovigen benijden, te misleiden".

Afwijzing van de heilige geschriften
Boeddha predikte vooral geweldloosheid en hij onderwees fundamentele moraliserende wetten om de mensheid te louteren. Boeddha zelf stond afwijzend tegenover de vedische geschriften. Deze afwijzende houding interpreteren veel hindoeïstische geleerden als 'schijnafwijzing, omdat de mensen te zondig zouden zijn geweest om de ware betekenis van de veda's te kunnen vatten. Toen koning Asjoka zich in de 3e eeuw v.Chr. bekeerde tot het boeddhisme en zich voor deze leer inzette, raakte het gezag van de brahmanen lange tijd ernstig verzwakt. Na Asjoka's dood (232 v.Chr.) viel het rijk uiteen. Het nieuwe koninkrijk Noord-India volgde Asjoka's voorbeeld en koos voor het boeddhisme. Tot eind 3e eeuw n.Chr. had India voortdurend te maken met vijandige invallen. In deze voor de bevolking moeilijke periode herinterpreteerden de brahmanen de vedische religie om haar nieuw leven in te blazen.

– Hervormers

Een grote hindoe - Mahatma Gandhi
Mohandas Karamchand Gandhi (1869-1948) kreeg de titel Mahatma, 'grote ziel', die Indiërs alleen verlenen aan mensen met een grote geest en een groot hart. Hij was de vader van de Indiërs en strijder voor de Indiase onafhankelijkheid van de koloniale overheerser, GrootBrittannië. Zijn naam is tegenwoordig synoniem met geweldloze weerstand en respect voor mensenrechten. Gandhi was afkomstig uit de derde hindoekaste van de 'vaishya's', de kooplieden, en zette zich ook in voor de afschaffing van het kastenstelsel.

Een vernieuwer van de yoga: Sri Aurobindo
Sri Aurobindo (1872-1950) was een Bengaalse brahmaan, filosoof en yogaleraar, die de traditionele yoga nieuwe wegen liet inslaan. Aurobindo woonde bijna veertien jaar in Engeland, waar hij kennismaakte met het westerse gedachtegoed. Hij combineerde de ideeën die hem aanspraken met de religie van zijn land. Terug in India had hij verschillende banen als ambtenaar en belandde hij in de gevangenis, omdat hij van een bomaanslag werd verdacht. Daar las Aurobindo de Bhagavidgita, waardoor in deze geleerde een nieuwe en fundamentele kennis rijpte. Vanaf dat moment wijdde hij zich aan de yoga. In 1910, na zijn vrijlating, richtte hij in Pondicherry een yogaschool op, die na zijn dood door een Française, 'de moeder' genoemd, werd geleid.

 

– Hindoe begrippen

Herkomst van het woord hindoe
Hindoe is afgeleid van het Sanskriet 'sindu' voor 'rivier'. Het woord werd door de Perzen fonetisch in 'hindoe' veranderd en duidde oorspronkelijk slechts op de bewoners die aan de Indus woonden. Later werd hiermee ook de bevolking van het subcontinent India en het land zelf aangeduid.

Vedische kennis
Vedische kennis is eeuwigdurend. Omdat de kosmos zich in een continu proces van verandering bevindt, wordt ook de kennis van de veda's steeds weer opnieuw geïnterpreteerd. Het spreekt voor een hindoe daarom vanzelf dat de menselijke individualiteit en eigen aard tot uitdrukking komen in verschillende filosofische opvattingen.

De god Krishna
Krishna wordt beschouwd als de oorsprong van alle andere goden. Verteld wordt het verhaal van een man die diverse tempels bezocht om de oorsprong van alles te vinden. Toen hij bij Brahma kwam, zag hij deze tijdens het scheppen van de wereld. Shiva trof hij aan bij zijn wereld vernietigende dans en Visjnoe tijdens het behouden van de wereld. Bij zijn bezoeken aan de tempel van Krishna wachtte hem steeds een verrassing: de ene keer zag hij een jonge koeienhoeder die met zijn vrienden ronddartelde, terwijl hij diezelfde jongeling een andere keer aantrof tijdens een intiem samenzijn met het meisje van Vraja. Toen besloot de man dat de blije Krishna niets anders kon zijn dan de oorsprong van alles. Krishna met de toverfluit is in de Indiase iconografie te herkennen aan zijn blauwzwarte huid. Hij is een vrolijke god die niet afkerig is van wat zinnelijk genot.

Parvati - moedergodin met veel gedaanten
Shiva's vrouw Parvati wordt onder veel namen vereerd. Als Aba of Ambika is ze een liefhebbende godin met moederlijke instincten. Als Kali is ze wreed, wild en boezemt ze angst in. Kali is zwart en veelarmig en eiste vroeger bloed en mensenoffers. Kali eet kinderen en volwassenen en schept daardoor nieuw leven. Als Doerga is Kali/Parvati een oorlogsgodin die demonen bestrijdt. Als Shakti staat ze voor de vrouwelijke kracht. Als scheppergodin en heerseres over de dood heeft zij in de loop der tijd veel aanhangers gekregen.

Wat is nirwana?
De westerse mens is bang voor het niets, omdat hij dit ziet als vernietiging en een diep, zwart gat. Dat is echter niet wat wordt bedoeld met nirwana. Nirwana kan al tijdens dit leven worden bereikt door 'moksha' (bevrijding) en houdt het doven van een dergelijk streven naar daden en leven in. Nirwana is een toestand zonder leed, waarin men van alles is verlost. Het is een toestand waarin het bewustzijn zichzelf niet meer waarneemt.

Etherlichaam en astraal lichaam
Beide lichamen zijn fijnstoffelijk. Het etherlichaam is verantwoordelijk voor de verspreiding van de fysieke afvoer via de chakra's (energiecentra) en sterft bij de dood van de mens. Het astraal lichaam wordt gevormd door alle wensen, emoties en gedachten die opkomen in de menselijke geest. Bij de dood van de mens verlaat dit lichaam het fysieke lichaam en gaat op in de astrale wereld. Bij ongevallen onder invloed van drugs en indien men in coma raakt, maakt het zich spontaan los van het lichaam.

Rituele onreinheid
De rituele onreinheid ligt overal op de loer en is even verwerpelijk als de zonde. Ze is overal in het hindoeïstische geloof terug te vinden. Hindoes kunnen door zaken, dieren of personen permanent of tijdelijk onrein worden en deze rituele, niet-fysieke onreinheid overdragen op iedereen die met hen in aanraking komt. De onreinheid wordt tenietgedaan door reinigingsceremoniën ('bad') of - in ernstige gevallen zoals moord op een brahmaan, drinken van sterkedrank of het doden van een koe - door een boetedoeningsceremonie, die door een college van brahmanen ('parishad') wordt opgelegd. Boetedoeningsceremoniën kunnen zich over een lange periode uitstrekken. Ze bestaan uit speciale opdrachten zoals vasten of het drinken van warme koeienurine. Maar ook geschenken aan brahmanen kunnen gelden als boetedoening.

 

 

 

BOEDDHISME

Oorsprong, geschiedenis en de praktijk

 

Geboorte en leven van boeddha, Siddharta Gautama

Boeddha, 'de Verlichte' (ca. 560-480 v.Chr.), werd geboren in Lumbini, in de grensstreek tussen Nepal en India, als prins Siddharta Gautama, zoon van de plaatselijke vorst Suddhodana. Tal van teksten in het Sanskriet (de veda's en andere Indiase geschriften) beschrijven zijn leven, maar ze werden pas eeuwen na zijn dood opgesteld. Toch valt niet te ontkennen dat Boeddha werkelijk geleefd heeft, want enkele feiten uit zijn leven zijn onomstreden. Zijn vader Suddhodana heerste over een klein vorstendom. Siddharta's moeder schijnt zeven dagen na zijn geboorte gestorven te zijn. Zijn vader bezorgde hem een goede opvoeding en huwelijkte hem al vroeg uit. Op 29-jarige leeftijd verliet Siddharta zijn gezin, omdat hij in een ernstige levenscrisis verzeild was geraakt. Hij zocht wijsheid bij rondtrekkende leraren. Toen hij 35 jaar oud was, zag hij het licht. Daarna trok hij zelf als leraar door het land, onder begeleiding van een groeiende schare volgelingen. Hij werd 80 jaar oud.

–  Legenden rond Boeddha, de Verlichte

De historische feiten
Over het leven van Boeddha is bijna niets met zekerheid bekend. Veel biografieën, waaronder die welke er aanspraak op maken zijn werkelijke leven te beschrijven, dateren van lang na zijn dood. Op een aantal punten komen ze echter wel met elkaar overeen.

De bovennatuurlijke ontvangenis
Net als Jezus werd Boeddha door een god verwekt. Daartoe daalde de Heer van de Drie Werelden neer uit de hemel, nam de gestalte aan van een jonge, witte olifant met zes slagtanden en drong daarmee de rechterzijde van de vrouw binnen. Koningin Maya, Siddharta's moeder, zei daarover: "Het was een lichamelijk gevoel van geluk en een verrukking van mijn geest, alsof ik in een heel diepe staat van contemplatie verkeerde".

Geboorte en opvoeding van prins Siddharta
Wijze mannen uit alle delen van het land voorspelden koning Suddhodana bij de geboorte van zijn zoon: "De prins wordt een groot man, een koning van een wereldrijk waarin gerechtigheid woont. Hij zal de wereld een nieuwe wet geven, een betere wet. Hij zal een vredesrijk stichten dat zich tot aan de wereldzee uitstrekt. Alle volkeren zullen gelukkig zijn onder zijn bewind". De koning probeerde te voorkomen dat Siddharta ooit iets treurigs, lelijks of onaangenaams zou ervaren. Hij verwende hem. Op zijn elfde verjaardag kreeg de jongen het heilige snoer en vanaf dat moment was hij een volwaardige hindoe. De brahmanen zeggen in dat verband: "De mens moet tweemaal geboren worden: één keer uit de schoot van zijn moeder, een tweede keer door opvoeding en scholing" .

De vier rijtoeren
Volgens de overleveringen kwam Boedhha tot zijn besluit het beschermde wereldje van het vaderlijk hof te verlaten nadat hij vier rijtoertjes had gemaakt. Tijdens de eerste rijtoer verliet hij de stad door de oostelijke poort en kwam hij een grijsaard tegen. De ouderdom maakte een verpletterende indruk op hem: de lichaamskracht van de man was geweken, diens zinnen begaven het. Tot zijn verbazing hoorde Siddharta van de grijsaard dat alle mensen voorbestemd waren om oud en zwak te worden. Een gezond lichaam is niet blijvend; zodra het ter wereld komt, begint het verval ervan. Op zijn tweede rijtoer verliet hij de stad door de zuidelijke poort en kwam hij een ernstig zieke man tegen. De prins besefte dat alle geluk maar schijn is en de wereld doortrokken is van lijden. Zijn derde rijtoer voerde Siddharta door de westelijke stadspoort, waarna hij een begrafenisstoet tegenkwam. Weeklagende en huilende mensen omgaven de prins. Die besefte nu dat het leven niet eeuwig duurt. Op zijn vierde rijtoer verliet Siddharta de stad door de noordelijke poort. Een volkomen gelijkmoedige bedelmonnik kruiste zijn pad. De man had alles achter zich gelaten en zocht voortaan in een zwervend bestaan naar innerlijke rust.

Siddharta verlaat zijn vrouw en familie
Als jonge prins had Siddharta de genoegens van het hof gesmaakt. Nadat hij ouderdom, ziekte, lijden en dood had gezien, begon hij vraagtekens bij zijn manier van leven te zetten: "Als ik eens, nu ik het kwaad van ouderdom, ziekte en dood heb ingezien, op zoek zou gaan naar wat vrij van kwaad is, naar de hoogste vrede, het nirwana? Ik schoor mijn haar en baard af, hulde mij in het gele gewaad van de asceet en verliet mijn huis om een thuisloos bestaan te betreden". En zo liet de prins het paleis, zijn vrouw en kind achter en trok hij zes jaar lang rond met zijn volgelingen.

De asceet
Siddharta had twee asceten als leraar en voorbeeld. Hij kastijdde zich net als zij, ontzegde zich eten en drinken en zag af van alles wat aangenaam was. Daardoor vermagerde hij sterk. Hij kreeg een droom en daarna zag hij af van de strenge ascese, nam weer voedsel tot zich en zag de vergeefsheid van kastijding in. Hij wist nu dat hij de waarheid niet in een strenge ascese, maar diep in zichzelf moest zoeken. Hij mediteerde en bevrijdde zijn geest door een milde vorm van ascese. Tot verlichting, zo zag hij nu in, komt men langs een gematigde weg, niet langs een extreme.

Boeddha's dood
Na zijn verlichting trok Boeddha naar Benares, waar hij een belangrijke toespraak hield. Die werd later als 'Leerrede over het draaien van het levenswiel' in de boeddhistische canon opgenomen. Nu brak een veertigjarige periode aan waarin Boeddha onderrichtte, een geloofsgemeenschap ('sangha') stichtte en met steun van adellijke vrienden kloosters bouwde. Toen hij tachtig jaar oud was, besloot Boeddha in Kushinagra te sterven. Hij liet zijn sterfbed tussen twee bomen neerzetten. Tijdens het mediteren ging zijn geest het nirwana binnen. Dit is nog steeds de manier waarop vele Tibetaanse monniken hun levenseinde vormgeven.

Boeddha's leer
Boeddha leert: "Besef dat de wortel van het lijden in de wereld de dorst naar wedergeboorte is, de dorst naar bevrediging van de vijf uiterlijke en innerlijke zinnen, de dorst naar de dood." Wie daar een eind aan wil maken, bewandele het "achtvoudige pad" van reinheid in geloof, wil, spreken, handelen, leven, intenties, denken en meditatie. Daarnaast gaf Boeddha zijn volgelingen vijf regels voor het dagelijks leven: "Heb medelijden en respecteer ook de geringste vormen van leven. Geef en ontvang vrijmoedig, maar aanvaard geen ongepaste geschenken. Spreek nooit een leugen, ook niet als de situatie dat lijkt te rechtvaardigen. Mijd schadelijke genotmiddelen, eert uw vrouwen en verlang niet naar onzedelijke handelingen".

Yana
Boeddha verlangt een aanhoudend 'zich-losmaken' van het lichaam, van bezit, van beelden en voorstellingen. Boeddhisme heet in het Sanskriet 'yana', een woord dat ook 'voertuig' of 'veerboot' betekent. De leer voert naar ontsnapping aan de nood, loslaten, wereldverzaking. Het boeddhisme is een weg die iedereen zelf moet gaan. Het kent geen god en beloont zijn volgelingen met volledige leegte, het nirwana.

 

–  Hinayana- en mahayana -boeddhisme

Hinayana-boeddhisme
De aanhangers van de historische Boeddha waren zonder uitzondering monniken. Met steun van adellijke begunstigers konden zij al vroeg de eerste kloosters stichten. Daar kwamen een elitebewustzijn en strenge orderegels op. De meeste aandacht ging uit naar Boeddha als historische persoon, de leer (dharma) en de gemeenschap (sangha). Samen vormden zij de ruggengraat van het hinayana-boeddhisme, 'het kleine voertuig'. Klein is de hinayana-richting omdat zij slechts aan een minderheid plaatsbiedt: het is een puur monastiek boeddhisme. Doel van de hinayana-monnik is het om zich tot een 'arhat' (waardige) te ontwikkelen, iemand die de vierde en hoogste trap bereikt van Boeddha's leer, die van de volmaaktheid, ook al is die in elke wereldcyclus voor slechts één persoon weggelegd: Boeddha. Van alle hinayana-scholen overleefde alleen het theravada-boeddhisme (school van de oudsten), dat tegenwoordig vooral in Thailand, Myanmar (voorheen Birma), Sri Lanka, Cambodja, Laos en Vietnam verbreid is. Het zwaartepunt van het hinayana-boeddhisme ligt nu op Sri Lanka.

Mahayana-boeddhisme
In tegenstelling tot het monastieke hinayanaboeddhisme wil het mahayana-boeddhisme ('het grote voertuig'), dat in de 1e eeuw v.Chr. opkwam, niet slechts voor enkele uitverkorenen, maar voor zoveel mogelijk mensen een 'heilsvoertuig' zijn: voor nonnen, monniken én leken. In het mahayana-boeddhisme is Boeddha een bovennatuurlijk wezen, bij wie de gelovigen hun toevlucht zoeken om gered te worden. Ze zoeken heil en verlossing door genade en niet door de ascese van het kloosterleven.
Toch verlangt ook mahayana een levenswandel die rein in denken, spreken en handelen is. Men dient Boeddha liefdevol te vereren, hem na te volgen in zijn oneindige medelijden met alle schepselen en te mediteren over zijn volmaaktheid. Het ultieme streven van mahayana is niet een volmaakte, een boeddha, te worden, maar een bodhisattva - iemand die zijn eigen nirwana uitstelt totdat alle andere voelende wezens verlicht zijn. Daarom houdt het mahayana-boeddhisme zijn aanhangers het belang van zelfopoffering voor. Het kent nog andere goden tot wie gebeden wordt. Dit geloof breidde zich via China uit naar Korea en Japan, waar het zenboeddhisme opkwam.

–  Tantrisme

Ontstaan en ontwikkeling
Het tantrisme (Sanskriet 'tan' - 'uitbreiden', 'voortzetten', 'vermeerderen') is een wijsgerigreligieuze beweging, waarvan de wortels teruggaan tot het India van de 4e eeuw n. Chr. Vandaaruit verspreidde het zich over andere boeddhistische landen, vooral Tibet, maar ook Japan. De invloed van het tantrisme is vooral te bespeuren in de vajrayana van het rnahayana-boeddhisme. Voor het Tibetaanse boeddhisme betekende het tantrisme een heilzame vernieuwing.
Het tantrisme kwam vooral tot bloei in de grensstreek tussen het oude India en het huidige Afghanistan en het oostelijke deel van Bengalen. De oorsprong ervan is nooit bevredigend verklaard. Deze geloofsrichting vertoont overeenkomsten met het taoïsme, de gnosis, de alchemie en de Griekse mysteriecultus. Aanvankelijk was het vooral een heilsleer voor de lagere Indiase kasten, en er bestaan grote overeenkomsten tussen het hindoeïstische en het boeddhistische tantrisme. Centraal staat de cultus van de grote moeder die Prajnaparamita heet bij de boeddhisten.

Tantristische goden in India
Shiva en Shakti spelen een bijzondere rol. Shakti is de kracht die zich in alle werelden als dynamische energie presenteert. Zij is het scheppende ofwel het 'barende' principe. Dat geeft de vrouw in het tantrisme, heel anders dan in het brahmanisme, aanzien. Shiva, de man, staat voor het in zichzelf rustende, geestelijke element. Beide goden zijn in wezen één, maar lijken gescheiden. Doel van het tantrisme is om de oereenheid van Shiva en Shakti, van geest en wereld, te herstellen en alle tegenstellingen te overbruggen en op te heffen.

Praktijk van het tantrisme
In het tantristische boeddhisme vertegenwoordigt het vrouwelijke principe de transcendente wijsheid. Vrouwen kunnen net als mannen verlicht worden. Het grote aantal tantrarneesteressen uit Tibet vormt een prachtig voorbeeld van deze vrouwelijke spiritualiteit. De technieken van de boeddhistische tantra zijn vooral gericht op de rechtstreekse ervaring, waarin vaak ook het dagelijks leven betrokken wordt. In het Westen wordt het tantrisme vaak gereduceerd tot het omvormen van seksuele energie. Toch kent lang niet elke tantristische cultus (met name in het boeddhisme) een daadwerkelijke of ook maar geritualiseerde geslachtsdaad. Onder bepaalde voorwaarden zou met zo'n daad verlichting bereikt kunnen worden, waarbij een orgasme echter niet op de voorgrond staat. Het gaat meer om de energieën die door de geslachtsdaad vrijkomen. Wie die 'opwekt', is in staat dieper te mediteren over de idee van de leegheid ('sunyata'). Het wegvloeien van mannelijk zaad geldt daarbij als belemmering. Een precieze uiteenzetting van dit gedachtegoed en van de niet-ongevaarlijke omgang met lichaamsenergieën volgens de boeddhistische tantra is voorbehouden aan een meester.
Het tantrisme kent veel niveaus. Tantristische teksten bestrijken het brede gebied van krasse magie tot een hoogontwikkelde metafysica.

De vier klassen van de tantristische leer
De tantristische leer is ingedeeld naar de ontwikkelingsgang van de geloofsbeoefenaar.
1. Kriya-tantra is de tantra van de cultische handeling, met een prominente rol voor offer- en reinigingsceremoniën,
2. Carya-tantra leert dat alles wat zich in de werkelijkheid om ons heen afspeelt een innerlijke tegenhanger heeft in onze geest,
3. Yoga-tantra benadrukt meditatie en een spiritueel doorgronden van de wereld,

4.Anuttara (soms ook yoga-tantra genoemd) is de hoogste vorm van yoga.

 

–  Vajrayana-boeddhisme

Streven naar verlichting
Een vierde stroming in het boeddhisme is de vajrayana, het 'diamanten voertuig'. Deze stroming kwam in de 7e eeuw in India op. Verlichting betekent hier: de weg van de leegte afleggen, maar ook de weg van de liefde voor al wat leeft. Steun bieden daarbij de zes 'paramira's' ('het naar de overzijde gegane' of 'deugden'): geduld, meditatie, wijsheid, daadkracht, zedelijkheid en barmhartigheid. Met behulp van yoga- en tantratechnieken, mandala's en mantra's, het openen van chakra's en allerlei rituele haridelingen - al dan niet door een geestelijk leider (lama of goeroe) onderwezen - moet verlichting binnen bereik komen. In vajrayana is elk boven- en onderaards domein verbonden met een apart, stoffelijk of onstoffelijk, wezen: duivel, geest, dier, mens, halfgod en god. Godheden kunnen de mens toornig of zachtmoedig, behulpzaam of misleidend tegemoet treden.

–  Tibetaans boeddhisme

Ontstaan van het Tibetaans boeddhisme
Het Tibetaanse boeddhisme is een variant van het Chinese boeddhisme en heeft zich vanaf de 5e eeuw uit het vajrayana-boeddhisme ontwikkeld. Deze geloofsvorm is tegenwoordig hoofdzakelijk verbreid over gebieden waar Tibetaanse of Mongoolse volkeren wonen (Tibet, Nepal, Mongolië, maar ook het Indiase deel van de Himalaya). Aanvankelijk sloeg het boeddhisme vooral aan in adellijke kringen, maar na verloop van tijd liep ook het gewone volk er warm voor, waardoor het Tibetaanse boeddhisme versmolt met het plaatselijke geloof in geesten en demonen. De titel 'dalai lama' werd in 1578 voor het eerst door een Mongoolse vorst verleend.

Sekten in het Tibetaanse boeddhisme
Het Tibetaanse boeddhisme kent een aantal sekten: de rode sekte, de bloemensekte, de witte sekte en de gele sekte, zo genoemd naar de kleur van de kleding en hoofdbedekking van de geestelijken, en van de typische decoratie van de eigen religieuze gebouwen. De gele sekte werd begin 15e eeuw gesticht door Tsongkhapa (1357-1419). Onder zijn beide volgelingen, de derde dalai lama (die de titel echter nog niet droeg) en de eerste panchen lama, groeide de gele sekte uit tot omvangrijkste en overheersende sekte. In het dagelijks leven van de Tibetanen spelen de geloofsopvattingen van de sekte nog altijd een grote rol, ondanks het feit dat de Chinese communisten het boeddhisme in het land vervolgden en geloofsuitingen sterk bemoeilijkten; en dat de huidige dalai lama sinds 1959 als balling in India leeft.

De panchen lama
De panchen lama heet eigenlijk 'panchen rinpoche' ('groot geleerdenjuweel' in het Tibetaans). Hij is een invloedrijk spiritueel leider en daarmee een hoge autoriteit in het Tibetaanse boeddhisme. Hij speelt een rol bij de erkenning van de reïncarnatie van de dalai lama, tot wie hij in een leraar-leerlingverhouding staat. Een lama, zo wil de traditie, is een wezen dat wedergeboren wordt. De positie van panchen lama werd tijdens de Qing-dynastie (1644-1911) in Tibet ingevoerd, aanvankelijk als ambt waarvoor men zich door verdiensten kon kwalificeren. De panchen lama geldt als incarnatie van Boeddha Amitabha, de 'Boeddha van het onmetelijke licht'.

De dalai lama, een bodhisattva
Over de jeugd van de huidige dalai lama weten we het een en ander via de film Seven Years in Tibet, naar het boek van de Oostenrijker Heinrich Harrer (1912-2006). Hij verbleef ten tijde van de Tweede Wereldoorlog zeven jaar in Tibet, als een van de eerste Europeanen. Hij raakte bevriend met de toen nog erg jonge dalai lama. De religieuze leider van de Tibetanen is geen boeddha, maar de incarnatie van de bodhisattva Avalokiteshvara ('grenzeloos erbarmen' of 'de liefde aller boeddha's'). Diens streven is om zich alle lijden van de wereld aan te trekken. De dalai lama belichaamt deze bodhisattva (ook wel Chenresi genoemd) en is schutspatroon van Tibet. Chenresi zag af van zijn eigen verlossing en het nirwana en zal net zo lang wedergeboren worden totdat alle mensen verlost zijn.

 

–  Zenboeddhisme

Lao-tse en Tsjoeang-tse
"Met een fuik vang je vissen en als je de vis gevangen hebt, kun je de fuik vergeten. Met een strik vang je konijnen en als je een konijn gevangen hebt, kun je de strik vergeten. Met woorden vang je ideeën en als je die ideeën eenmaal begrepen hebt, kun je de woorden vergeten. Waar vind ik de mens die de woorden weet te vergeten, zodat ik een paar woorden met hem zou kunnen wisselen?". Tsjoeang-zen is een eeuwenoude techniek om de geest door gebaren, spreuken, vertellingen en onoplosbare raadsels van ingesleten denkpaden af te brengen. Doel is het om gedachteloos te worden, want denken volgt gewoonten en gewoonte doodt. De wortels van zen liggen met zekerheid in China (waar men van ch'an spreekt) en hebben alles te maken met het gedachtegoed van Lao-tse en de grote filosoof Tsjoeang-tse, auteur van een fundamenteel taoïstisch geschrift; zie het hoofdstuk over taoïsme. Twee varianten van zen bereikten Japan: ten eerste de leer van de tendai-rnonnik Eisai (1141-1215), een leer die bekend zou worden onder de naam rinzai zen, en ten tweede die van de priester Dogen Zenji (1200-1253), de grondlegger van soto zen. Soto zen ziet meditatie als belangrijkste onderdeel van de zenpraktijk. Rinzai zen stelt vooral de 'koans' in het middelpunt, de meditatie over raadselachtige teksten en paradoxale beweringen.

Een derde zenschool
Een andere zenmeester, Harada Sogaku (1871- 1961), streefde ernaar de meditatietechnieken van soto zen (het zittend mediteren, 'zazen') te verbinden met technieken uit rinzai zen die het 'breken van het verstand' als doel hebben. Hij ontwikkelde een nieuwe vorm van meditatie, waarin ook de inzichten van rinzai zen zijn opgenomen. "Ooit vroeg een monnik aan meester Dongshan: "Wat is Boeddha?" Dongshan antwoordde: "Drie pond hennep". Zen probeert doelgericht het verstand, het logisch denken, uit te schakelen om de mens ontvankelijk te maken voor de 'grote leegte'.

De leer van de plotselinge verlichting
Zen - of ch'an in het Chinees - gaat ervan uit dat iedereen een plotselinge verlichting kan ervaren. Daarvoor hoef je niet 49 dagen te vasten of aan zelfkastijding te doen. Verlichting kan iemand onvoorbereid treffen, bijvoorbeeld door het lezen van een tekst. Zen is in de loop der eeuwen voortgekomen uit de ontmoeting tussen boeddhisme en taoïsme. Daarbij raakte de wijsheid van Boeddha vermengd met de esprit van de Chinese meesters zoals Lao-tse of Tsjoeang-tse.
Hun scherpzinnigheid is daarin gelegen dat ze hun schijnbaar alledaagse vertellingen aan de man weten te brengen. "Ik wil eens heel gemoedelijk met je over deze dingen praten, dus luister maar ongedwongen naar wat ik te zeggen heb." Deze woorden legt Tsjoeang-tse een van zijn figuren in de mond. Sommige van die verhaaltjes hadden een clou waarvan de luisteraars in schaterlachen uitbarstten. Als men er echter nader op inging, bleek zo'n verhaaltje vaak een diepe strekking te hebben, vergelijkbaar met die van deze zenspreuk: "Eerst is er een berg. Dan is er geen berg. Dan is". Het verhaal drupt langzaam na in de geest van de toehoorder, tot die het begrijpt.

Kadampameditatie
Meditatie is bedoeld om de geest langdurig en grondig met een bepaald onderwerp vertrouwêl te maken. Boeddhistische meditatie beoogt innerlijke problemen, die voortkomen uit woede, afgunst, koppigheid en onwetendheid, te overwinnen. Zo controleert de mens zijn geest en bereikt hij innerlijke rust. Meditatie zet de mens ertoe aan ethisch te handelen, het goede te doen en het slechte te laten. Via meditatie, zo leert kadampa, klimt de mens op naar een steeds hoger spiritueel niveau. Aan het eind van die klim wacht het boeddhaschap.

Contemplatieve meditatie
Bij contemplatieve meditatie raakt de geest steeds meer vermengd met het object waarover men mediteert. Begint men bijvoorbeeld met een analytische meditatie over het lijden van alle levende wezens, dan zal in de geest een duidelijk medeleven ontstaan. Is dit eenmaal gebeurd, dan kan de contemplatieve meditatie de geest stap voor stap vertrouwder maken met medeleven, net zolang tot de menselijke geest en medeleven uiteindelijk een zijn geworden. Het doel van deze meditatietechniek is de menselijke geest in al zijn gedachten en voornemens voortdurend te verruimen door middel van een vergroot medeleven met mens, dier en plant.

 

–  Geloof en wereldbeeld in het boeddhisme

De vijf skandha's

De vier edele waarheden van Boeddha
Het hele bestaan wordt gekenmerkt door lijden en is dus onbevredigend. Alles komt neer op lijden, omdat de mens voortdurend op zoek is naar iets wat in de wereld van de zinnen en emoties niet te vinden is. Daarom is alles lijden: geboorte, ziekte, dood, de vijf groepen van ervaring - van 'hechting' aan de wereld - die de persoonlijkheid vormen.

De vijf skandha's - een boeddhistisch persoonlijkheidsmodel
Met de vijf skandha's (Tibetaans voor 'groep', 'verzameling') doelt men op de opeenhoping van ervaring in een vijftal aggregtatietoestanden, die met elkaar de persoonlijkheid uitmaken. Zodra iemand deze verschillende facetten bij zichzelf begint waar te nemen kan hij beginnen te werken aan het inzicht dat alle voorstellingen die de mens als persoon van zichzelf heeft, een illusie zijn. Het ik houdt geen stand. Omdat wij mensen (vooral de westerse mens) toch in een samenhangende persoonlijkheid geloven, leggen we ons vast op een bepaald zelfbeeld. Maar zodra we beseffen dat de idee van een unieke persoonlijkheid alleen maar een gewoontegetrouw gehanteerde versimpeling is, maken we ons los van die gewoonte en worden we in boeddhistische zin vrij.

1. De groep van lichamelijkheid (roepa)
Onder lichamelijkheid verstaan boeddhisten alle dingen die we met onze zintuigen waarnemen. Ze onderscheiden daarbij oorzakelijke lichamelijkheid (de vier elementen aarde, water, vuur, wind), veroorzaakte lichamelijkheid (de vijf zintuigen oog, oor, neus, tong, tastzin) inclusief de daartoe behorende vijf zintuiglijke objecten (geluiden, geuren, smaken, zichtbare en voelbare objecten) en een lichamelijkheid voor geestelijk bewustzijn.

2. De groep van gevoelens (veda na)
Het opvallendste kenmerk van gevoelens is de ervaring of de belevenis. Het boeddhisme onderscheidt drie soorten gevoelens: aangename, onaangename en neutrale. Ze kunnen betrekking hebben op het lichaam of op de geest. Geestelijke gevoelens dienen zich bijvoorbeeld tijdens de meditatie aan. Onverschrokkenheid, blijdschap en compassie worden opgevat als absolute gevoelens, omdat ze overeenkomen met de aard van de geest. Alle andere gevoelens zijn relatief, omdat ze het gevolg zijn van de wisselende omstandigheden.

3. De groep van waarnemingen (sana)
De waarneming is van het grootste belang voor de ontwikkeling van een wereldbeeld en zienswijzen. Er is een onderscheid tussen de naamloze waarneming (wanneer we niet in staat zijn het waargenomene te benoemen) en de noemende waarneming, die vooral van belang is voor het ethisch oordelen.

4. De groep van mentale factoren (sankhara)
Het gaat hier om zes verschillende geesteshoudingen, die ook nog verder onderverdeeld worden. Als geestesfactoren beschouwt men alle positieve, negatieve en daartussen wisselende geestestoestanden. Er zijn vijf 'alomtegenwoordige factoren', die kenmerkend zijn voor elke geestelijke ervaring (bijvoorbeeld intentie en contact). Vervolgens zijn er vijf 'specifieke factoren', die de geest op bepaalde objecten doet focussen (bijvoorbeeld streven, waardeoordeel of oplettendheid), elf 'positieve factoren', zoals vertrouwen, schaamtegevoel en eerbied. Daartegenover staan de zes voornaamste hindernissen, zoals onwetendheid, begeerte en haat, en twintig kleinere hindernissen, zoals vijandigheid en wrok. Verder onderscheidt men vier 'veranderlijke factoren', die zowel positief als negatief kunnen zijn, bijvoorbeeld slaap en spijt.

5. De groep van het bewustzijn (vinnana)
I.  Hier worden de concrete objecten van het bewustzijn (man, vrouw, huis) onderscheiden van de abstracte (ziel, liefde, haat). Daarbij is het telkens één bewustzijn dat alle objecten waarneemt, ze definieert en als ding. of niet ding herkent.
II.  Oorzaak van het lijden is de begeerte. De mens verlangt naar zinnelijk genot, naar worden en vergaan. Deze begeerte bindt de wezens aan de kringloop van het bestaan (samsara), het wiel van leven en sterven.
III.  Zonder begeerte is er geen lijden meer. Einde van de wereld.
IV.  Het middel daartoe is het achtvoudige pad.

De cyclus van wedergeboorten
Centrale begrippen van het boeddhisme zijn 'samsara', 'karma', 'maya' en 'dharma'. Samsara is de eeuwige cyclus van het leven. Door dood en wedergeboorte (ver)wisselen de wezens van deze wereld onderling van gestalte. Ondanks het vele sterven kent het boeddhisme geen dood: dood is eerder een verandering van het bestaande, omdat met elke dood het leven weer een nieuwe gestalte aanneemt. Karma hoort bij de loop van het leven: wat in dit leven ongedaan blijft, dwingt tot wedergeboorte. Goede daden verhogen de kans op een geboorte in een leven dat beter is dan het huidige. Alleen wie verlossing bereikt, ontsnapt aan samsara en wordt niet opnieuw geboren. Een verloste raakt in een toestand van gewicht-. loosheid, in een oord van de grootst mogelijke helderheid en roerloze stilte, in het nirwana. Nirwana is een bestendig, gelukzalig uitdoven. Maya daarentegen is de schijnbare bestendigheid van de wereld. Maya is zinsbegoocheling, een sluier, die het ware van het onwerkelijke scheidt. Taak van de mens is het om deze sluier te verscheuren en het illusoire karakter van de wereld te herkennen. Boeddha sprak bewust niet van een god. In plaats daarvan stelde hij dharma, de universele en absolute wetmatigheid. Wie zijn karma met dharma in overeenstemming brengt, bereikt het nirwana.

 

–  Geloof en wereldbeeld in het boeddhisme

Heilige geschriften van het boeddhisme
De soetra's

Aangenomen wordt dat in de 1e eeuw v.Chr. in het Pali een canon van geschriften werd samengesteld die door het theravada-boeddhisme (de 'oude school van het zuiden') als heilig wordt beschouwd. Deze Pali-canon, ook bekend als Tripitaka, dat zoveel betekent als 'drie manden', omvat drie geschriften. Het eerste is een bundeling van de leerstellingen van Boeddha, de zogenaamde soetra's (soetra = 'draad', omdat de speciale vorm van de teksten het onthouden moet vergemakkelijken). Een van de bekendste is de lotussoetra, die tot de belangrijkste geschriften van het mahayana-boeddhisme behoort. Deze soetra gaat via mondelinge overlevering terug op een 2000 jaar oude Indiase tekst. Hij houdt ons voor alle mensen, ongeacht hun sociale status, hulp te bieden. Innerlijke vrijheid en een rotsvast geloof in de verlossende kracht van Boeddha spreken uit deze tekst, die uit 28 hoofdstukken bestaat. Boeddha wordt in deze soetra voorgesteld als belichaming van de kosmische orde, de eeuwige dharma. Zijn aanwezigheid op aarde dient ertoe het lijden van alle schepselen te verlichten.

De bloemrijke jataka's

De tweede 'mand' van de Tripitaka bestaat uit de vinaya's, Boeddha's kloosterregels. De derde 'mand' bevat de abhidharma's, beschouwingen, opstellen over boeddhistische leerstellingen en voorschriften, die gezamenlijk als de zuivere leer beschouwd worden. Later werden ook geschriften van hoge Japanse en Chinese geestelijken in de boeddhistische canon opgenomen. Verder zijn veel teksten in het Sanskriet en de sastra's (commentaren en verhandelingen van uiteenlopende auteurs) en de jataka's opgenomen. Jataka's, 'geboorteverhalen', gaan over eerdere incarnaties van Boeddha en geven een naar fantastie neigende beschrijving van zijn historische leven.

De stoepa

Boeddha, de Verlichte, werd na zijn dood verbrand. Zijn as werd onder verschillende vorsten verdeeld, die voor deze relikwieën een grafkoepel oftewel stoepa bouwden. Dergelijke koepelvormige grafmonumenten zijn vooral in India en andere Zuid-Aziatische landen aan te treffen. Ze vormen een aandenken aan de Verlichte en zijn tegelijk een plaats van samenkomst voor de gelovigen. Het boeddhistische heiligdom is meestal versierd met handschriften van heilige teksten en afbeeldingen uit het leven van Boeddha. De eigenlijke relikwie wordt in een halvebolvormige ruimte bewaard. De gelovigen lopen rond de stoepa, altijd linksom. Het grootste bouwwerk van dit type is de Boroboedoer in Indonesië, hoewel de bevolking van dat land tegenwoordig in meerderheid islamitisch is. In Korea, China, Thailand, Sri Lanka, Myanmar en Japan bouwt men pagodes in plaats van stoepa's. Ze hebben voor elke verdieping een karakteristiek, schermvormig dak, altijd een oneven aantal. De verdiepingen symboliseren de verschillende stappen op weg naar volmaaktheid, die met een bolvormig ornament op de top van de pagode wordt weergegeven.

Dood, hiernamaals en wedergeboorte
 
Boeddha's alternatief voor de hindoeïstische opvatting van de dood.
In India had (en heeft) men gedetailleerde voorstellingen over wat er op het tijdstip van overlijden gebeurt. In zijn stervensuur zou de mens moeten proberen te mediteren om zich volledig op de god Visjnoe te kunnen concentreren. In diepe concentratie zou dan een versmelting met de god optreden. "Op deze manier zult u ingaan tot de Heer, tot Hem die licht geeft en de Allerhoogste is". Er bleef tot het allerlaatst dus zoiets als een persoonlijke ziel, die dan met de god Visjnoe versmolt. Waarschijnlijk heeft ook de historische Boeddha deze religieuze idee gekend. Hij leerde oorspronkelijk dat de bevrijding uit de cyclus van wedergeboorten zich voltrekt door een eigenhandige verlossing en intrede in het nirwana. De omschrijving van wat degene wacht die rijp genoeg was om dit te bewerkstelligen en de kwalificatie 'boeddha', verlichte, verdient, is aanvankelijk erg abstract. "Na het loslaten van het geluk, het loslaten van het leed en de al eerder voorgevallen ondergang van behagen en onbehagen bereikt de monnik de vierde trap van meditatie, de leed- en gelukloze, absolute reinheid van kalmte en oplettendheid, en volhardt daarin". Maar anders dan in het hindoeïsme overleeft de ziel, oftewel het persoonlijke ik, de dood niet. Wat wij in het Westen als ziel, persoonlijkheid of ik aanduiden, is in het oorspronkelijke boeddhisme niet bestendig. Met deze opvatting wekte Boeddha al tijdens zijn leven de ergernis van mensen. Hoe kan een ziel nu herboren worden als zij de dood niet overleeft? Boeddha's antwoord is ontnuchterend: er is geen zielsverhuizing. In plaats daarvan conditioneert het voorgaande bestaan het navolgende en geeft het een onpersoonlijke impuls, die het 'wiel' van samsara gaande houdt.

De geheime wetenschap van het Tibetaanse dodenboek

In het boeddisme bestaat het wiel van wedergeboorten naast het wiel des levens. Doel van het geloof is om de kringloop van worden en vergaan te doorbreken. Een van de bekendste verzamelingen tantristische teksten, de Bardo Thödol, beter bekend als het Tibetaanse dodenboek, bevat gedetailleerde beschrijvingen van de gewaarwordingen die de ziel bij het sterven, na de dood en bij de wedergeboorte heeft.

Maar waar komt de kennis van deze toestand na de dood vandaan? De Tibetanen zijn ervan overtuigd dat enkelingen erin geslaagd zijn zich de gebeurtenissen na de dood te herinneren. Dergelijke herinneringen zouden de grondslag van het Tibetaanse dodenboek vormen. Centraal thema van de Bardo Thödol is de menselijke angst voor de dood (het sterven) en het menselijk onvermogen om de projecties van zijn onderbewuste te nemen voor wat ze zijn: voorafschaduwingen van de toestand na het sterven. Het Tibetaanse dodenboek is bedoeld als begeleider van de overledene, van het moment van sterven tot zijn wedergeboorte.

De tijd tussen de levens

De tijdspanne tussen dood en wedergeboorte bedraagt volgens het Tibetaase boeddhisme 49 dagen, waarin een lama of goede vriend de dode in het oor fluistert: "O hooggeborene, nu is de tijd gekomen om je pad naar de werkelijkheid te zoeken. Eerder heeft je goeroe je van aangezicht tot aangezicht in het heldere licht gebracht en nu maak je je op om de werkelijkheid ervan in bardo-toestand te ervaren, waarin alle dingen als een lege, wolkeloze hemel zijn ... ".

Het Tibetaanse boeddhisme negeert Boeddha's opvatting volgens welke de ziel samen met de mens sterft. De hoogste Tibetaans boeddhistische instantie, de dalai lama, is zelf de belichaming van de ziel van zijn voorganger. Zijn opvolger wordt gevonden door een zuigeling of peuter voorwerpen te tonen die van de dalai lama waren, samen met voorwerpen van andere herkomst. Het Tibetaanse geloof gaat ervan uit dat de zuigeling zich zijn vroegere leven herinnert en dus de voorwerpen kan herkennen die hij ooit bezat. Grijpt het kind naar een van die voorwerpen als je ze hem voorhoudt, dan is dat een belangrijke indicatie voor de priesters die op zoek zijn naar een nieuwe belichaming van de dalai lama.

GeplaatstBeloning voor goede daden

Als een mens in zijn leven veel goede werken heeft verricht, is hij enigszins toegerust voor het moment van de dood, maar slechte daden doen een mens belanden in de hel van onwetendheid. Precies op dit punt probeert de lama aan het doodsbed tegenwicht te bieden. De dode roept, maar kan zijn familie niet bereiken. Geergerd stelt hij vast dat hij een tweede; fijn-stoffelijk lichaam bezit, dat alleen hijzelf kan waarnemen en dat hem scheidt van de wereld zoals hij die kende. Vertwijfeling komt in hem op en de lama probeert hem gerust te stellen: "Het lichaam dat je nu hebt, wordt gedachtelichaam van de gevoelens genoemd. Niets van de dingen die je nu schijnbaar bedreigen, kan je kwaad doen . .f_e kunt niet sterven. Het volstaat te beseffen dat alles wat je ziet je eigen gedachtevormen zijn. Leer jezelf zien als een bardo" (8). Maar deze woorden brengen geen troost en de dode gaat steeds meer twijfelen. Vreedzame maar ook toornige goden verschijnen voor zijn geestesoog. Ze beginnen hem te kwellen, zodat hij - vergeefse - pogingen onderneemt te vluchten. Op de vraag van de dodengod of hij een goed dan wel slecht mens geweest is, antwoordt hij met een leugen, waarop de "furiën van de dodengod hem het hoofd afhakken, het hart uitrukken, zijn ingewanden en zijn hersenen opslobberen en zijn bloed drinken" (8).

Neutraal karma en loka

Er zijn echter ook mensen met een neutraal karma, in wie goede en slechte daden elkaar in evenwicht houden en die daardoor de bardotoestand als kleurloos ervaren. Bij alle doden neemt het zielslichaam aan het eind van de bardo-toestand echter de kleur aan van de 'loka' (sfeer) waarin het wedergeboren zal worden. Daarbij ligt het niet in de macht van de ziel om te bepalen of hij als mens of als dier terugkeert. Daarover beslist uitsluitend zijn karma.
Boeddhistische uitvaartrituelen

De doden worden verbrand, omdat het lichaam volledig vernietigd moet worden. De as wordt in een rivier of in zee gestrooid, maar men kan hem ook bewaren, zoals gebeurde bij Siddharta Gautama, Boeddha.

De uitvaart is in China, Korea en Japan een van de belangrijkste ceremoniën van het boeddhisme. Na verbranding van de dode brengt men zijn as over naar het familiegraf. Er worden soetra's gebeden en soms duurt de rouwplechtigheid dagenlang.
In het boeddhisme bereidt men zich zijn hele leven voor op de dood - op het sterven en de toestand daarna. Het hangt van ons gedrag na de dood af hoe we wedergeboren worden. In het Tibetaanse dodenboek wordt het gedrag van de overledene beschreven. Tegelijk beschrijft het boek de verschillende stadia van het hiernamaals, zoals die zich al naargelang hun karma aan de doden voordoen. Als de dode de demonen en engelen die hem bedreigen of juist vrolijk stemmen, leert zien als voortbrengselen van zijn eigen bewustzijn kan hij zelfs verlost worden.

 

Leven volgens het boeddhistische geloof

De religieuze praktijk in een Tibetaans klooster

Kloosterleven

Boeddha zelf raadde zijn aanhangers aan 'thuisloos' te zijn en als bedelmonnik rond te trekken. Na zijn dood werden er echter al snel kloosterorden gesticht. In Tibet is de geloegpaorde, waartoe ook de dalai lama behoort, de belangrijkste. De dagindeling in een klooster van deze orde kan als voorbeeld gelden voor alle Tibetaanse kloosters. Er zijn dagelijks herhaalde cultushandelingen, waarvoor de monniken bijeenkomen in de grote gemeenschappelijke zaal. In de ochtendschemering worden heilige teksten gereciteerd, wat vergezeld gaat van rituele handelingen. Daarna volgt een meditatie over een van de mandala's die een goddelijk wezen vertegenwoordigen. Daarbij visualiseert de monnik deze godheid en versmelt ermee in zijn geest teneinde de ware werkelijkheid achter de sluier van maya te kunnen aanschouwen.

Schriftuitleg

Vaak kiest de abt ('mKhan-po' in het Tibetaans) op de daaropvolgende bijeenkomst een tekst, die hij na de lezing ook toelicht. In het begin van zijn uitleg houdt hij speciaal rekening met onervaren monniken. Gemeenschappelijke  maaltijden, zelfstandig lezen en leren in de cellen maken eveneens deel uit van het dagelijkse programma. 's Avonds volgen gebeden waarin verschillende goden om bescherming wordt gevraagd of de gestorvenen geëerd worden. De geloegpa-orde hecht niet zozeer aan de liturgie als wel aan een intensieve bestudering van de heilige geschriften. Daarnaast houdt men zich bezig met astrologie en astronomie, geneeskunst en kalligrafie. De geloegpa-orde stelt geleerdheid ook boven meditatie en analyseert de canon zeer grondig.

De dharma's

Het boeddhisme leert dat er noch materie noch een ziel is die na de dood voortbestaat en de persoonlijkheid, het individuele ik, voor eeuwig bewaart. Evenmin worden de levende wezens door een scheppergod of een onpersoonlijke, universele oerkracht in het leven geroepen. Ze ontstaan uitsluitend door de dharma's, de drijvende krachten die al het aardse doen ontstaan en nauwelijks nader te omschrijven zijn. Voor een goed begrip van hun invloed zij wel gezegd dat ze ook in het individu werkzaam zijn. Daar produceren ze in een patroon van goede en slechte daden karma, dat na de dood de basis van een nieuw leven vormt. Zolang de mens niet inziet _dat alles vergankelijk en leeg is en lijden veroorzaakt, blijft deze kringloop van worden en vergaan bestaan. Het achtvoudige pad dat de oorzaken van het lijden wegneemt, verschaft dit inzicht. Begeerte, haat en verblindheid moeten overwonnen worden. Eerst achtte Boeddha verlossing alleen weggelegd voor rondtrekkende monniken die zich afkeren van de wereld. Later was zij ook voorbehouden aan kloosterlingen.

Geplaatst– BOEDDHISME,  oorsprong, geschiedenis en de praktijk  (8)     SLOT

 

Sunyata - de leegte

Het begrip 'leegte' staat centraal in het boeddhisme. Tussen worden en zijn is sprake van een afhankelijkheidsrelatie, omdat beide voortbrengselen van schijn zijn en werkelijkheid ontberen. Dat laat onverlet dat wij mensen er dagelijks tot ons verdriet of onze vreugde mee in aanraking komen. Het ware wezen achter de dingen, achter alle manifestaties van de wereld is echter sunyata. Ten aanzien van de kenmerken van sunyata zijn er diverse denkrichtingen ontstaan. Het Tibetaanse boeddhisme gaat uit van de volgende veronderstelling: iedere nietboeddhistische mens beschouwt de wereld met alles wat daarin is als werkelijk. Zo'n mens begrijpt niet dat slechts karma de wereld heeft voortgebracht. Daar staat als hoogste waarheid sunyata tegenover. Deze waarheid is niet onder woorden te brengen; zij laat zich slechts ervaren. Wie daarin slaagt, ziet meteen in dat het universum en het ik niet bestaan.

Geen ik, geen wereld - maar bewustzijn! Monniken gebruiken verschillende technieken om de afhankelijkheidsrelaties te herkennen waaruit een fenomeen voortkomt. Tegelijk oefenen ze hun verstand om de tegenstrijdigheid te herkennen die inherent is aan alle argumenten
en verklaringen: niets staat onomstotelijk vast. Het tegendeel van wat vast heet te staan, is altijd mogelijk. Alleen het bewustzijn is werkelijk. Het ik, de persoonlijkheid, de dingen om ons heen - het zijn allemaal voortbrengselen van dit bewustzijn. Het ik hunkert naar leven en zaken als succes, rijkdom en gezondheid. Het boeddhisme voert psychische ervaringen vaak aan als voorbeeld: het ik doorleeft die, maar toch doen ervaringen niets anders dan hun eigen werkelijkheid voortoveren. Verliefdheid demonstreert misschien het duidelijkst dat onze geest zich niet veel gelegen laat liggen aan het werkelijkheidskarakter van het uiterlijke object. Totdat we uit onze verliefdheid 'ontwaken' en inzien hoe we ons aangesteld hebben. Zo gaat het met alle dingen, stelt Boeddha.

De gevaren van het chöd-ritueel

Van de kloosters in Tibet kennen we het chödritueel, dat in de plaatselijke magische literatuur beschreven staat en door de Engelse Alexandra David-Neel (1868-1969) aan het begin van de 20e eeuw ter plaatse gepraktiseerd werd. Deze onverschrokken onderzoekster heeft zich vooral tijdens haar veertienjarige verblijf in Tibet intensief met occultisme beziggehouden. 'Chöd' betekent dat men zich voor eens en voor altijd 'lossnijdt' van alle bedrieglijke voorstellingen van het eigen ik. Daarnaast dient het om onverschrokkenheid aan te wakkeren en medelijden te wekken met alle levende wezens, zelfs demonen. Die worden opgeroepen door een yogi,

die zich voor de geest haalt hoe zijn eigen lichaam aan stukken gesneden en aan de demonen ten offer gegeven wordt. Daarbij stelt hij zich het lichaam voor als dik en lelijk, als een haak waaraan alle begeerten opgehangen zijn. Vervolgens visualiseert hij een bepaalde godin van de wijsheid, die het lichaam onthoofdt en de rest van het lichaam in stukken hakt.

Allerdiepste meditatie

Het chöd-ritueel voltrekt zich in een diepe meditatieve concentratie. In het verdere verloop van de visualisering belanden de lichaamsdelen in de eigen schedelpan, die geopend als een kookpan op een vuur staat. Het onvoorstelbare astrale licht dat van dit offer uitgaat, lokt allerlei geesten en demonen. Het chöd-ritueel vergt

een uiterste aan zelfbeheersing en wordt meestal op begraafplaatsen voltrokken. Het geldt als een riskante vorm van magie, waarbij· fouten psychische stoornissen kunnen veroorzaken.
 
Vrijwillig het klooster in

In sommige boeddhistische landen bestaat tegenwoordig de mogelijkheid een poosje het klooster in te gaan. Zo'n stap is maar in beperkte zin te vergelijken met wat iemand in een christelijk klooster in het Westen te wachten staat. In Myanmar bijvoorbeeld verruilen jongens van tien tot veertien jaar hun jeans en sweatshirts voor de rode monnikspij, laten hun hoofdhaar afscheren en brengen dan geruime tijd zonder ouderlijk toezicht door in een klooster. Ze 'hoeven zich daar niet aan de orderegels te houden en kunnen de gemeenschap van monniken op elk gewenst moment weer verlaten.

Voor de kinderen is dit een ervaring voor hun latere leven: ze leren de eenvoud van het kloosterleven kennen en het zoeken naar een waarheid die de maatschappelijke orde overstijgt. Veel volwassenen brengen in de loop van hun leven telkens een paar weken in een klooster door. Meditatie, gezang en afzondering in een omgeving die de confrontatie met het eigen ik stimuleert, zijn enkele redenen om dat te doen. De mensen proberen op deze manier een evenwicht te vinden tussen dagelijks leven en spirituele ervaring. Tegelijk verdiepen zij hun kennis van de wijsgerige kant van het boeddhisme.

GeplaatstModern nonnenleven naar het

Sri Lankaanse theravada-boeddhisme

Ongeveer duizend jaar geleden maakten Tamilveroveraars uit India in Sri Lanka een einde aan de door Boeddha gecreëerde mogelijkheid om nonnen in een kloosterorde op te nemen. Omdat Boeddha leerde dat er niets is wat voor alle eeuwigheid bestaat, proberen veel boeddhistische vrouwen (vaak met steun van monniken) al tientallen jaren verspreid over Azië de volledige wijding van nonnen opnieuw in te voeren. In Sri Lanka lijken ze daarin te zijn geslaagd, uitgerekend in een land dat bekendstaat om zijn behoudende dharmatraditie! Sinds maart 1999, toen twintig nonnen de volledige wijding ('oepasampada') ontvingen, nadat ze in de beroemde Ra]a Maha Vihara ten overstaan van hoge geestelijken de tien geloften hadden afgelegd, bestaat voor vrouwen over de hele wereld weer de mogelijkheid als non binnen het theravada-boeddhisme te leven en te werken.

De Raja Maha Vihara staat in de omgeving van de hoofdstad Colombo en is de heiligste boeddhistische tempel van Sri Lanka. De overlevering wil dat Boeddha hier op bezoek is geweest.

Een taboe doorbroken

Na deze wijding is de weg vrij voor de stichting van nieuwe nonnenorden. Amarapura, een van de grootste kloosterscholen in Sri Lanka, steunt de wijding van vrouwen. Ook de bevolking aanvaardt deze nieuw-oude weg, al was het maar omdat de nonnen allang een zeer goede reputatie hebben. De populaire omroepster en universitair docente Bhikkhuni Kusuma was drie jaar eerder al de eerste boeddhistische non van Sri Lanka geworden. Het nieuws van haar wijding bracht het land in 1996 in rep en roer. Het taboe was echter voorgoed doorbroken.

 

 

 

JODENDOM

 

Oorsprong, geschiedenis en de praktijk


Het oudste monotheïstische geloof ter wereld

Het joodse geloof
De oudste monotheïstische religie ter wereld is meer dan drieduizend jaar oud. De God van de Tenach, de Hebreeuwse Bijbel, duldt geen andere goden naast zich en heeft met zijn volk, de Israëlieten, voor eeuwig een verbond gesloten. Op twee stenen tafelen gaf hij hun zijn tien geboden, die in het joodse geloof een absolute geldigheid bezitten. Alle overige geboden, verplichtingen en rituelen zijn vastgelegd in de Thora en een reeks overgeleverde verhalen.
In het jodendom wordt niet geloofd in een hiernamaals. In plaats daarvan is het doortrokken van de hoop dat er ooit een Messias verschijnt die alle mensen van de wereld zal veranderen in Gods heilige volk. De bozen zullen daarbij gedood worden. Israël zelf is het uitverkoren volk, dat uiteindelijk alle andere volkeren oproept zich bij zijn geloof aan te sluiten. Voordat dit godsrijk is aangebroken, proberen gelovige joden hun leven volgens de geboden in te richten en het te heiligen.

De aartsvader
Het Israëlitische volk en zijn geloof vinden hun oorsprong bij Abraham. Hij geldt als grondlegger van het geloof en voorvader van alle Israëlitische stammen en wordt, net als zijn zoon Izaäk en zijn kleinzoon Jakob, wel aartsvader genoemd. Ook de islam vereert Abraham (in dat geloof heet hij Ibrahim), omdat hij samen met zijn zoon Ismaël de monotheïstische cultus rond de Kaäba zou hebben ingevoerd.
In de Bijbel staat het levensverhaal van Abraham te lezen; hoe hij aan het begin van het tweede voorchristelijke millennium zijn geboortestad Ur in Chaldea (in het tegenwoordige Irak) verliet en door de Arabische woestijn naar het 'beloofde land' Kanaän trok. Hij had de veelgoderij van zijn stam afgezworen en geloofde in één enkele, ware god, schepper van de wereld, die hij alleen in dit beloofde land Kanaän zou kunnen vinden.

Abraham, Izaäk, Jakob en Jozef
Abraham trok, zo wil de Tenach, als nomade met zijn stam en kuddes door Kanaän, voortdurend op zoek naar vruchtbare weidegronden. God had deze man beloofd dat hij hem tot vader van een talrijk nageslacht en een groot volk zou maken, maar pas op hoge leeftijd schonk zijn vrouw Sara hem een zoon, die hij Izaäk noemde. Bij zijn dienstmaagd Hagar verwekte hij een andere zoon, Ismaël. Ismaël en zijn moeder werden de woestijn in gejaagd, maar Izaäk werd van bijzondere betekenis voor het joodse geloof. Toen God namelijk van Abraham verlangde om hem zijn - inmiddels enige - zoon Izaäk ten offer te brengen aarzelde Abraham geen moment. Maar de bloedige daad hoefde niet te worden uitgevoerd, omdat God volgens de Bijbel alleen een bewijs van Abrahams gehoorzaamheid wilde hebben. In plaats van het kind offerde Abraham uiteindelijk een ram.
Na de dood van zijn vrouw kocht hij de spelonk van Machpela, die aan zijn grond in het huidige Hebron grensde. Daar begroef hij Sara en hier vonden ook hij en zijn zoon Izaäk hun laatste rustplaats. Sindsdien geldt de spelonk als joods heiligdom, al staat er boven op de rots een moskee.


De uittocht uit Egypte
Terug naar het beloofde land

De lijdenstijd van het Israëlitische volk, zoals beschreven is in het Bijbelboek Exodus, begon vermoedelijk onder de grote farao Ramses II (1279-1213 v.Chr.). Hij was de derde koning van de 19e dynastie. Onder zijn heerschappij werden de Israëlieten volgens de Bijbel tot slavenarbeid gedwongen. Mozes voerde hen terug naar het beloofde land van hun voorouders, Kanaän. In hem zagen ze de dienaar Gods, hun redder. De Bijbel beschrijft hun avontuurlijke uittocht uit Egypte. Wonderen als de scheiding van het water bij hun doortocht van de Rietzee, waarbij zij droge voeten houden, maar de soldaten van de farao door de plotselinge instorting van de waterwanden omkomen, tonen de Israëlieten dat God met hen is en hen beschermt.
De vraag of de schepper van hemel en aarde voor dit wonder natuurwetten buiten werking stelde of dat de Bijbelbeschrijving niet letterlijk opgevat moet worden, heeft tot in de 20e eeuw aanleiding gegeven tot allerlei nieuwe theorieën en verklaringen.

Wie was Mozes?
Mozes moet de man geweest zijn die het volk Israël bevrijdde uit de Egyptische slavernij en een verbond met God sloot. Door zijn toedoen ontvingen de Israëlieten de tien geboden. De eerste vijf boeken van de Bijbel worden met een verwijzing naar hem ook wel 'mozaïsch' genoemd. Maar heeft deze beroemde godsdienststichter wel echt geleefd? Tot op heden  zoeken archeologen en Bijbelgeleerden naar sporen van zijn bestaan. Een van de sporen leidt naar Egypte. Heeft een farao de Israëlieten ooit werkelijk tot slaven gemaakt? Volgens een aantal onderzoekers uit de moderne tijd, onder wie de Israëlische archeoloog Israel Finkelstein (geb. 1949) gaat achter de Bijbelse vertelling een Klein-Aziatisch volk schuil dat rond 1700 v.Chr. de Nijldelta bewoonde, de Hyksos Cheersers uit den vreemde'). Enige tijd, tijdens de 15e en 16e dynastie, hadden zij zelfs de macht in Egypte in handen, tot ze uiteindelijk door de farao's overwonnen werden.

Veertig jaar door de woestijn
Voordat de joden in het beloofde land aankwamen, gaf God hun door tussenkomst van Mozes op de berg Sinaï de tien geboden, ten teken van het verbond tussen hem en zijn uitverkoren volk. Het tweede gebod maakt Gods aanspraak op het volk Israël duidelijk: ["Gij zult geen andere goden naast mij dienen."]
In Kanaän kwam het evenwel tot bloedige twisten met de daar levende volken - vooral met de Filistijnen, die zich in een vijfstedenbond aaneengesloten hadden (een van die steden was Gaza). De Grieken noemden het land naar hen en later spraken de Romeinen van 'Filistaea' of 'Palaestina Tertia'. De Filistijnen beschikten over ijzeren wapens en brachten de Israëlitische stammen een reeks vernietigende nederlagen toe. Pas koning David was in staat het Filistijnse gevaar te beheersen.


David en Salomo

Koning David - 'de geliefde'
Koning David (Hebreeuws voor 'de geliefde', 1004-965 v.Chr.) was de eerste Israëlitische heerser die het land wist te verenigen en zijn grondgebied wist uit te breiden. We kennen hem als bedwinger van Goliath, de Filistijn die vanwege zijn lichaamsgrootte 'de reus' werd genoemd en die hij met een steen uit zijn slinger overwon. Volgens de overlevering was David herder, harpspeler en wapendrager van koning Saul en was hij lid van de stam Juda. Door zijn huwelijk met Sauls dochter Micha! werd hij in de politieke elite opgenomen. Hoewel er af en toe sprake was van rivaliteit tussen hem en Saul, bleef David hem lange tijd trouw. Pas op dertigjarige leeftijd werd David koning van heel Israël.

Davids historische belang
David zag het vooral als zijn taak het rijk uit te breiden. Door overwinningen op naburige volken zoals de Moabieten, Ammonieten en Eclomieten breidde hij zijn machtsgebied uit en bracht hij zijn land ook economisch tot aanzien. Historici beschrijven David ook als wreed heerser, die zijn gevangenen niet spaarde. Na zijn overwinning op de Moabieten dwong hij de gevangenen "op de grond te gaan liggen en mat de rij af met een touw: twee derde van de rij moest worden gedood en een derde mocht in leven blijven" (2 Samuel 8:2).
Jeruzalem werd de nieuwe hoofdstad. Met de ark des verbonds op de berg Zion groeide de stad ook uit tot religieus middelpunt van het rijk. David stichtte een dynastie die een paar eeuwen lang aan de macht zou blijven. Zijn muzikale begaafdheid kwam tot uitdrukking in de vele psalmen die hij schreef en waarin hij uiting gaf aan zijn liefde voor God.
Uit het huis van David zal volgens de joelen ooit de Messias opstaan, met wiens komst het godsrijk zich definitief op aarde zal vestigen.

Salomo's wijsheid en de koningin van Scheba
Salomo schijnt vredelievend en wijs geweest te zijn en de Bijbel geeft een mooi voorbeeld van zijn wijsheid: twee vrouwen komen bij hem. leder van hen had een kind gekregen, maar daarvan had er maar één het overleefd en nu beweerden de vrouwen alle twee de moeder van het nog levende kind te zijn. Salomo beval het kind in tweeën te hakken en beide vrouwen een helft te geven. Daarop deed een van de vrouwen gelijk afstand van het kind om het te sparen. Zo herkende Salomo de ware moeder en kende hij haar het kind toe. De Bijbel vertelt ook hoe de koningin van Scheba naar het hof van Salomo kwam, om hem met raadsels op de proef te stellen. Salomo kon alle raadsels oplossen die deze geheimzinnige, waarschijnlijk uit Ethiopië afkomstige vrouw hem voorlegde. In het Bijbelboek Spreuken zegt Salomo over de wijsheid: "Van eeuwigheid aan ben ik geformeerd, van den beginne, eer de aarde bestond" (Spreuken 8:23) en laat daarmee de wijsheid zichzelf schetsen als voorafgaand aan de gehele schepping.
Mystici vereren Salomo en de koningin van Scheba als een paar waarin de wijsheid van man en vrouw versmelten en een hoger niveau bereiken. In die zin dient ook Salomo's Hooglied op de liefde te worden begrepen - een erotische.

Tempelbouw en de dood van Salomo
Koning Salomo gaf veel bouwopdrachten. De eerste tempel van Jeruzalem verrees medio lüe eeuw v. Chr. De bouw ervan is mysterieus. In de tempel werden uitsluitend offerdiensten gehouden. Alleen de hogepriester mocht een keer per jaar het heilige der heiligen betreden. Na Salomo's dood kwam zijn zoon Rechabeam op de troon. Hij zag geen kans de succesvolle politiek van zijn vader voort te zetten, waardoor het twaalf-stammenrijk uiteenviel.

 

De heilige geschriften

Wachten op de Messias
Tot de heilsverwachting van de joden behoort al duizenden jaren de komst van de Messias. Lange tijd was omstreden of de Messias (Hebreeuws voor 'de gezalfde') een mens dan wel een door God gezonden gestalte zoals een engel was. God had koning David ooit beloofd dat de Messias uit diens geslacht afkomstig zou zijn. De tijd die dan aanbreekt, is de messiaanse tijd waarin honger en oorlog niet meer voorkomen en vrede en gerechtigheid heersen - het godsrijk op aarde is dan een feit. Vanaf dat moment is ook de aardse wereld een goddelijke wereld.

De Tenach
De Tenach is de Hebreeuwse Bijbel en bestaat uit 39 boeken, die in drie groepen onderverdeeld worden: de Thora (de vijf mozaïsche boeken), de Nebiim (de boeken der profeten) en de Chetoebim (merendeels leerboeken en kronieken).
Slechts kleine delen uit de Nebiim en Chetoebim worden regelmatig in de synagogen gelezen, vooral op feestdagen en bij bijzondere gelegenheden en dan in aansluiting op de reguliere lezing uit de Thora. De boeken van de Tenach ontstonden tussen 950 en 550 v.Chr. en zijn zo divers dat er ook verschillende opvattingen over de Thora in voorkomen.

De Thora
Tijdens de eredienst in de synagoge leest men uit de Thora (Hebreeuws voor 'leer', 'onderricht'). De Thora geeft regels voor de betrekkingen tussen de mensen onderling en is daarmee de voornaamste bron van joods recht en joodse ethiek. Daarnaast regelt het boek de betrekkingen tussen mens en God, waarmee het richtsnoer voor leven en denken van belijdende joelen is. In de loop van het jaar worden er op alle sabbatten en feestdagen, maandagen en donderdagen passages uit voorgelezen in de synagoge. Een voorlezer reciteert de teksten voor de gemeente. Hij doet dat van een handgeschreven perkamentrol die om twee staven gewikkeld is. Als de rollen uit de thoraschrijn genomen worden én als ze erin worden teruggeplaatst, gaat de gemeente staan.
De Thora bevat in totaal 613 verschillende voorschriften (‘mitswot'). Ze zijn onder te verdelen in 248 geboden voor het handelen (waarin elk lichaamsdeel aan boel komt) en 365 verboden (een voor elke dag van een zonnejaar). Iedere gelovige jood heeft ze te eerbiedigen en laat daarmee zien dat hij zijn leven inricht naar Gods wil.

De Pentateuch
De boeken van de Thora, de vijf mozaïsche boeken, die ook wel Pentateuch worden genoemd (Grieks 'penta' = vijf; 'teuch' = boekrol), worden in de joodse traditie aangeduid met hun beginwoorden:
1.  Het boek Beresjiet ('In den beginne schiep') bevat het scheppingsverhaal en heet in de christelijke wereld Genesis.
2.  Het boek Sjemot ('de namen') bevat het verhaal van de uittocht uit Egypte, de lange weg door de woestijn en de tien geboden (het christendom spreekt van het boek Exodus).
3.  In het boek Wajikra ('Hij riep') gaat het naast algemene geboden vooral om priesterlijke voorschriften voor de eredienst (de stam van de Levieten leverde de priesters, vandaar de christelijke naam Leviticus).
4.  Het boek Bernidbar ('in de woestijn') handelt over de tocht van de Israëlieten door de woestijn en wordt door Bijbelgeleerden voor het oudste van de Pentateuch gehouden, in elk geval ouder clan het tweede boek van de Thora (christenen noemen het boek Numeri)
5.  In het boek Devariern ('de woorden') vinden we de afscheidswoorden van Mozes aan het volk Israël, een herhaling van de tien geboden en een beknopte geloofsbelijdenis (christenen noemen het boek Deuteronomium). Volgens Bijbelgeleerden is de Pentateuch voortgekomen uit oudere bronnen uit circa 950-550 v.Chr. en is hij rond het jaar 450 v.Chr. op schrift gesteld.

Andere boeken van de Tenach
Tot de Tenach behoren verder de Nebiim, de boeken van de vroege en latere profeten. De boeken van de 'vroege' profeten bevatten historische verslagen, bijvoorbeeld van de vestiging van de Israëlieten in het land Kanaän, en beschrijven het leven van de profeten Jozua en Samuel, alsmede van de oudtestamentische 'richteren' (leiders uit de tijd van voor het koningsscha p). De profeten beschouwden zichzelf als overbrengers van een goddelijke boodschap en golden onder de Israëlieten als waarzeggers. De 'latere' profeten verdeelt men in drie grote en twaalf kleinere boeken. De schrijvers van deze vijftien boeken stamelen uit verschillende lagen van de bevolking en verzamelden godswoorden, vermaningen en profetieën, alsmede berichten over het leven en de daden van de profeten Jesaja, Jeremia, Ezechiël en van twaalf mindere profeten. Hun boodschap aan de heerser en zijn volk is bijna altijd dezelfde: ze stellen sociaal onrecht aan de orde en veroordelen afvalligen die vreemde goden aanbidden, zaken die de vorst op zijn geweten heeft of waar hij niet krachtig genoeg tegen optreedt.

De Chetoebim - de geschriften
De Chetoebim vormen het derde deel van de joodse Tenach. Ze stammen uit de tijd van de Babylonische ballingschap (587-537 v.Chr.), toen het volk Israël naar Babylon gedeporteerd werd en vijftig jaar lang in slavernij moest leven. De Chetoebim spelen op verschillende manieren een rol in de joodse eredienst. Ze omvatten verder de Psalmen, het boek Job en de Klaagliederen. Vermoedelijk werden de Chetoebim rond het jaar 100 in de Tenach opgenomen, maar veel van de geschriften eruit golden al veel eerder, rond 190 v.Chr., als heilige geschriften.

De vervaardiging van een Thora-rol
Speciaal opgeleide en ervaren schrijvers brengen de tekst van de Thora met een ganzenveer en inkt zonder metaaldeeltjes over op perkament. Dit perkament wordt met de hand gemaakt van het vel van een ritueel geslacht dier. Elke Hebreeuwse letter wordt op een bepaalde manier geschreven en bij de minste afwijking daarvan is de rol ongeschikt voor ritueel gebruik. Oude boekrollen worden nooit weggegooid, maar zo mogelijk uiterst zorgvuldig gerestaureerd. Is dat niet meer mogelijk, clan valt hun een officiële begrafenis ten deel op een joodse begraafplaats.
De thorarol is om twee stokken gewikkeld, die de 'boom des levens' vertegenwoordigen. Bij het lezen gebruikt men een zilveren aanwijsstokje (jad'), dat uitloopt in een handje met uitgestoken wijsvinger. De rol wordt telkens zo afgewikkeld dat de passage die op die dag gelezen moet worden blootligt.
In opgeborgen toestand houd de 'mappa', een smal stuk stof, de rollen als een riem bij elkaar. De thorarol verdwijnt clan in een 'heilige schrijn', die zich achter een gordijn tegen de oostwand van de synagoge bevindt. De schrijn zelf wijst doorgaans naar Jeruzalem.

Talmoed en Misjna
Van de Talmoed zijn er twee versies in omloop: de Jeruzalemse en de Babylonische Talmoed. In 63 traktaten (didactische verhandelingen) geeft het boek een overzicht van overgeleverde leerstellingen, religieuze voorschriften, verhalen en anekdotes uit de tijd van de Babylonische ballingschap en daarna. Het bevat voorschriften voor de rituele reiniging, het opdragen van de eredienst, voor de sabbat, het huwelijksleven, voor feest- en gedenkdagen en voor het strafrecht. Ook becommentarieert de Talmoed de overlevering.

Het boek bestaat uit twee delen, Misjna en Gemara.
Onder Misjna (Hebreeuws voor 'herhaling') verstaat men de verschillende religieuze verhandelingen en commentaren van joodse rechtsgeleerden uit de 1e, 2e en 3e eeuw.

De Gemara (Aramees voor 'voltooiing') bevat becommentarieerde aanhalingen uit de Misjna van verschillende schriftgeleerden en werd in de 4e en Se eeuw samengesteld.

De oudere, Babylonische Talmoed is geschreven door rabbijnen en wordt beschouwd als verreweg de meest gezaghebbende van de twee. De Jeruzalemse Talmoed is korter, wijkt op een aantal punten af en stamt uit de 5e eeuw. De Babylonische Talmoed omvat twaalf dikke folianten en laat zich uit over vrijwel alles tussen hemel en aarde wat de mensen bezighoudt.


Geboden en verboden

Halacha - het hart van het jodendom
De joodse religie laat zich niet als stelsel weergeven, ondanks de vele pogingen die daartoe gedaan zijn. Dat komt omdat "het jodendom nooit moeite gedaan heeft zijn leer een logische opbouw te geven". Het streefde er veeleer naar een algemeen aanvaarde verzameling gebruiken te scheppen, "een codex voor religieuze handelingen om het religieuze leven vast te leggen".
De Thora, de heilige schrift van de joelen, legt hun in totaal 613 religieuze plichten op. Met de uitleg daarvan hebben rabbijnse geleerden zich in alle perioden van de geschiedenis beziggehouden, zij het niet met het doel ze tot een fundamenteel joods dogma te verenigen. "De theologie van het jodendom ligt grotendeels besloten in de halacha, in het joodse rechtsstelsel, dat zich niet met de theorie, maar hoofdzakelijk met de praktijk inlaat". Het joodse geloof berust vooral op twee overtuigingen: die van de goddelijke almacht en die van de heiligheid van het individu. Dat vond ook zijn neerslag in de halacha.

Een weg die men aflegt
Halacha staat voor joodse wetgeving. Halacha berust in eerste instantie op geboden uit de geschreven en mondeling overgeleverde Thora en op het geheel van rabbinale voorschriften, inclusief de religieuze oordelen die in de loop der tijden in de vorm van commentaren van de grote schriftgeleerden opgetekend zijn. Halacha ('de weg die men aflegt') is dus zuiver praktijkgericht en berust niet op theorie. Het gaat om de juiste toepassing van de voorschriften (‘mitswot') in elke situatie.
Bij de halacha gaat het om religieuze plichten, niet om inzichten. Om die reden strekt de halacha zich ook uit over alle terreinen van het leven, ofwel tussen mensen onderling ofwel tussen mens en God.

Voorschriften voor alle bereiken van het leven
De halacha spreekt zich dus niet alleen uit over de bereiken waarop rituele handelingen of, in ruimere zin, het godsdienstige leven zich afspelen, maar ook over aspecten die niet-joodse rechtsgeleerden eerder tot de ethiek of het burgerlijk en strafrecht rekenen. Dat maakt de halacha even alomvattend als het joodse geloof wil zijn. Weinig menselijks is deze religie vreemd. Voor elk aspect van het leven zijn er duidelijke aanwijzingen - of het nu gaat om de eetgewoonten van een mens, zijn seksuele leven, zijn beroepsethiek, zijn maatschappelijk leven, zijn ontspanning, zijn kunstzinnige zelfverwezenlijking - over alles welft zich de paraplu van de godsdienstwetten, van religieuze waarden en geestelijke richtsnoeren van het jodendom. Wel moet gezegd worden dat alleen de orthodoxe joelen zich minutieus aan al deze voorschriften houden.

Redenen voor de vele voorschriften
"Een omvangrijke literatuur getuigt van de vele pogingen die zijn gedaan om de zin te verklaren van alle wetten in de Thora en van de vele regels en gebruiken die in de loop van de joodse geschiedenis ontstaan zijn. De Thora zelf voert voor de meeste van de voorschriften geen specifieke gronden aan". Het antwoord op de vraag waarom een vrome jood zijn leven toch naar zulke strenge regels zou inrichten, ligt in het feit dat hij zich daarmee een trouw dienaar van zijn God betoont. Toch heeft dat joden er nooit van weerhouden om naar de redenen voor al die wetten en geboden te zoeken. Ook een aantal rabbijnen heeft zich daar in de loop der eeuwen het hoofd over gebroken. Tot welke bevindingen ze uiteindelijk ook kwamen, hun zoeken had vooral ten doel het goddelijke heilsplan te doorgronden.

Adonai
Adonai (Hebreeuws voor 'heer') is de naam voor God die in de heilige schriften (Thora en Talmoed) slechts als tetragram Jahweh (de vier Hebreeuwse letters YHWH) geschreven mag worden. Vrome joden zullen het tetragram zelf noch schrijven noch uitspreken. In de eredienst zegt men "Adonai" en in andere gevallen "hashem" ('de naam'). "Adoshem" gebruikt men als er teksten uit de Thora of de Talmoed buiten de eredienst gezongen worden (bijvoorbeeld bij het instuderen van gezangen) om hun God, de schepper, niet tot een menselijk begrip te reduceren.

De wet, de 613 geboden

Deel  gebod betreft:  
1 1-10  God
2 11-16  Thora
3 17-21  Tekenen en symbolen
4 22-25  Gebeden en zegeningen
5 26-39  Liefde en broederschap
6 40-52  De armen en de ongelukkige
7 53-58  Behandeling van de niet-Joden
8 59-81  Huwelijk, scheiding en familie
9 82-106 Verboden seksuele relaties
10 107-142 Tijden en seizoenen
11 143-169 Spijswetten
12 170-183 Zakelijke praktijken
13 184-202 Werknemers, dienstknechten en slaven
14 203-209 Geloften, eden en zweren
15 210-226 De Sabbatjaren en de Jubeljaren
16 227-262 De rechtbank en juridische procedures
17 263-266 Letsels en schade
18 267-277 Eigendom en eigendomsrecht
19 278-308 Strafrecht en schadeloosstelling
20 309-311 Profetieën
21 312-357 Afgoderij, afgodendienaars en toepassing van afgoderij
22 358-364 Landbouw en het houden van dieren
23 365-367 Kleding
24 368-371 Eerstgeborene
25 372-401 Priesters en Levieten
26 402-425 Offers, tienden en belasting
27 426-458 De Tempel, het Heiligdom en de Heilige voorwerpen
28 459-560 Opofferingen en offers
29 561-576 Reinheid en onreinheid
30 577-580 Lepra en lepralijders
31 581-587 De koning
32 588-597 Nazireeër / ingewijden
33 598-613 Oorlogen

Zie meer details: https://nl.wikipedia.org/wiki/613_mitswot

 

Joodse feestdagen:
- Bar mitswa en bat mitswa
- Rosj Hasjana en Jom Kipoer
- Soekot - het Loofhuttenfeest
- Simchat Thora

Bar mitswa en bat mitswa
Jongens vieren op hun dertiende verjaardag met hun bar mitswa (Hebreeuws voor 'zoon van de plicht') de opname in de kring der volwassenen, met alle religieuze rechten en plichten die daarbij horen. Meisjes vieren een jaar eerder bat mitswa ('dochter van de plicht') en treden als twaalfjarige toe tot de kring der volwassenen. Zowel meisjes als jongens worden vanaf dit plechtige moment volwaardig lid van de gemeente en haar synagoge. Na zijn bar mitswa mag een jongen voorlezen uit de Thora, de Thora zegenen en de gebedsriem (tefilin) om zijn arm dragen. Aan de bar mitswa gaat een speciaal onderricht vooraf als kennismaking met de joodse overlevering. In de Misjna stond al geschreven dat dertienjarigen als volledig gemeentelid beschouwd moesten worden. Toch komt de term bar mitswa voor de 15e eeuw niet voor. Het vieren van de bar mitswa te midden van familieleden is een belangrijk moment in het leven van elke jood. Pas in de 19e eeuw voerden liberale joelen de bat mitswa voor meisjes in.

Rosj Hasjana en Jom Kipoer
Elk jaar in de herfst vieren joden hun nieuwjaarsfeest. Dat duurt een of twee dagen en dient ter bezinning; als teken daarvan wordt vaak witte kleding gedragen. Rosj Hasjana is volgens het joodse geloof de dag van de schepping, maar ook de dag van het Laatste Oordeel. Op het feest volgen tien dagen van boetedoening en gewetensonderzoek, met Jom Kipoer, de Grote Verzoendag, als afsluiting. Dan wordt er 25 uur gevast, bekent men zijn zonden en gaat men gelouterd het nieuwe jaar in.
Op Rosj Hasjana en na Jom Kipoer wordt er op de sjofar geblazen. Een sjofar is een instrument gemaakt van een ramshoorn. Bij de asjkenazim heeft het geen, bij de sefardim wel een (eenvoudig) mondstuk.
Op de middag van de eerste dag van Rosj Hasjana valt ook het zogenaamde tashlichgebruik, waarbij men na een gebed om vergeving van zijn zonden die zonden symbolisch aflegt door steentjes of broodkruimels in het water te gooien. De maaltijden op Rosj Hasjana bevatten veel vruchten, voornamelijk granaatappels, en honing als symbolisch voorproefje van een zoet nieuw jaar.

Soekot - het Loofhuttenfeest
Met Soekot herdenkt men de beproevingen van de tocht door de woestijn, al schijnt het feest terug te gaan op een oogstfeest. Soekot wordt zes dagen na de Grote Verzoendag in oktober gevierd. De gelovigen bouwen clan hutten van takken (Hebreeuws 'soeka') om daarin gedurende het feest te eten, bidden en - als het herfstweer het toestaat - te overnachten. Deze hutten zijn een nabootsing van de onderkomens die de Israëlieten op hun tocht door de woestijn bouwden. Tegelijk voeren ze de vergankelijkheid van alle materiële bezittingen voor ogen, evenals de bestendigheid van het geloof. Soekot is een blij feest, waarbij creatieve invallen worden gewaardeerd.
Tegenwoordig bestaat een soeka meestal uit hout, tentdoek en matten. Het dak is gemaakt van palmtakken en wel zo dat de hemel erdoor te zien is. De hut is dus niet weerbestendig. In de week dat Soekot duurt, brengen de gelovigen zo veel mogelijk tijd in de loofhut door. Op de laatste dag van het feest (Hosjana Rabba) vraagt men God in zeven plechtige processies om een goed jaar.

Simchat Thora
Simchat Thora (Hebreeuws voor 'vreugde der wet') is de naam van de laatste feestdag voor Soekot. Dit is de dag waarop de jaarcyclus van thoralezingen in de synagoge ten einde komt en een nieuwe cyclus begint. De thoralezingen krijgen een feestelijke omlijsting, waar ook de kinderen aan deelnemen.

Chanoeka
Chanoeka is het feest ter ere van de hernieuwde inwijding van de tempel onder Judas de Makkabeeër in het jaar 165 v.Chr. Dit lichtfeest duurt acht dagen en wordt midden december gevierd.
Op de chanoekia, een speciaal voor dit feest bedoelde, negenarmige kaarsenhouder, wordt
op elk van de acht feestdagen een extra kaars aangestoken.
Chanoeka heeft zijn oorsprong niet in de Thora, maar in een legende. Koning Antiochus IV zou in 168 v.Chr. de besnijdenis verboden hebben in een poging de joden in zijn rijk tot een overgang naar het Griekse polytheïsme te dwingen. Daarom ontketenden de priester Mattatias en zijn zoon Judas de Makkabeeër een volksopstand tegen de tirannieke Seleucidenkoning, die drie jaar duurde.
Antiochus IV had de tempel van Salomo ontwijd door er een beeld van Zeus in te laten zetten. Joden werden uit hun huizen verdreven en streden ondergronds voor hun vaderland, hun geloof en hun bezoedelde tempel. Uiteindelijk versloegen ze in het jaar 165 v.Chr. Antiochus IV en konden ze de inmiddels geplunderde tempel opnieuw inrichten en wijden. Acht dagen lang vierden ze feest. Volgens de legende hadden ze slechts olie voor één dag, maar tot hun grote verrassing brandde het licht evengoed acht dagen lang.

Het Poerimfeest
Het Poerimfeest, dat de joden eind februari/ begin maart vieren, doet wel wat aan carnaval denken. En dat terwijl verkleedpartijen in het jodendom een slechte naam hebben, omdat beide geslachten daarbij nogal eens in elkaars kleren rondlopen ondanks het verbod daarop in de Thora. Bij het Poerimfeest lijkt echter alles anders te zijn dan anders. Op deze dag verkleedt men zich, vooral de kinderen, en viert een vrolijk feest, dat toch een heel serieuze aanleiding schijnt te hebben. Poerim is het meervoud van 'poer', dat 'lot' of 'een lot trekken' betekent. Haman, een zegelbewaarder van de Perzische koning Ahasveros in de Se eeuw v.Chr., had de koning ingefluisterd dat de joden in het land een gevaar voor zijn gezag betekenden. Harnan liet daarop het lot beslissen over de dag waarop hij de joden zou vernietigen. Dit plan werd echter verijdeld door Ester, de joodse echtgenote van de koning, en haar oom Mordechai. De trotse Haman werd in plaats daarvan ter dood gebracht. En zo eindigden dagen van vertwijfeling, waarin over het lot van het joodse volk beslist werd, in grote opluchting en ontstond er een feest waarbij men elkaar geschenken geeft en de armen niet vergeet.

Pesach
Pesach duurt zeven tot acht dagen en herinnert elk jaar aan de uittocht uit Egypte. Het feest begint bij de eerste volle maan van de lente, die zich meestal in april voordoet. De symboliek van het feest draait helemaal om opbreken en zich op weg begeven - op weg naar het beloofde land. De naam 'Pesach' hangt samen met 'gespaard worden' en verwijst naar de tien plagen waarmee God de Egyptenaren, maar niet de Israëlieten strafte. Bij de tiende plaag ging een doodsengel in het land aan de Nijl van deur tot deur en doodde alle eerstgeborenen in het land. Gespaard bleven alleen de joodse eerstgeborenen, omdat de Israëlieten hun deurposten met het bloed van een lam gemarkeerd hadden.
De dag voor Pesach viert men seideravond, die is genoemd naar de seidermaaltijd. Omdat de Israëlieten in allerijl vertrokken, hadden ze geen tijd om het deeg voor hun broden te laten rijzen. Daarom eet men op Pesach nog altijd ongerezen en ongezouten, platte broeien (matses). Op tafel bevindt zich nog andere symbolische etenswaar, zoals bittere kruiden en mierikswortel (ter herinnering aan een tijd van knechting) en zout water (dat aan de tranen van de Israëlieten in Egypte herinnert).

Sjavoeot
Op de vijftigste dag na Pesach, ongeveer tegelijk met het christelijke Pinksterfeest, begint het tweedaagse Sjavoeotfeest, het 'feest der openbaring'. Na 49 dagen komt de bevrijding van de Egyptische onderdrukking, die begon met Pesach, nu symbolisch op haar bestemming aan. Nu bereikt de Thora, het goddelijke richtsnoer, met de openbaring op de berg Sinaï en de overhandiging van de tien geboden aan Mozes de mensen.
Sjavoeot is het feest van de 'schenking van de Thora', maar tegelijk is het een oogstfeest, omdat het in de tijd van de graanoogst valt. Op Sjavoeot worden bepaalde passages uit de Thora voorgelezen. Op beide feestdagen laat men het werk voor wat het is en geeft men zich over aan vrolijkheid. Kleine joodse kinderen gaan nu voor het eerst naar school ('cheder'). Als aandenken aan hun eerste schooldag krijgen ze honingkoeken waar verzen uit de Thora op geschreven staan.


Rituele reinheidsgeboden

Tahara en toema
Het joodse geloof kent twee kernbegrippen als het om rituele reinheid gaat: enerzijds 'tahara', rituele reinheid, en anderzijds 'toema', rituele onreinheid. Regels hierover zijn al in de Thora te vinden, waarin ze betrekking hebben op de dienst in de tempel. Afgezien van een paar uitzonderingen (bijvoorbeeld ten aanzien van de menstruatie) worden ze tegenwoordig niet meer toegepast. Toch heeft tahara, rituele reinheid, ook veel met lichaamshygiëne te maken, zij het vooral met overledenen met wie men in aanraking gekomen is. Daarnaast heeft tahara ook betrekking op het seksuele leven, vooral wat de zelfbevlekking met mannelijk zaad of menstruatiebloed betreft. Zowel mannen als vrouwen kunnen dus ritueel onrein zijn.

Koosjer betekent 'geschikt'
Volgens de joodse reinheidsvoorschriften (Hebreeuws 'kasjroet' - 'geschiktheid') lenen slechts bepaalde dieren zich voor menselijke consumptie: vooral kalveren, schapen en geiten, maar geen varkens. Ook dieren zonder bot of graat zijn niet koosjer. Te denken valt aan slangen, insecten, slakken, schelp- en andere zeedieren. Alleen vissen die zowel schubben als vinnen hebben, mogen gegeten worden. Paling is dus 'ongeschikt'. De dieren moeten ritueel geslacht worden met een speciaal mes ('challaP): de halsslagader wordt geopend en dient helemaal leeg te bloeden. Een belangrijke spijswet verbiedt de vermenging van vlees en melk. "Gij zult een bokje niet koken in de melk van zijn moeder" (Exodus 23: 19). In ruimere zin betekent deze wet dat vlees- en melkproducten niet vermengd, maar ook niet naast elkaar gegeten mogen worden. Streng gelovige joelen hebben daarom voor beide soorten etenswaar verschillend kookgerei.

Het mikwe
De aanwezigheid van een mikwe, een traditionele joodse wasplaats of badhuis, is voor een joodse gemeenschap belangrijker dan de aanwezigheid van een synagoge. Tegenwoordig zijn er nog oudere mikwes te vinden in Amsterdam, Gorinchem, Utrecht en Apeldoorn, alle uit de 17e eeuw. In Venlo zijn de resten gevonden van Nederlands oudste mikwe, dat van voor 1350 dateerde. Mikwes worden volgens strikte regels gebouwd en gebruikt. Het moet om te beginnen een natuurlijke waterplaats zijn. Om die reden zijn mikwes vaak diep in de grond uitgegraven. Er moet een minimum aan 'natuurlijk water' gebruikt worden, meestal regenwater en/of bronwater. Het bad moet ten minste 500-1000 liter water bevatten. Men moet volkomen naakt te water gaan. Zelfs nagellak en lippenstift moeten verwijderd zijn. De badende moet volledig kopje onder gaan in het water. Traditioneel schrijven de regels voor dat mannen en vrouwen zich moeten wassen in het mikwe. Mannen wordt geadviseerd zich voor de sabbat of voor Jom Kipoer te baden. Vrouwen moeten zich op de avond voor de huwelijksvoltrekking, na de menstruatie en na de geboorte van een kind onderdompelen.


De Sabbat

De viering van de sabbat
De sabbat wordt begroet met het aansteken van twee kaarsen en welkom geheten als een geliefde bruid. Men breekt het gevlochten sabbatbrood, de 'chala', en spreekt daarbij een zegen uit (Hebreeuws 'bracha'). Bij het eten van het brood gedenkt men het manna, het voedsel dat God tijdens de tocht door de woestijn voor zijn volk "uit de hemel neer liet regenen". Traditionele sabbatgerechten zijn voor de asjkenazim soep, groente, aardappelen, vlees en vis (vaak snoek). Aan het eind van de maaltijd wordt bij wijn en geurige specerijen de 'hawdala' (Hebreeuws voor 'onderscheid') gesproken, de zegen over het onderscheid tussen het heilige en het profane. ln religieuze huishoudens wordt de maaltijd voor de volgende dag al vóór de vrijdagavond klaargemaakt en daarna warm gehouden.

Dag van rust en gebed
"Op de zevende dag zult gij rusten," staat duidelijk te lezen in de Bijbel. De heiliging van de sabbat, de dag waarop niet gewerkt wordt, is een van de belangrijkste joodse religieuze voorschriften. De sabbat dient geheel en al om God te eren. Elke vorm van arbeid, elke productieve handeling is verboden, omdat ook God zelf op de zevende dag van de schepping rustte. De sabbat is gewijd aan gebed, rust, inkeer en overdenking van de schepper en zijn werk. De sabbatviering begint op vrijdagavond; de sabbat eindigt op zaterdagavond. De zondag is in het jodendom de eerste dag van de week, de zaterdag de laatste. De christenen verplaatsten de rustdag naar de zondag.

De sjabbat, ook sabbat, is de wekelijkse rustdag in het jodendom. Sjabbat vindt plaats op zaterdag, de zevende dag van de joodse week en dient volgens de voorschriften in de Tenach in de eerste plaats te worden gevierd door een onthouding van alle arbeid. Volgens het eerste boek van de Tenach – Genesis – rustte God op deze dag uit van Zijn schepping die Hij in de zes dagen daarvoor tot stand had gebracht.

Betekenis en duur
De sjabbat begint op vrijdagavond met zonsondergang en eindigt ongeveer 25 uur later, op zaterdagavond wanneer het volledig donker is. Vroeger bepaalde men deze tijdstippen zodra drie sterren zichtbaar werden in de donker wordende lucht, of gebruikte men een zogenaamde Sjabbatklok. Tegenwoordig zijn hiervoor nauwkeurige tabellen en ook op internet kunnen voor de gehele wereld halachische (joods-wettelijke) tijden worden gevonden.
De sjabbat is in de joodse religie een van de tekens van het verbond tussen God en het Joodse volk. De viering van de sjabbat is voorgeschreven in de Tien Geboden. Aan het ingrijpende voorschrift van Sjemot/Exodus 35:3 dat men geen vuur mag ontsteken, wordt strikt de hand gehouden door zowel religieuze als traditionele joden. Heden ten dage betekent dit bijvoorbeeld dat men geen gas aansteekt en ook geen elektriciteit aanzet. Tijdens de sjabbat wordt dan ook geen auto gereden, worden geen elektrische apparaten gebruikt, e.d.). Voor het aan- en uitzetten van elektrisch licht wordt soms een dienst verleend door een (niet joodse) buurman, die "sjabbesgoj" genoemd wordt; een niet-jood (goj) die op sjabbes hulp verleent als vriendendienst aan een joodse familie.

De sjabbat en Rosj chodesj, het nieuwemaansfeest, behoren in de Tenach tot de regelmatig terugkerende feesten. De sjabbat sluit elke week af, terwijl Rosj chodesj het begin van de nieuwe maanmaand aangeeft. Het kan gebeuren dat de sjabbat valt op het begin van de nieuwe maan.


De Synagoge

Samenkomst en onderricht
Een joods godshuis dient zowel voor de samenkomst van de gelovigen als voor hun lering. Het woord 'synagoge' stamt uit het Grieks en betekent 'de gemeente die bijeenkomt'. De eerste synagogen ontstonden nadat de Romeinen de tempel in Jeruzalem verwoest hadden. De as van een synagoge is meestal op Jeruzalem gericht, wat in Europa neerkomt op een west-oostrichting. In architectonisch opzicht ontwikkelde de synagoge zich in nauwe samenhang met voor die tijd geldende bouwwijzen, wat tot gevolg heeft dat een typische synagogebouwstijl niet bestaat. Daar staat tegenover dat het interieur wel altijd dezelfde objecten bevat die nodig zijn voor de eredienst: thoraschrijn, kansel en chanoekalamp. Een van de oudste synagogen in Europa staat in het Duitse Worms en stamt uit de 12e eeuw. De oudste Nederlandse synagoge is die van Middelburg uit 1705.

Erediensten in de synagoge
's Morgens, 's middags en 's avonds is er dienst in de synagoge. Bij de orthodoxen moeten daarvoor minstens tien religieus volwaardige mannen in de synagoge aanwezig zijn (bij de andere geloofsrichtingen tellen vrouwen ook mee). Volwaardig zijn jongens als ze de leeftijd van dertien jaar bereiken ('bar mitswa'). Bij de eredienst ontbreekt de priester of dominee, omdat een middelaar tussen God en de mens niet nodig wordt geacht.
Men uit zijn ontzag voor God door zijn hoofd te bedekken met een keppeltje ('kippa' of of 'jarrnoelka'). De dienst verloopt volgens de Siddoer, het gebedenboek dat een verzameling Thorapassages, psalmen en spreuken omvat. Bij toerbeurt lezen de voorbidder of cantor en de gemeenteleden eruit voor. Slechts enkele delen van de eredienst worden staande gesproken. De dienst eindigt in de meeste gevallen met een gebed voor de toekomst.

Talliet en Tefilin
De talliet (gebedsmantel) en tefilin (gebedsriem) spelen een belangrijke rol in het godsdienstige leven. Door de gebedsmantel te dragen houden joden zich voor dat ze Gods geboden moeten naleven. De talliet is met 32 kwasten versierd, die de ge- en verboden uit de Thora symboliseren. De gebedsmantel wordt uitsluitend door mannen gedragen, tijdens alle doordeweekse ochtendgebeden, maar ook op de sabbat en op feestdagen. Vrouwen stelt de Talmoed vrij van het dragen van de talliet, omdat ze overdag voor hun gezin moeten zorgen en overdag geen gebedsdienst hoeven te bezoeken. Een talliet moet groot genoeg zijn om het grootste deel van de romp te bedekken. Veel streng gelovige joden bedekken het hoofd met de talliet voordat ze het gebed opzeggen, om zo hun concentratie te vergroten.
Bijna net zo belangrijk is de gebedsriem: deze tefilin bestaat uit twee leren doosjes met daarin stukjes perkament, waarop Thorafragmenten geschreven zijn. De vier fragmenten voor de handgebedsriem zijn samen op een stuk perkament geschreven. Die voor de hoofdgebedsriem hebben elk een eigen stukje perkament. Ze moeten allemaal handgeschreven zijn. Het leer van de riem en het perkament stammen van koosjere dieren. De leren doosjes hangen aan een leren riem. "De riem van het voor de arm bestemde doosje dient bij rechtshandigen zevenmaal om de linkerarm gewikkeld te worden, bij linkshandigen zevenmaal om de rechterarm, omdat het vers van een Psalm (145:16) in het Hebreeuws uit zeven woorden bestaat. Het uiteinde van de riem wordt nog driemaal om de hand en driemaal om de ringvinger en middelvinger gewikkeld, want zo ontstaat de vorm van het Hebreeuwse woord 'schadai ‘, dat 'God' betekent".
Ook van het gebruik van een gebedsriem zijn de vrouwen vrijgesteld. Tefilin worden bij het ochtendgebed gebruikt, maar niet op de sabbat en op feestdagen.


Religieuze groepen joden aan het begin van onze jaartelling

De Essenen - een gemeenschap in Qumran uit de tijd van Jezus?
Naast de raadselachtige gemeente in Qumran aan de Dode Zee, die van de Essenen, zijn er uit de tijd van Jezus vooral drie religieuze stromingen bekend geworden, die ook in het Nieuwe Testament voorkomen.
De Essenen wezen de cultus in de tempel van Jeruzalem evenals het priesterschap af en probeerden door strenge boetedoening de komst van het godsrijk te bespoedigen. Armen en zieken maakten geen deel uit van hun gemeenschap, die strenge leefregels en veel onthouding kende. De Essenen beschouwden zichzelf als de laatste generatie voor de komst van de Messias. Veel van hun gedachten en gebruiken doen denken aan Jezus van Nazareth. Zo maakten ze gewag van een 'meester der gerechtigheid', die de liefde predikte. Anderzijds riepen ze op tot een gewapende strijd tegen de 'zonen der duisternis'.

De Dode Zeerollen
In 1947 vond een bedoeïenenjongen in een grot bij de Dode Zee boekrollen die in hoge aardewerken kruiken gestoken waren. De vindplaats ligt ongeveer 1500 meter van een ruïne aan de zuidwestelijke zeeoever, die Khirbet Qumran genoemd wordt. In de jaren daarna vond men ook in andere grotten teksten. Allemaal lijken ze te gaan over het leven van een gemeenschap die mogelijk ooit in Qumran was gevestigd en die de teksten - uiterlijk in het jaar 70 - voor de Romeinen had verborgen. Een van de teksten heet: 'Oorlog van de zonen van het licht tegen de zonen van de duisternis.' Onderzoekers vermoeden dat met de 'zonen van de duisternis' de Romeinen bedoeld zijn. Qumran zelf, zo luidt het oordeel na opgravingen in de ruïne, was tot de verwoesting in het jaar 68 het centrum van een zeer gedisciplineerde, kloosterachtige geloofsgemeenschap. De identiteit van de gemeenschap zou samenvallen met die van de opstellers van de teksten in de aardewerken kruiken, de Essenen. De boekrollen stammen voor een deel uit de le eeuw v.Chr. Het omvangrijkst is de 7,34 meter lange '[esajarol', een handschrift van het Bijbelboek Jesaja.

De sadduceeërs
De sadduceeërs noemden zich waarschijnlijk naar Salomo's hogepriester Zadok. Inderdaad was deze groep voortgekomen uit de oude priesteraristocratie en hij bleef die status in de jaren tussen 150 v.Chr. en 70 n.Chr. ook houden. De sadduceeërs aanvaardden uitsluitend de Thora (de Pentateuch, oftewel de vijf mozaïsche boeken) en bestreden de farizeeërs, die anders dan zij wel in een leven na de dood geloofden, evenals in het bestaan van engelen en geesten. Bovendien ontkenden de sadduceeërs elk goddelijk ingrijpen in menselijke aangelegenheden door middel van wonderen. Ze verwierpen de mondelinge overlevering en stelden de goddelijke voorzienigheid boven de vrije wil. Ze achtten alle hoop op een opstanding zoals beschreven in Lucas 23 vers 8 ijdel. In het jaar 70 n.Chr. verwoestten de Romeinen de tempel van Jeruzalem en lieten alleen de huidige 'klaagmuur' staan. Deze gebeurtenis betekende de ondergang van de sadduceeërs. Hun opvattingen waren te nauw verweven met die tempel en de joodse staat. Aan brede steun onder het volk had het hun altijd ontbroken, omdat hun leer en opvatting van de wetten te streng gevonden werden.

De farizeeërs
Tot de opvattingen van de farizeeërs behoorde onder andere het geloof in de onsterfelijkheid van de ziel, in engelen, in de opstanding van de doden, in een passende straf in het hiernamaals en in de vrije wil, zij het in wisselwerking met een goddelijke voorzienigheid. Allemaal elementen waaruit de invloed van het Hellenisme valt af te leiden, de verbreiding van de Griekse cultuur, en in dit geval Griekse filosofie, over het oostelijke deel van het Middellandse Zeegebied. De farizeeërs waren apocalyptici, gericht op het einde der tijden. Ze hoopten de verschijning van de Messias tijdens hun leven mee te maken. Met zijn komst zou de joodse geschiedenis de voltooiing krijgen die in de Thora is voorzien. De farizeeërs propageerden een strikte naleving van de Bijbelse geboden en vulden de canonieke geschriften aan met een 'mondelinge Thora', Misjna geheten. Ze probeerden het op een akkoordje te gooien met de macht van Rome om het voortbestaan van het jodendom te waarborgen. Door de zeloten en andere radicale groepen werden ze daarom voor huichelaars uitgemaakt. Deze negatieve karakteristiek, die overigens alleen in het Nieuwe Testament te vinden is, heeft het spreekwoordelijke gebruik van de naam 'farizeeër' beïnvloed. Deze negatieve typering wordt tegengesproken door talloze geleerden die de farizeeërs juist omschrijven als voorlopers van een modern, tolerant jodendom.

De zeloten
Nadat Judea (Juda) door de Romeinen onderworpen was, organiseerden de zeloten het verzet tegen de bezetter. Ze hanteerden radicale middelen en schrokken er ook niet voor terug hun eigen leven op het spel te zetten in de strijd tegen onderdrukking en vóór nationale en religieuze onafhankelijkheid van hun volk. De zeloten weigerden belasting aan de Romeinen te betalen en leefden als vrijheidsstrijders. Velen van hen kwamen uit Galilea. In het jaar 73, toen ze de strijd als verloren beschouwden, stierven de laatste zeloten bij de belegering van hun vesting Masada aan de Dode Zee door collectieve zelfmoord.

 

De kabbala - inzicht in het wezen van God

Een verborgen wijsheid
Onder het begrip 'kabbala· vat men het esoterische gedachtegoed van het jodendom samen - vooral het deel dat in de Middeleeuwen en de tijd erna ontstond. Onderwerp van de Thora is de wil van God, waarnaar een vrome jood zich te richten heeft. De kabbala probeert daarentegen het wezen van God te doorgronden, als de bron waaruit alle dingen zijn voortgekomen. De beste manier om dat te doen zijn contemplatie en streven naar verlichting, want God houdt zich verborgen. De kabbala beschouwt zichzelf als de som van alle geheime leren, als een schat aan kennis waarmee alle geheimen van het universum zich laten ontrafelen. Omdat mystieke kennis moeilijk te verwoorden is, wordt die al snel verkeerd geïnterpreteerd. Daarom dient hij voorbehouden te blijven aan mensen met veel diepgaande kennis.

Het wezen van de kabbala
De hoofdelementen van de kabbala proberen licht te werpen op het geheime wezen van God en pogen de kosmologische structuur van de wereld te achterhalen. Kabbalisten vatten God op als de kracht achter alles. Voor zijn machtige tegenspeler, de duivel, is echter ook een belangrijke rol weggelegd, vooral in de kring van Spaanse kabbalisten waaruit de Zohar voortkwam. De mens moet zelf beslissen of hij de kant van God of de duivel kiest. Ingewijden biedt de kabbala de mogelijkheid om de 'verbindingsschakels' tussen mens en universum, tussen schepsel en schepper te herkennen. Deze schakels worden voorgesteld als krachten die ook de mens in staat stellen vorm te geven aan de schepping. Dat lukt echter alleen degene die deze krachten aan zich weet te onderwerpen. Daarvoor dienen dan bepaalde machten (zoals engelen, genieën of demonen) aangeroepen te worden. Door namen en symbolen worden alle machten van het universum gewekt. Namen zijn voor kabbalisten daarom niet slechts willekeurig toegekende tekens, maar geven het diepste wezen van het aangeduide prijs. Wie de ware naam van iets kent, wint er macht over. De kabbala onderscheidt 22 krachten, evenveel als het Hebreeuwse alfabet letters heeft. Wie ze opschrijft of uitspreekt, roept de energetische krachten van het universum op en kan proberen ze voor zijn eigen doelen aan te wenden.

Gematria of kabbala in de praktijk
De gematria is de leer van de geheime aard van getallen en hun gebruiksmogelijkheden, in het bijzonder door het koppelen van getallen aan letters. Elke Hebreeuwse letter zou een bepaalde getalswaarde hebben. Dat maakt het mogelijk om met de getalswaarde van afzonderlijke letters woorden met een gelijke getalswaarde te vormen en onderling te verwisselen - en op die manier een geheime betekenis aan een tekstpassage of een naam toe te kennen. Dit stelsel kan natuurlijk ook op andere alfabetten en talen worden toegepast, maar voor een gelovige jood spreekt God Hebreeuws.

Kabbalistische interpretaties - het woord 'amen'
Voor kabbalisten staat God gelijk aan het getal één, omdat hij de oorsprong van alle dingen is. Het Hebreeuwse woord voor één is echad. In de Hebreeuwse spelling heeft het drie letters, omdat dit schrift geen zelfstandige klinkers kent, zoals die in onze, Latijnse schrijfwijze gebruikelijk zijn. De letters hebben de volgende getalswaarden: alef (1) + cheth (8) + daleth ( 4). De som van die getallen is dertien. Het woord 'ahavah' betekent liefde en spelt men als volgt: alef (1) + heh (5) + beth (2) + heh (5). De numerieke waarde van dit woord is dus ook dertien, Daaruit leidt een kabbalist af dat liefde en eenheid (God) eenzelfde aard hebben. Hij voert daar nog iets anders voor aan: als je de waarde van beide woorden optelt, krijg je 26 - precies de getalswaarde van het tetragram YHWH (Jahweh), dat staat voor God. Een treffend voorbeeld van de kabbalistische denkwijze is ook de interpretatie die het woord 'amen' krijgt. Herkomst en precieze betekenis van dit woord, dat ook christenen en moslims gebruiken, zijn onduidelijk. Meestal vertaalt men het met "zo zij het!"

Voor de kabbalisten is 'amen' echter vooral een bezwerende formule, een innig verzoek aan God. De Hebreeuwse letters van dit woord zijn namelijk alef (1), mem (40) en nun (50). Dat zijn ook de beginletters van drie woorden die vaak met God in verband gebracht worden: 'adonai', 'rnelekh' en 'ne'ernan' (achter elkaar vormen ze de aanspreekvorm "heer, getrouwe koning"). De getalswaarde van het woord 'amen' is 91. De som van 9 en 1 is 10. Het getal tien staat op zijn beurt weer voor de tien sefirot en dus ook weer voor God zelf.

De tien 'trappen' van God
Sefirot, een van de centrale begrippen van de kabbala, verwijst naar de tien eigenschappen van de absolute, hoogste (ain soph) of verborgen God. De tien sefirot worden voorgesteld als een boom (de mystieke levensboom of de wereldboom), maar tegelijk beschouwd als trappen van de goddelijke zijnswijze, waarin de verborgen wereld van het absolute (goddelijke) zichtbaar wordt. De afzonderlijke trappen (sefira) heten van boven naar beneden:
De tien sefirot van de kabbalistische boom
Kether - 'kroon' van de godheid
Chockmah - 'wijsheid' of oerbegrip van God
Binah - de 'intelligentie' van God
Chesed - 'liefde' of 'genade' van God
Geboerah - de 'macht' van God
Tiphereth of rachamim - 'barmhartigheid'
Nezach - 'bestendigheid' van God
Hod - de goddelijke 'majesteit'
Jesod - de 'grondslag' van alle oorzakelijke en scheppende, dus direct en indirect werkende krachten van God
Malkoeth - 'grond', 'basis' van het goddelijke, Gods 'koninkrijk'

De krachten van de sefirot zijn ook in het individu actief. Diens lichaamsdelen zijn een afspiegeling van een innerlijke, spirituele zijnswijze. Die zijnswijze wordt ook wel gepersonifieerd voorgesteld als Adam Kadmon, de eerste mens.


Dood, begrafenis en hiernamaals

Concentratie op het aardse leven
De joodse godsdienst is aanzienlijk meer op het aardse leven gericht clan andere godsdiensten. Stervenden die nog in staat zijn zich innerlijk op de naderende dood voor te bereiden, doen dat door te bidden, hun zonden te bekennen en hun nakomelingen te zegenen. Vlak voordat de dood intreedt, belijden de familieleden en de stervende gezamenlijk hun geloof in de enige God. De traditie wil dat de beginwoorden van deze belijdenis, "sjema Israël" (hoor, Israël!) * , de laatste woorden van de stervende zijn. Het schema Israël is in het dagelijks leven het belangrijkste gebed, dat zowel 's ochtends als 's avonds gesproken wordt. Gedurende korte tijd na de dood raakt men het lichaam van de overledene niet aan. Daarna legt men het op de grond, ontsteekt een licht, wast de overledene en kleedt die in een eenvoudig linnen lijkkleed. Tot aan de begrafenis wordt de dode niet alleen gelaten, als teken van respect. Meestal zit er een 'shomer' (wachter) naast de dode, die psalmen reciteert.

Sjeool, het land waaruit men niet terugkeert
Voorstellingen over het hiernamaals heeft het jodendom altijd gehad, maar alleen de farizeeërs geloofden in een leven na de dood. In de Bijbel wordt het verlaten, duistere oord onder de aarde waar de overledenen heengaan aangeduid met de naam 'sjeool'. Sjeool is een plaats van ontbinding en van chaos, waar arm en rijk, heer en slaaf, koningen en vorsten, groot en klein na hun dood terechtkomen.

Dag des oordeels en wederopstanding
Een vrome jood gelooft dat op de jongste dag alle doelen terugkeren om voor Gods aangezicht te verschijnen. Die laat vervolgens alleen de rechtvaardigen opstaan uit de dood, zoals gesuggereerd in de Psalmen. De goddelozen blijven voor eeuwig dood.
De traditionele voorstelling van een opstanding van het lichaam is nog altijd de geloofsovertuiging van de orthodoxe joden. De hervormingsgezinde joden zijn hier van afgestapt, ten gunste van een geloof in de onsterfelijkheid van de ziel.

Messiasverwachting
Joden leven in afwachting van de Messias. Zijn komst zal het volk Israël van alle onheil verlossen. De tempel in Jeruzalem verrijst opnieuw.
Concrete voorstellingen over dit godsrijk op aarde mogen joden zich niet maken. Het joodse gebedenboek zegt over de door God gezonden Messias (Hebreeuws 'rnasiah' - 'de gezalfde'): "Hij zendt aan het einde der dagen onze gezalfde ter verlossing van hen die op uiteindelijke verlossing wachten".

Een einde aan de wereld
Het einde van de wereld, de Apocalyps, wordt uitsluitend door God bepaald. Gelovige joden verbinden daarmee de hoop dat Gods heerschappij aanbreekt - zowel voor het volk Israël als voor alle andere volkeren op aarde die leven naar Gods wil. Daartoe moeten ze zich wel aan Gods gezag onderwerpen. Het volk Israël wordt uit zijn lijden verlost en er komt een eind aan alle vervolging, spot en verachting. Met 'verlossing' wordt niet een bevrijding van schuld en boete bedoeld, maar meer een nationale bevrijding van de joden en wereldvrede in het algemeen. Bij deze hernieuwing van de aarde zullen ook de doden opstaan. Daarom moeten ze tot die tijd in de aarde rusten en is lijkverbranding niet toegestaan. Over de precieze toedracht van de verlossing mag de mens niet speculeren, omdat alleen God daarover beslist: "Zij is door geen enkel ander oog dan het uwe aanschouwd, o Heer".

De Sjema Yisraël in de Joodse liturgie
Hoor, Israël, de Heer is onze God, de Heer alleen. (Deut 6.4)

Geloofd zij God heerlijke regering voor eeuwig en altijd!

U zult de HEER uw God liefhebben* met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten. De geboden die ik u vandaag voorschrijf, moet u in uw hart prenten. Spreek er met uw kinderen telkens opnieuw over, wanneer u thuis bent en onderweg, als u slapen gaat en opstaat. Bind ze als een teken op uw hand en als een band op uw voorhoofd. Grif ze in de deurposten van uw huis en op de poorten van uw stad. (Deut 6,5-9)

In stilte herhaald:
Als u daadwerkelijk gehoor geeft aan de geboden die ik u vandaag geef, als u de HEER bemint en dient met heel uw hart en heel uw ziel, “dan zal Ik uw land op tijd regen schenken, herfstregen en voorjaarsregen, zodat u er koren, most en olie kunt oogsten en in het vrije veld zal Ik groen gewas voor uw vee laten groeien.” U zult er volop te eten hebben. Zorg ervoor dat u uw hart niet laat verleiden, zodat u afdwaalt, andere goden dient en voor hen neerbuigt, want dan zal de HEER in toorn ontsteken tegen u. Hij zal de hemel sluiten, zodat er geen regen valt; uw grond zal niets opbrengen en u zult in korte tijd weggerukt worden uit het heerlijke land dat de HEER u schenkt.
Prent mijn woorden in uw hart en in uw ziel, bind ze als een teken op uw hand en draag ze als een band om uw voorhoofd. Onderwijs ze aan uw kinderen door er telkens opnieuw met hen over te spreken, wanneer u thuis bent of onderweg, wanneer u slapen gaat en opstaat. Grif ze in de deurposten van uw huis en op de poorten van uw stad. Dan zullen u en uw kinderen op de grond die de HEER uw vaderen beloofde even lang blijven leven als de hemel boven de aarde staat (Dt 11,13-21)

De HEER sprak tot Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten dat zij en hun nakomelingen aan de slippen van hun kleed kwasten moeten bevestigen met een blauwpurperen draad erin. Die kwasten zullen een teken zijn voor u: bij het zien daarvan zult u de geboden van de HEER gedenken; u zult die geboden naleven en niet meer de begeerten van uw hart en uw ogen volgen, die u nu trouweloos naloopt. Zij zullen u helpen eraan te denken al mijn geboden te volbrengen en uw God toegewijd te blijven. Ik ben de HEER uw God, die u uit Egypte geleid heeft om uw God te zijn. Ik ben de HEER uw God.’ (Num 15,37-41)

CHRISTENDOM


Oorsprong, geschiedenis en de praktijk

Het Christendom, waar wij Nieuw Apostolische christenen zich ook onder mogen rekenen.

Het christendom is een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament, het tweede gedeelte van het heilige boek van de christenen, de Bijbel. Centraal staan zijn onderwijs, kruisdood en opstanding. Het eerste gedeelte, het Oude Testament (de joodse Tenach), wordt als grondslag van het Nieuwe Testament gezien.

Het christendom is een monotheïstische godsdienst: christenen belijden het geloof in één God. De christenen geloven dat Jezus de zoon van God is en de messias (Hebreeuws; in het Grieks christos) die voorspeld en aangekondigd werd in het Oude Testament. Het christendom is een wereldgodsdienst. De term christenen voor aanhangers van het christelijk geloof werd voor het eerst gebruikt in Antiochië,[1] en is gebaseerd op het feit dat het geloof in Jezus Christus centraal staat in het christendom.

In de loop der tijd zijn binnen het christendom een ‘westerse’ en een ‘oosterse’ traditie ontstaan. Tot de westerse traditie behoren het rooms-katholicisme en het daaruit ontstane protestantisme. Tot de oosterse traditie behoren enerzijds de oriëntaals-orthodoxe kerken die afstand namen van het Concilie van Chalcedon (451), de oosters-orthodoxe kerken, die ontstaan zijn na het schisma van 1054 en die theologisch nauwelijks afwijken van het rooms-katholicisme, en de oosters-katholieke kerken, die geünieerd zijn met Rome. Al deze tradities onderschrijven de canones van het Concilie van Nicea.

Geloofsinhoud
Volgens de christelijke leer heeft God Zijn eniggeboren Zoon Jezus naar de wereld gezonden om de mensheid te bevrijden van de zonde.

Christenen geloven, naar de traditie van het jodendom, in de God van Abraham, Isaak en Jakob, de 'Ik zal zijn die Ik zijn zal' (Exodus 3:14 NBV), de schepper van hemel en aarde, die transcendent en tegelijkertijd immanent is. Verder geloven zij dat de zonde met de zondeval in de wereld is gekomen en dat ieder mens zondig is. Zij geloven ook dat de zonde een scheiding brengt tussen God en de mens, dat de enige manier om weer met God in het reine te komen het geloof is in het 'volbrachte werk van Jezus', zijn lijden en sterven aan het kruis, waarbij hij als de volmaakte mens en Zoon van God de schuld van mensen op zich nam en hen weer met God verzoende. Tot de kern van het christelijke geloof behoort ook het geloof in de lichamelijke opstanding en wedergeboorte van Jezus uit de dood, zijn hemelvaart en zijn terugkomst naar de aarde.

Het geheel van de levensverhalen over Jezus wordt ook wel het evangelie genoemd. Velen zien dit daardoor als het essentiële element van het christelijk geloof. Het evangelie bestaat uit de eerste vier Bijbelboeken van het Nieuwe Testament: Marcus, Mattheus, Lucas en Johannes. Dit zijn vier biografieën die zijn opgesteld op eenvoudige wijze, in de eerste 150 jaar na Christus. Veel geleerden menen dat de eenvoudige schrijfstijl, grote hoeveelheid manuscripten en (archeologisch) controleerbare feiten erop duiden dat de evangeliën betrouwbare verslagen zijn. Wanneer men de verslagen vergelijkt met andere verslagen uit de oudheid, bijvoorbeeld over het leven van Alexander de Grote, zijn de verslagen over het leven van Jezus betrouwbaarder.[2]

Jezus zelf zei dat het belangrijkste goddelijke gebod is: Heb God lief boven alles en uw naaste (de medemens) als uzelf. Een belangrijke boodschap in de evangeliën is dan ook het helpen van de medemens, het klaarstaan voor elkaar en het niet veroordelen van anderen om hun opvattingen, gedrag of uiterlijk.

De rooms-katholieke Kerk legt de nadruk niet alleen op het gezag van de Bijbel als woord van God, maar ook op de traditie. De Kerk speelt een heilsbemiddelende rol tussen God en mens. Het gebod van eenheid in het geloof vindt binnen het katholicisme uitdrukking in de taak van de hiërarchie.

De protestants-christelijke traditie benadrukt drie kernwaarden: Sola gratia (alleen door genade), Sola fide (rechtvaardiging door geloof alleen en niet door 'werken der wet') en Sola scriptura (alleen het woord van God (de Bijbel)) als gezaghebbend. In de protestantse kerken bestaat geen equivalent van de Paus als teken van eenheid. De rol van kerkelijke ambtsdragers is verkondigend en pastoraal, maar niet sacramenteel. Ook het belang dat gehecht wordt aan en de theologische invulling van de sacramenten is bij het protestantisme anders dan bij de rooms-katholieke Kerk. Een voorbeeld is de katholieke en oosters-orthodoxe eucharistie tegenover het protestantse Heilig Avondmaal.

Op schrift gestelde geloofsbelijdenissen speelden altijd een belangrijke rol in het christendom. Er zijn in de loop der eeuwen verschillende varianten van ontstaan. De geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel wordt vooral in de rooms-katholieke Kerk gebruikt. Naar het eerste woord van de Latijnse tekst ervan wordt hij daar vaak Credo genoemd. Een kortere versie ervan is de apostolische geloofsbelijdenis, ook wel Apostolicum of de Twaalf artikelen des geloofs genoemd. Deze wordt vooral in de protestantse kerken gehanteerd, hoewel daar tegenwoordig – vooral in wat meer liturgisch vormgegeven diensten – ook wel de Niceaanse geloofsbelijdenis wordt gebruikt. Daarnaast is er nog de geloofsbelijdenis van Athanasius, die veel meer nadruk legt op de drie-eenheid. (Bron Wikipedia)

Jezus

De historische Jezus
Tweeduizend jaar geleden reisde een man genaamd Jeshua Ben Josef als reizend predikant door de woestijn van Judea. Jeshua betekent 'hij zal verlossen' of 'God helpt'. Over zijn leven zijn tegenwoordig nauwelijks betrouwbare gegevens bekend; alleen koningen en belangrijke politici lieten annalen, schriftelijke levensverhalen, achter. Jezus werd geboren als zoon van de timmerman Jozef in Nazareth, een klein plaatsje in Galilea, dat toen 200-300 inwoners telde. Zijn moeder heette Maria en was volgens het evangelie een maagd. Men gaat er tegenwoordig vanuit dat het gaat om een symbolisch motief van de verheffing, omdat er sprake was van een kind van God. De geboorte is te dateren in ongeveer het jaar 4 v.Chr., omdat de geboorte van Jezus samenvalt met het regentschap van Herodes. Het was een economisch zware tijd waarin veel mensen vreesden voor hun vrijheid, omdat ze veelal gebukt gingen onder hoge schulden. Wie deze niet kon betalen, liep het gevaar schuldslaaf te worden.
Herodes stierf vier jaar voor de nieuwe tijdrekening. Deze werd in de 6e eeuw voor het eerst gebruikt door de Romeinse monnik Dionysius Exiguus. Zij begon met de geboorte van Christus en markeert hiermee tot op heden het middelpunt van de hele christelijk georiënteerde cultuur.

De evangeliën berichten
De vier evangeliën bevatten de meeste informatie over het leven van Jezus. Ze doen dat niet zozeer in de vorm van historische verslaglegging als wel in de vorm van geloofsgetuigenissen - verklaringen over de invloed die het leven en de leer van Jezus op de mensen had. Ze moeten daarom in de context van de geschiedenis van het jodendom ten tijde van de le eeuw worden gelezen. Er valt dan enige informatie over de persoon Jezus uit te halen:
Jezus was het kind van joodse ouders en sprak clan ook Aramees. Zijn geboortejaar is het sterfjaar van Herodes, terwijl zijn geboorteplaats, Nazareth, van geen enkele politieke betekenis is. Jezus was de eerstgeborene van zijn moeder Maria en hij had ook broers en zussen.

Jeugd en eerste optredens
Men neemt aan dat Jezus net als zijn vader het ambacht van timmerman leerde. Zeker is dat hij de religieuze geschriften en ook de eisen van de farizeeërs kende. In die tijd trokken talrijke reizende predikanten door het land, die de duivel uitdreven, wonderen verrichtten en het geloof in een messias voedden. Deze messias was een koning uit de stam van David, die betere tijden zou bewerkstelligen en het volk Israël van de onderdrukking zou verlossen.
Ook Jezus geloofde in het naderende rijk van God. Door Johannes, een reizende predikant, werd Jezus in de Jordaan gedoopt - een ritueel dat het overleven in het al snel aanbrekende
rijk van God zeker moest stellen. Het schijnt dat hij een discipel van Johannes de Doper werd.
Op zijn dertigste begon Jezus zelf te prediken, nadat Johannes, die de aandacht van de Romeinen had getrokken, terecht was gesteld. jezus' leer verbreidde zich snel, omdat deze tegen de Romeinse bezettingsmacht was gericht en het volk met nieuwe hoop vervulde. Jezus richtte zich op het jodendom van zijn tijd en bevestigde dat God zich in de vijf boeken tot Mozes had gericht. Zijn leer ging echter nog verder. Rondom het Meer van Galilea trad hij openlijk op en kreeg hij steeds meer aanhangers, die hem volgden. In tegenstelling tot de farizeeërs, die zeer trouw aan de wet wilden zijn en probeerden de wetten die Mozes van God had ontvangen tot in detail uit te leggen en op te volgen, legde Jezus de nadruk op het zelfstandig denken en interpreteren van de Schrift.

De wet wordt opnieuw geïnterpreteerd
Jezus probeerde het blind opvolgen van wetten te ontmoedigen. Hij zag in dat God en ook het geloof achter een wetscodex dreigden te verdwijnen, die intussen uit meer dan 600 losse voorschriften bestond. Daarom begon hij de wet opnieuw te interpreteren en deels ook te ontkrachten - en wel met de door hem overgeleverde gedachte: "De sabbat is er voor de mens, de mens niet voor de sabbat" (Marcus 2:27). Jezus verspreidde het beeld van een god die de mensen niet beoordeelt op grond van hun wereldlijke status, maar naar de manier waarop ze zich ten opzichte van hun naasten gedragen. Het gebod zijn vijanden lief te hebben (een van de centrale boodschappen van de Bergrede) wordt weliswaar erkend als een soort oproep om de vicieuze cirkel van geweld en tegengeweld te doorbreken, maar wordt niet door iedereen echt begrepen en overgenomen. De ideeën van de reizende predikant fascineerden de mensen enerzijds, maar anderzijds stonden ze er ook kritisch tegenover.

Een explosieve leer
Jezus verspreidde revolutionaire ideeën en predikte liefde als gebod. Volgens hem waren alle mensen gelijk; de koning, de bedelaars en de slaven. Maar de wereld was nog Romeins en verschillen in stand en zelfs het houden van slaven waren aan de orde van de dag. De vrijheid die Jezus predikte, bevatte maatschappelijke conflictstof en ideeën die de gevestigde orde op zijn kop zouden zetten. Geboden als "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf' konden nauwelijks rekenen op goedkeuring van de heersende klasse in een maatschappij die was gebaseerd op de onderdrukking en uitbuiting van onderworpen volken. Bijzonder duidelijk werd dat in de Bergrede (Mattheus 5-7): de gedachte van gelijkheid voor God gaf de mensen nieuwe hoop. Armen en zieken, bedelaars en degenen die tot de onderste lagen van de maatschappij behoorden, zagen een toekomst in het rijk van God dat Jezus predikte.

Jezus, de verwachte Messias
De mensen verlangden ernaar bevrijd te worden van de Romeinse bezettingsmacht en de daarmee gepaard gaande hoge belastingen. En daarom geloofden ze in Jezus hun Messias te hebben gevonden en tegelijkertijd de zoon uit de familie van koning David, die hun de vrijheid zou brengen. Want koning David had van God de belofte gekregen dat de heerschappij in handen van zijn nakomelingen zou blijven - en van de familie van Jezus werd gezegd dat deze tot de nazaten van David behoorde.

Jezus wordt gekruisigd
Jezus bezegelde zijn lot toen hij, waarschijnlijk in het jaar 30, besloot om voor de Pesach (zie hoofdstuk Jodendom) naar Jeruzalem te gaan. De stad was vol pelgrims voor het feest en bood hem daardoor de gelegenheid tot een breed publiek te spreken. Maar de Romeinen merkten de oproerling uit Galilea al snel op.
Ze namen Jezus gevangen, omdat zijn preken even gevaarlijk werden geacht als slechts enkele jaren daarvoor die van Johannes de Doper. Volgens de legende verraadde een van zijn apostelen, Judas, de leraar. Jezus werd vervolgens overgeleverd aan de Romeinse stadhouder Pontius Pilatus, die hem op de toen voor opstandelingen gangbare manier, namelijk kruisiging, liet terechtstellen. De Romeinse schrijver en politicus Cicero (106-43 v.Chr.) zag in deze wijze van terechtstelling de verschrikkelijkste manier om te sterven - deze was daarom niet toegestaan voor Romeinen. De veroordeelde moest zijn kruis zelf naar de plaats van terechtstelling dragen. Jezus werd naar Romeins recht veroordeeld. Als stervensdag werd de avond voor Pesach overgeleverd. Hij stierf na enkele uren aan het kruis. Zijn begraafplaats is niet bekend, wat tot op heden tot speculaties leidt.


De oerkerk ontstaat

Van Saulus tot Paulus
Saulus (later Paulus) van Tarsus werd uiteindelijk een van de grote verkondigers van het christendom. Als wetsgetrouwe farizeeër, die bovendien een hellenistische scholing had genoten, vervolgde hij de christenen eerst. Saulus kwam uit een streek in Griekenland waar als gevolg van de diaspora zowel joden als christenen buiten Jeruzalem woonden. Hij kreeg op weg naar Damascus een visioen waardoor hij van zijn paard viel. Diep onder de indruk liet hij zich dopen en nam de naam Paulus (de kleine) aan.
Paulus begon zijn missiewerk in Klein-Azië en besloot dat heidenen zich niet eerst tot het jodendom hoefden te bekeren om christen te worden. Veel geschriften die tegenwoordig tot de oudste documenten van het christendom behoren, zijn van hem afkomstig. Oorspronkelijk waren ze gericht aan de christelijke gemeenten. Hij missioneerde rond de Middellandse Zee, waar de gemeenten van de jaren eerder gevluchte Grieken nu welkome ontmoetingscentra voor hem waren. Uiteindelijk zag hij zich gedwongen de wetscodex van de Hebreeuwse Bijbel volledig af te wijzen. Als reden noemde hij het nieuwe verbond dat God via Jezus met de mensen had gesloten. Hij herinterpreteerde de wet van de liefde. Volgens hem was iemand die de wet van de liefde volgde niet noodzakelijk gebonden aan de wereldlijk-traditionele wet van de Thora. God had alle volken in zijn nieuwe verbond opgenomen, niet alleen de joden.
Door de grote invloed van Paulus ontstond er een breuk met de joods-christelijke oergemeente. De nieuwe vrijheid in het geloof vergrootte de doelgroep voor de boodschap van de liefde met alle tot dan toe ongelovige heidenen. Daarmee werd de voorwaarde van het christendom geschapen zich onder andere culturen te verspreiden.

Verspreiding van het christendom
Het christendom had nu de kans zich los te maken van zijn joodse oorsprong en te bewijzen dat het als zelfstandige religie kon bestaan. Als basis greep het net als voorheen terug op
de Heilige Schrift van de joden, maar de leer gaat nu veel verder. In Jezus Christus zien de oerchristenen de stichter van hun religie. Hij is de Messias, de gezalfde, die zich in de gedaante van de reizende predikant Jezus heeft getoond. Hem willen ze vanaf nu volgen.

De dood van Paulus en de vernietiging van de tempel
Paulus trok verder tot hij in het jaar 64 onder keizer Nero als martelaar werd terechtgesteld.
In Jeruzalem was de regerende macht opnieuw gewijzigd en stond de farizeïsche interpretatie van de wet weer op de voorgrond. Maar Paulus had goed werk verricht. In Griekenland en vele streken rond de Middellandse Zee waren kleine christelijke gemeenten gesticht, die in contact stonden met de oergemeente in Jeruzalem en sterk genoeg waren de fatale vernietiging van de tempel in Jeruzalem te doorstaan.
Rond het jaar 62 brak er in Jeruzalem een opstand uit tegen de Romeinse bezettingsmacht die al lang van tevoren was aangekondigd. De christelijke gemeenten stonden voor de keuze of ze de joden zouden steunen of hun liefdesgebod zouden volgen. Daarmee zouden ze echter hun solidariteit met de joden opzeggen. Geen makkelijke keuze, en in deze uitzichtloze situatie besloot de christelijke oergemeente om te vluchten. Ze vestigde zich in Trans-Jordanië. De opstand eindigde in een ramp. De joodse tempel werd vernietigd en de Romeinen verboden alle joden om ooit weer  voet in Jeruzalem te zetten.

De Bijbel
De Bijbel is een verzameling van geschriften waarin mensen aangeven hoe ze hun relatie met God ervaren. Hoewel de Bijbel door mensen is geschreven, geldt hij, voor velen, als het woord van God en is het een van de centrale elementen van het christelijke geloof, dat wordt beschouwd als een 'boekreligie'. De Bijbel bestaat uit twee delen, het Oude en het Nieuwe Testament.
De boeken van het Oude Testament (uit de voorchristelijke tijd) omvatten de vijf boeken van Mozes, de boeken van de profeten en de psalmen. Het Oude Testament komt inhoudelijk grotendeels overeen met de joodse Tenach, maar de volgorde van de afzonderlijke delen wijkt af.
Het Nieuwe Testament bestaat uit de vier evangeliën (van Marcus, Mattheus, Lucas en iets later ook Johannes). Deze ontstonden in de jaren 50-70 en verhaalden over het leven van Jezus. Bovendien bevat het brieven (onder andere van Paulus) en ten slotte de Openbaring van Johannes (ook Apocalyps genoemd), een beeldende beschrijving van het Laatste Oordeel. Verder zijn er nog de zogenaamde apocryfe boeken, die niet in de canon van de christelijke boeken zijn opgenomen. Hierin is leerzame informatie te vinden over de tijd waarin en de omstandigheden waaronder de Bijbel is ontstaan, die kan bijdragen tot een beter begrip.

Septuaginta en Vulgata
Oorspronkelijk werd de Bijbel in drie talen geschreven: Hebreeuws, Aramees en Oudgrieks. Wie de Bijbel wilde lezen, moest een van deze talen beheersen of leren. Om de Bijbel toegankelijk te maken voor meer mensen, begonnen Hellenistische joden uit Alexandrië de Bijbel eerst in het Grieks te vertalen en schiepen de zogenaamde Septuaginta ('de zeventig' in het Latijn, 3e-le eeuw v.Chr.). Ze produceerden geen uniforme vertaling en enkele passages werden in vergelijking met het origineel veranderd zodat ze beter te begrijpen waren voor de Hellenistische lezer.
De Vulgata (Latijn voor 'de gebruikelijke') is de Latijnse Bijbelopvatting. Deze ontstond eind 4e eeuw als vertaling van de Hebreeuwse brontekst en stond in het Westen snel in hoger aanzien dan de Septuaginta, waar hij lang de enige geldige Bijbelversie was.
Tijdens de Synode van Dordrecht in 1618- 1619 werd besloten de Bijbel in het Nederlands te vertalen. Deze zogenaamde Statenvertaling kwam gereed in 1637.

Inleiding van de moderne bijbel
De bijbel is een bundeling van een groot aantal boeken uit het oude Israël, het antieke jodendom en het vroege christendom. Het woord 'bijbel' is afgeleid van het Griekse woord biblia, dat 'boeken' of 'geschriften' betekent. De oudste schriftelijke overleveringen in de bijbel reiken ten minste terug tot de achtste eeuw v.Chr., de jongste geschriften zijn waarschijnlijk geschreven aan het begin van de tweede eeuw n.Chr. Voor joden en christenen is de bijbel een heilig boek dat voor hen persoonlijk grote betekenis heeft en dat in kerk en synagoge een centrale plaats heeft. In de westerse cultuur speelt de bijbel al eeuwenlang een belangrijke rol; zijn invloed is op vele maatschappelijke terreinen aanwijsbaar en bijbelse thema's komen onder meer voor in de schilderkunst, de muziek en de literatuur.
Het eerste gedeelte van de bijbel bestaat uit boeken uit het oude Israël en het vroegste jodendom. Deze boeken zijn in het Hebreeuws en Aramees geschreven. Voor joden vormen deze boeken samen hun bijbel, Tenach. De titel Tenach is gevormd uit de beginletters van de drie delen waaruit de bijbel volgens de joodse traditie bestaat: Tora ('Wet'). Neviiem ('Profeten') en Ketoeviem ('Geschriften'). Aan het eind van de eerste eeuw n.Chr. lag min of meer vast welke boeken tot de joodse bijbel behoorden. In de christelijke traditie wordt dit gedeelte van de bijbel het Oude Testament genoemd. Die titel werd in de vroege kerk gebruikt om aan te geven dat deze boeken hoorden bij de eerste periode van de geschiedenis, de tijd voor de komst van Jezus.

In deze editie van de bijbel is, zoals in veel andere vertalingen, voor een indeling gekozen die teruggaat op de Septuaginta, de oudste Griekse vertaling van de joodse bijbel. Het Oude Testament begint dan met de boeken van de wet, waarin onder meer verhalen te vinden zijn over de oergeschiedenis van de mensheid, het ontstaan van het volk Israël en de wet die God aan Israël gegeven heeft. Daarna volgen de historische boeken, waarin de verdere geschiedenis van Israël verteld wordt. Na een vijftal poëtische boeken sluiten de profetenboeken het Oude Testament af.

In het Oude Testament is een keur aan literaire genres te vinden. Er is proza en poëzie, er zijn wetten en wijsheidsboeken, lofprijzingen en klaagliederen, profetische aanklachten en visioenen. Ook binnen boeken kunnen verschillende tekstsoorten voorkomen: zo zijn er bijvoorbeeld in verhalende boeken vaak ook gedichten te lezen.

Het tweede gedeelte van de bijbel bestaat uit boeken van de eerste christenen. De boeken zijn, naar men meestal aanneemt, tussen ca 50 en 130 n.Chr. in het Grieks geschreven. Deze verzameling boeken wordt gewoonlijk het Nieuwe Testament genoemd. Die titel werd in de vroege kerk gebruikt om aan te geven dat deze boeken hoorden bij een nieuwe periode van de geschiedenis, de tijd vanaf de komst van Jezus. In het Nieuwe Testament staat de persoon Jezus Christus centraal. Hij vormt het hart van het christendom: christenen geloven dat met zijn komst de geschiedenis een keer heeft genomen en God een nieuwe relatie met de mensheid is aangegaan. In de loop van de tweede en derde eeuw n.Chr. kwam min of meer vast te liggen welke boeken tot het Nieuwe Testament behoorden.


Centrale aspecten van de christelijke theologie

De zondeval
Een centraal thema in de theologie van het christendom is de kwestie van de zondeval en de daardoor ontstane erfschuld. Belangrijk voor het begrijpen van de erfzonde in de christelijke zin is dat de mens zich door zijn daad - Adam en Eva zijn hier vertegenwoordigers van de mens - van God heeft verwijderd.
Een uitweg uit deze erfzonde ziet de christelijke kerk in de kruisdood van Jezus Christus, waardoor de mens weer in de toestand van de verlossing kan treden en met God wordt verzoend. Voor Luther is de mens vanaf het begin slecht en in staat te zondigen. Hij leeft gescheiden van God en heeft diens erbarmen nodig. De grote kerkgeleerde Augustinus verklaarde dat de mens niet zou kunnen kiezen tussen goed en kwaad zonder de erfzonde. In zoverre is de erfzonde, zoals de filosoof Immanuel Kant (1724-1804) het later formuleerde, een beslissend moment op de weg van de mens naar mondigheid (verantwoordelijkheid voor het eigen handelen).

De Bergrede
Of Jezus werkelijk voor honderden mensen een preek op een berg nabij Jeruzalem heeft gehouden, zoals dat bij Mattheus en Lucas is na te lezen, wordt tegenwoordig wel in twijfel getrokken. De theologie gaat er meer vanuit dat de bron voor de tekst een samenvatting vormt van meerdere preekideeën van Jezus. De Bergrede (Mattheus 5-7; Lucas 6:20-47) vat de wezenlijke ideeën van de religieuze boodschap van Jezus samen en heeft vanaf het begin van het christendom door zijn ongewone en niet te evenaren eisen, pregnante en paradoxale formuleringen, radicaliteit en onverzettelijkheid indruk gemaakt op de mensen: "Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden" (Mattheus 5:10; 5:7). Deze zogenaamde zaligsprekingen zijn geformuleerd als morele voorwaarden, waarbij gerechtigheid de voornaamste plicht van de mensen is. "Aan de vruchten herkent men de goeden en de slechten" (Mattheus 7:16). Volledige toewijding aan God en streven naar Gods rijk is de taak van de gelovige, die niet zal oordelen, opdat hij niet beoordeeld wordt (Mattheus 7:1). De Bergrede maant de mensen het niet bij lege woorden te laten, maar door hun leven getuigenis te geven van God.

De Apocalyps van Johannes
De Apocalyps van Johannes, zijn visionaire 'openbaring', werd in sterk symbolische beelden geformuleerd en vormt het einde van het Nieuwe Testament. Het is het enige volledig profetische boek in het Nieuwe Testamenten beschrijft het laatste gericht waarop de christenen sinds de hemelvaart van Jezus wachten. Zelfs de Bergrede kan niet goed worden begrepen zonder het aspect dat Jezus telkens weer benadrukte: "Het rijk van God is nabij." De vroege christenen waren in afwachting van dit rijk.

Bijbelonderzoekers gaan er vanuit dat de Apocalyps een geschrift is dat de eerste christenen tijdens de vervolgingen troost moest bieden. God zal vreselijk recht spreken over degenen die niet geloven. Zijn engelen zullen de misdadigers straffen: "En de andere engel goot zijn schaal uit in de zee en zij werd bloed als van een dode en alle levende wezens die in de zee waren, stierven" (16:3). Aan het eind laat God echter alles opnieuw ontstaan, zoals zijn profeet Johannes beschrijft: "En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan" (21: 1).
De Openbaring van Johannes is niet zo goed uit te leggen als toekomstige gebeurtenis, maar is eerder een verwijzing naar de terugkeer van God op een niet nader bepaald moment.


Het christendom wordt staatsreligie

Het geloof verspreidt zich
Tegen het einde van de klassieke oudheid werd het christendom door keizer Constantijn uitgeroepen tot staatsreligie. Er volgenden drie concilies (bijeenkomsten van bisschoppen), tijdens welke de basis van het geloof moest worden vastgelegd. De bisschoppen konden het echter niet op alle punten eens worden. Over de vraag naar de goddelijkheid van Jezus waren de meningen sterk verdeeld. Maar de kerk groeide verder. Eerst hechtte men er waarde aan afzonderlijke steden te bekeren. Als de bevolking van een stad bekeerd was, verspreidden de bisschoppen het geloof zelf naar de omliggende dorpen. Zo ontstonden op zichzelf staande administratieve eenheden, diocesen (Grieks voor provincies). De boeren namen meestal het geloof van hun grondheer over. Zeer invloedrijke bisschoppen werden in de oostelijke gebieden patriarchen en in Rome paus (Latijn 'pater' - 'vader') genoemd. De Romeinse bisschoppen hechtten veel waarde aan het vergroten van hun invloedsgebieden. Ze bekeerden veel leden van de bovenste lagen van de bevolking, wat hun veel aanzien en invloed in het Romeinse Rijk bezorgde. Omdat de Romeinse gemeenteleden zeer vermogend waren, konden ze het zich veroorloven andere gemeenten financieel te steunen.

Het eerste oecumenische concilie
De patriarchen uit het Oost-Romeinse Rijk zagen in de zich uitbreidende macht van de Romeinse gemeenschap een bedreiging van hun beslissingsvrijheid. Aan de strijd tussen het Oost- en het West-Romeinse Rijk kwam plotseling een einde toen Constantijn in 312 het leger van Maxentius versloeg en zo het hele Romeinse Rijk beheerste. Het jaar daarop zorgde hij voor de wettelijke gelijkstelling van het christendom aan andere religies en begon hij kerken te bouwen. Constantijn hoopte dat het christendom voor stabiliteit zou zorgen in zijn nieuw gewonnen rijk en probeerde de christelijke kerk een centrale organisatie op te leggen. Maar de verschillende leren hadden zich inmiddels zo ver van elkaar verwijderd dat ze niet zonder meer met elkaar in overeenstemming te brengen waren. Om de dreigende splitsing van het christendom te voorkomen riep de keizer in 325 een concilie bijeen, waarbij alle 1800 bisschoppen over een uniforme geloofsbelijdenis zouden beslissen. Maar slechts zo'n 300 bisschoppen namen deel aan deze eerste discussie over de christelijke leer sinds het apostelconcilie in Jeruzalem. Ze ging de geschiedenis in als het eerste oecumenische (universele) concilie in Nicea. Een van de omstreden discussiepunten vormde het ware wezen van Jezus - de vraag of Jezus een door God geschapen wezen, dus sterfelijk, of goddelijk en daarmee onsterfelijk was. Men besloot tot het laatste en voegde de Heilige Geest eraan toe, zodat er van nu af aan een heilige drie-eenheid bestond. Bovendien werd tijdens het eerste oecumenische concilie de datum van het paasfeest vastgelegd. Hoewel bijna alle bisschoppen de geloofsbelijdenis ondertekenden, bleef de kerk sterk verdeeld.

 

Rome en Constantinopel - twee geloofscentra
De twistpunten over celibaat, cultus en geloofsvragen bleven bestaan tussen de Byzantijnse en de Romeinse bisschoppen. Ze leidden ten slotte tot een scheiding van het Grieks sprekende Oost-Romeinse Rijk en het Latijn sprekende West-Romeinse Rijk. Er vormden zich twee kerkelijke centra - voor de katholieken bleef dit Rome, voor de orthodoxen werd Constantinopel (het huidige Istanbul) het kerkelijk middelpunt. In het Byzantijnse Rijk, zoals het Oost-Romeinse Rijk nu ook wel werd genoemd, bleef de monarch tot de 15e eeuw leider van de kerk en kon zo invloed uitoefenen op wereldlijke en geestelijke kwesties. Maar ook binnen de orthodoxe kerk ontstond weer een scheuring, waaruit onder andere de koptische kerk van Egypte voortkwam. In 1453 veroverden de moslims Constantinopel en stapten vele orthodoxen over naar de islam. De orthodoxen ondernamen daarop pelgrimstochten naar het noorden en oosten van Europa en schiepen tijdens hun missie het cyrillische schrift voor de Slavische talen. Met een schrift dat de taal kon weergeven, was het veel eenvoudiger om de heilsboodschap van de Bijbel te verspreiden. Het politieke en religieuze orthodoxe centrum verplaatste zich eerst naar Kiev en daarna naar Moskou, waar het christendom in de 9e eeuw tot Russische staatsreligie werd uitgeroepen. Aangezien alle orthodoxe gebieden met uitzondering van Rusland onder islamitische heerschappij waren gevallen, nam de bisschop van Moskou uiteindelijk de titel van patriarch aan.

De Romeinse paus neemt de hele kerk over
Ook het roomse pausdom werd machtiger. De Romeinse bisschop nam alle westelijke gebieden over. Missiewerk tot op de Britse eilanden bezorgde de kerk een grote schare aanhangers en bovendien veel grondbezit - vaak door royale giften van de landheren. Het pausdom bezat weldra genoeg macht om zelfs sterke heersers te beteugelen. Paus Bonifatius VIII probeerde aan het eind van de 13e eeuw zelfs de hele wereldlijke macht aan de kerk te onderwerpen. Daardoor ontstond er bijna een verenigd christendom. De afzonderlijke landen ontwikkelden in dezelfde tijd echter voor het eerst nationalistische gevoelens, die tijdens de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk (die rond 1337 begon) zelfs tot een splitsing van het pausdom zouden leiden.

De oriëntaalse kerk
Onder het begrip 'oriëntaalse kerk' werden vroeger de kerken van het oostelijke christendom verstaan, die in de 5e en 6e eeuw ontstonden. Een van de nog bestaande oriëntaalse kerken is de koptische kerk in Egypte. De kopten scheidden zich na de verbanning van de patriarchen van Alexandrië af van de katholieke kerk en staan sindsdien dicht bij de orthodoxe kerk. Ze geloven niet dat Jezus God en mens tegelijk zou zijn. Tegenwoordig zijn er ongeveer drie miljoen kopten, vooral in Egypte, Soedan, Zuid- en Oost-Afrika, Palestina en Zuid-Amerika.


De heilige drie-eenheid
De triniteit - een tegenspraak?
Het christendom verenigt de geloofsvorm van het monotheïsme met de voorstelling van een drieledige God, die onder te verdelen is in Vader, Zoon en Heilige Geest. Deze paradox leidde in de geschiedenis telkens weer tot problemen. Op het Concilie van Nicea (312) werd deze kwestie nader toegelicht. Eén opvatting van de drie-eenheid was dat Vader en Zoon twee verschijningsvormen van God waren.
Jezus werd daarin dus met God gelijkgesteld. Volgens een andere opvatting was Jezus ondergeschikt aan de Vader, God. Men kon het echter niet met elkaar eens worden. Ging het eerst alleen om de vraag naar de positie van de Vader en de Zoon, gedurende de strijd discussieerde men ook over het wezen van de Heilige Geest. Toch kon Augustinus, begin 5e eeuw, de triniteitsleer vastleggen door terug te grijpen op de idee van de incarnatie en de Vader, de Zoon en de Heilige Geest uit te leggen als drie verschijningsvormen van God. In de westelijke kerk wordt de heilige drie-eenheid op de zondag na Pinksteren gevierd, in de oostelijke kerk valt Pinksteren samen met de zogenoemde Drievuldigheidsdag.

Maria, de Heilige Moeder
Volgens de overlevering ontving Maria (Hebreeuws Mirjam) als maagd het goddelijke kind Jezus, nadat een engel haar had verteld dat ze een kind zou krijgen. Maria leefde met haar man Jozef in Nazareth. In het Nieuwe Testament zijn passages te vinden waarin ze genoemd wordt, vooral in het evangelie van Lucas. Ze krijgt na Jezus nog meer kinderen:
Jacobus, Jozes, Judas en Simon en minstens twee dochters. Maria wordt ook 'Moeder Gods'
of 'Heilige Maagd' genoemd. In de Mariaverering worden eveneens heidense geloofsvoorstellingen betrokken, waarin een 'heilige moeder" als symbool van de vruchtbaarheid en de vernieuwing van het leven voorkwam. In de katholieke kerk is Maria de meest vereerde heilige en beschermheilige van de kerk. Veel katholieke feestdagen beschrijven haar leven en laten haar belang voor de kerk zien.

Bij de protestanten wordt Maria alleen als de moeder van Jezus vereerd, maar heeft ze niet de status van heilige.


Christelijke feestdagen

De binnen het christendom ontstane jaarlijks terugkerende feesten beschrijven op een na het leven van Jezus: zijn geboorte (Kerst), zijn doop (Epifanie in de orthodoxe gebieden, Driekoningen in het Westen), Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren - het neerdalen van de Heilige Geest op de apostelen (waarmee de oorsprong van de kerk wordt weergegeven). Goede Vrijdag en Pasen vinden ongeveer gelijktijdig met de joodse Pesach plaats en ook Pinksteren en Hemelvaart kennen parallellen met joodse feesten. De doop veranderde van een ritueel ter opname in een religieuze gemeenschap in een gebruik dat de opname in de roomse maatschappij op zich moest symboliseren. De officiële opname in deze gemeenschap begint nog altijd met de doop. Aan de eucharistieviering, het Avondmaal, mogen alleen degenen deelnemen die een religieuze vorming achter de rug hebben. In de katholieke kerk eindigt deze met het vormsel, een ritueel dat de definitieve opname in de gemeenschap symboliseert.

Pasen - Het feest van de wederopstanding
Pasen wordt beschouwd als het belangrijkste feest van de christenen, waarbij de kruisiging
en wederopstanding van Jezus als mysterie worden gevierd. Pasen wordt berekend ten opzichte van de lentemaan, zodat het feest niet altijd op dezelfde datum valt, maar wel altijd omstreeks maart of april. Aan het feest gaat een veertig dagen durende vastentijd vooraf. Tegenwoordig hebben christelijke gebruiken zich gemengd met heidense. Het feest van de herrijzenis van Christus valt qua tijdstip samen met het ontwaken van de natuur in de lente. Naar oude traditie wordt dit gevierd met vruchtbaarheidssymbolen zoals kippen, eieren en hazen. Vooral kinderen houden van dit feest.

Hemelvaart en Pinksteren
Veertig dagen na Pasen wordt Hemelvaart gevierd en tien dagen later Pinksteren. Met dit feest wordt het op aarde neerdalen van de Heilige Geest en daarmee de oorsprong van de kerk herdacht. Het feest duikt voor het eerst in 130 op. Met Pinksteren zijn verschillende streekgebonden gebruiken ingeburgerd geraakt (bijvoorbeeld een versierde Pinksteros). Hemelvaart valt van oudsher altijd op een donderdag en beschrijft het opstijgen van Jezus naar de hemel zonder een lichaam achter te laten. Hemelvaart is een officiële feestdag in onder andere Nederland, België, Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland.

Sacramentsdag
Begin juni ten slotte, tien dagen na Pinksteren, volgt het feest Sacramentsdag, dat in 1264 voor het eerst werd gevierd. Op deze dag wordt gevierd dat Christus zich in de gedaante van brood en wijn aan de gelovigen wil geven. Op Sacramentsdag vinden processies plaats. De monstrans met een hostie wordt door de straten gedragen en in veel plaatsen nemen er communiekinderen in hun witte jurken en nette pakken aan deel. Aan vier in de openlucht opgestelde altaren worden voorbeden gebeden, waarmee voor een bepaalde persoon om de hulp van God wordt gevraagd. De priester verleent de zegen van God. Volgens de huidige interpretatie van Sacramentsdag, die in sommige landen een officiële feestdag is, worden de katholieken beschouwd als 'zwervend godsvolk' met Christus, het 'brood van het leven', in hun midden. In Nederland en België is Sacramentsdag geen officiële feestdag, maar in delen van Duitsland wel.
Op het Concilie van Trente (1545-1563) werd Sacramentsdag als machrsuiting tegenover het protestantisme beschouwd. Daarna ontstonden in sommige gemengd-confessionele gebieden - zoals in Zwitserland - provocerende acties van protestantse boeren: ze reden uitgerekend op deze dag hun mest uit naar het land. De katholieke boeren namen daarop wraak door precies hetzelfde te doen op Goede Vrijdag.

Allerheiligen, Allerzielen
Op 1 november viert de katholieke kerk de gedenkdag van de heiligen (in sommige landen een officiële feestdag). Het feest werd als een soort gezamenlijk feest voor alle heiligen ingevoerd. In de orthodoxe kerk ligt de datum voor dit feest een week na Pinksteren. In de VS wordt de avond voor Allerheiligen 'All Hallows Eve' oftewel Halloween gevierd, waarbij kinderen verkleed in enge kleren langs de deuren gaan en "trick or treat" roepen. Ierse immigranten brachten dit Keltische feest, dat nu ook wel bij ons wordt gevierd, in de 19e eeuw naar de VS. Een dag na Allerheiligen is het Allerzielen, de gedenkdag van de overledenen. Van oudsher worden met Allerzielen de graven versierd. Op veel graven branden kaarsjes.

Sint-Maarten
Op 11 november is het Sint-Maarten. Kinderen trekken met lampionnen door de straten, bellen bij de huizen aan en zingen een liedje. Als beloning krijgen ze snoep. Dit is een oude traditie die teruggaat op de heilige Martinus van Tours (317-397), die zijn mantel deelde met een bedelaar. Op Sint-Maarten werd van oudsher de tiend, een vorm van belasting, aan de grondheer voldaan.

Kerstmis
In de winter vieren de christenen ten slotte de geboorte van Jezus met het kerstfeest. Omdat de exacte datum van de geboorte van Jezus onbekend is, bepaalde men dat deze op de geboorte van de zonnegod op 24 december en de dag daarop zou worden gevierd.
Met Kerst wordt de vleeswording van God in zijn 'zoon' Jezus gevierd. Tegenwoordig is kerst vooral een familiefeest waarbij men elkaar cadeautjes geeft en met de hele familie bijeenkomt. In Nederland zijn 25 en 26 december officiële feestdagen en in België geldt dat alleen voor 25 december. Sinds 336 is 25 december een kerkelijke feestdag. Met Kerst zetten mensen een versierde kerstboom in de kamer en komt de kerstman, die kinderen cadeautjes geeft.
In sommige (Noord-Europese) regio's zijn bovendien gebruiken bekend waarbij Kerst wordt gecombineerd met het oud-Germaanse Joel of Midwinterfeest tijdens de winterzonnewende. In de vier weken voor Kerst, Advent, zingt men elke zondag bij de adventskrans en wordt telkens een kaars extra aangestoken, tot tenslotte op de vierde zondag van Advent alle vier de kaarsen branden.
De orthodoxe kerk viert Kerstmis op 6 januari (in de katholieke kerk het feest van de heilige Driekoningen; zie Mattheus 2:1-12).


Christelijke mystiek

Wat is mystiek?

Het begrip mystiek (Grieks 'myein' - 'ogen en lippen sluiten') heeft betrekking op manieren waarop de mens de hoogste werkelijkheid probeert te ervaren. Men verstaat daaronder de directe beleving van een goddelijke ervaring - en de grote religies der mensheid hebben in hun theologische ontwikkeling ook altijd mystieke takken voortgebracht. Omdat mystieke ervaringen niet voor iedereen te begrijpen zijn, hebben ze van oudsher al iets verholens en geheimzinnigs. Maar terwijl bijvoorbeeld de yogi in Aziatische culturen probeert zichzelf te vergeten en zo tot dieper inzicht te komen, blijft de christen bij bewustzijn. Het gaat hem om een dialoog tussen de goddelijke waarheid en hemzelf. De christelijke mysticus beschouwt Christus als een bijzonder groot leraar. Niet zijn dood aan het kruis, maar zijn leven vormt het centrale uitgangspunt voor de christelijke mystiek. Deze ziet in Jezus een ingewijde, die de geheimen van het leven begrepen en rechtstreeks ervaren heeft. Jezus geldt daarom als een voorloper op de weg die ook de mysticus wil gaan.

De zoektocht naar de eeuwigheid
Mystici spreken zelden over hun ervaringen; iemand die de transcendentie heeft ervaren, vindt geen woorden meer om deze uit te drukken. De mysticus zoekt naar innerlijke perfectie en een weg uit het aardse, waardoor hij de kloof tussen dit leven en het hiernamaals kan overbruggen. Maar volgens de christelijke opvattingen kan hij hierin alleen slagen met de hulp van God. De christelijke mystiek noemt dit overbruggen de 'unio mystica'.

Augustinus (350-430)
De theoloog en filosoof Augustinus (Latijn voor 'de verhevene') heeft het Europese denken op een belangrijke manier beïnvloed. Hij schreef zowel theologische als wetenschappelijke geschriften. Zijn filosofie bevat elementen van Plato. Augustinus werd geboren als zoon van een vrome christin, Monica, in een Noord-Afrikaanse stad. Hij liet zich echter pas als volwassene dopen en bekeerde zich toen tot het christendom. Kenmerkend voor de latere grote kerkvader Augustinus is dat hij jarenlang een uitbundig leven heeft geleid, waarbij hij zich aan alle zonden schuldig maakte, voordat hij zich tot jezus Christus bekeerde. In 389 richtte hij op een landgoed een kloosterachtige gemeenschap op: 'servi die' (Latijn voor 'dienaar van God').
Augustinus vertegenwoordigde de idee van het dualisme van ziel en lichaam. Op zoek naar de waarheid voerde hij het denken aan als bewijs voor zijn bestaan. René Descartes (1596- 1650) pakte deze gedachte later op als "cogito, ergo sum" (ik denk, dus ik besta). Augustinus trad toe tot de traditie van de mystici toen hij de waarheid in zichzelf begon te zoeken. Hij kwam tot de conclusie dat de ultieme waarheid bij God ligt, die deze de mensen ingeeft door openbaringen. Hij zag de goddelijke drie-eenheid als drie gelijkgestelde wezens en beschouwde tijd als een puur subjectief fenomeen.

Hildegard von Bingen (1098-1179)
Hildegard von Bingen was een persoonlijkheid die zelfs in onze moderne tijd nog weet te boeien. Deze abdis van het klooster Rupertsberg bij Bingen, die als tiende kind ter wereld kwam en zichzelf beschouwde als onontwikkeld en eenvoudig, hield zich niet alleen met het geloof bezig, maar ook met politiek en geneeskunde. Met de grootste zorg zette zij oeroude kennis over kruiden en planten op papier in haar geschriften. Zij schuwde het niet om haar visoenen op te schrijven en deze met behulp van een schrijver in het Latijn te publiceren en zo aan het nageslacht na te laten. In de loop van zes jaar ontstond haar belangrijkste werk, Liber Sciuias Domini (Erken de wegen des Heren). Een blinde jongen zou ze met water, andere mensen door handoplegging hebben genezen.

Door haar enorme kennis van de geneeskunde (haar schriftelijke getuigenissen behoorden in de 12e eeuw en lang daarna tot de belangrijkste werken) werd ze al tijdens haar leven beschouwd als een 'profetes van de Duitsers' en grote mystica met bovennatuurlijke visioenen.
"Ik ben omgeven door de omarmingen van de geheimen van God," verklaarde ze en gaf aan dat ze alles wat zij van het verborgene had gezien als in een grote spiegel bij haar volle bewustzijn had aanschouwd.

Thomas van Aquino (1225-1274)
Thomas van Aquino werd in 1225 als zoon van hertog Landulf geboren. Deze stuurde hem als kind naar een klooster en ambieerde later een politieke loopbaan voor hem. Maar Thomas koos voor het monnikenleven en trad toe tot de orde van de dominicanen. Tijdens studiereizen leerde hij bij onder anderen Albertus Magnus. Hij definieerde God als het zuivere Zijn. Al het andere was slechts een deel daarvan, waarbij een boom een kleiner deel innam dan een mens. Hij schreef geschriften die van religieustheoretische en ethische, maar ook van politieke en filosofische betekenis waren. Indrukwekkend zijn zijn uitingen over godsdienstvrijheid, bijvoorbeeld: "Een mens die er heilig in gelooft dat hij God buiten de katholieke kerk vindt, kan dit weliswaar niet voor de kerk, maar wel voor God rechtvaardigen; hij moet deze beslissing tegenover zijn schepper verantwoorden."


Meester Eckhart (1260-1327)
Over het leven van Meester Eckhart is maar weinig bekend. Hij trad in 1275 toe tot een dominicanerorde. Zijn leer zag in God het proces van het leven. In zijn werk Questiones (Latijn voor 'vragen') beschrijft Eckhart het uit zichzelf treden en het in zichzelf keren van God als scheppingsproces: volgens dat proces is de schepping alomtegenwoordig en heeft ze geen einde of begin. Op elk moment vindt schepping plaats en dat is het wezen van God. Om ervoor te zorgen dat God in de mens kan worden 'geboren', moet de mens leren het materiële los te laten. Om volgens Gods wil te kunnen leven, moet hij eerst zijn eigen wil opgeven.
Verder zegt Meester Eckhart dat God het niets is, omdat er geen afbeeldingen of begrippen zijn om hem te beschrijven. Daarom zou de mensheid zich geen voorstellingen van God moeten maken. De mensen stellen zich, volgens Eckhart, God voor als een koe die kan worden gemolken - met verzoeken en wensen; maar dat zou nu juist verkeerd zijn!

Nikolaus von Kues - Cusanus (1401-1464)
Cusanus werd in 1401 geboren. Hij was een zoon van de koopman Johann Cryfftz en studeerde in Heidelberg, Padua en Keulen eerst wiskunde, fysica, filosofie, geneeskunde en rechten, en later theologie. De universele geleerde werd al snel kardinaal en kort daarop nam Cusanus een centrale plaats in de toenmalige kerkpolitiek in. Cusanus wordt beschouwd als een belangrijke filosoof uit de 15e eeuw, die door zijn filosofisch-mystieke denken de overgang van de Middeleeuwen naar de moderne tijd markeert. Hij anticipeerde op moderne natuurkundige ideeën, zoals de traagheidswet en de aardrotatie, 'Der Cusaner', zoals men hem respectvol noemde, zag God als 'coincidentia oppositorum' - als het overeenkomen van tegengestelde zaken. Rationeel kon God daarom net zo min worden begrepen als het universum. Elke religie zou slechts een bepaald aspect van de hele goddelijke waarheid weerspiegelen, omdat God, in wie alle tegenstellingen verenigd zijn, slechts in deelaspecten kan worden gevat. Voor de Middeleeuwen was dit een ongehoorde en moedige gedachte.

Geloof in het hiernamaals

Wachten op het Laatste Oordeel
Het eigenlijke levensdoel van een christen is een leven zonder zonden te leiden en als beloning daarvoor na de dood eeuwig bij God te leven. Dit leven zou zich in de hemel afspelen, een plaats van zorgeloosheid, waarin de engelen God loven en waar de sinds de zondeval in het paradijs tot kiezen en oordelen verdoemde mens eindelijk de langverwachte rust vindt. Want ooit, toen de eerste mensen ondanks het goddelijke verbod van de boom der kennis aten, werden ze voor straf uit dit paradijs verbannen.

Deze zonde - het vermogen van de mens zich tegen God te verzetten - belast de mens voortaan met een zogenaamde erfzonde, die van generatie op generatie wordt doorgegeven. Na hun dood wachten christenen in een soort dodenslaap op het Laatste Oordeel, waarbij God de gelovigen van de ongelovigen zal scheiden.

Zoon van God en mysticus
Jezus wordt beschouwd als 'incarnatie van God' en belichaamt daarmee een van de grote mysteries van het christendom. Veel leren zien in hem in de eerste plaats een voorbeeldige geleerde, die de geheime leren van de mystiek zo sterk heeft verinnerlijkt dat hij als zoon van God werd gezien. Jezus nam met zijn dood aan het kruis symbolisch de schuld van de mensen op zich. Zo bevrijdde hij de mensen van de oerzonde en vernieuwde hij het verbond dat God ooit met Mozes had gesloten. Het leven na de dood biedt de mens een nieuw perspectief. Het geeft hem de hoop dat met de dood niet alles afgelopen is.

Vagevuur en hel
Het vagevuur is volgens christelijke begrippen een plaats van loutering. De ziel krijgt op deze plaats een laatste kans zich voor te bereiden op een leven na de dood, in de hemel, en zich van zijn zonden te bevrijden. Het vagevuur is echter niet gelijk te stellen aan de hel. Volgens middeleeuwse voorstellingen is het de krater die Lucifer bij zijn val uit het paradijs heeft geslagen. Hier boeten de zondaren voor hun vergrijpen en worden ze door duivels en andere geesten geplaagd; de tegenwoordigheid van God is hier echter al te merken, maar omdat de mens zich onwaardig voelt, reinigt hij zichzelf door berouw. In de hel daarentegen lijdt de mens. Deze is in verschillende gebieden onderverdeeld, waarin de zondaren afhankelijk van de ernst van hun zonden worden gestraft.


Duistere tijden

De kruistochten
Aanleiding tot de eerste kruistocht was de verwoesting van de Grafkerk in Jeruzalem in 1009 door de islamitische machthebber al-Hakim. Palestina moest worden terugveroverd, het Heilige Land moest van de moslimheerschappij worden bevrijd en de ongelovigen moesten worden bekeerd. Onder paus Urbanus (1088- 1099) trokken veel gelovigen ten oorlog. Het lukte hen in 1099 om Jeruzalem in te nemen, maar de stad viel honderd jaar later opnieuw in handen van de moslims. De vierde kruistocht (1202-1204) was gericht tegen Constantinopel.
Het voorwendsel van de heilige missie gaf de kerk een middel in handen om tegen de hele heidense wereld ten strijde te trekken. In tweehonderd jaar tijd vonden in totaal zes grote en ontelbare kleine kruistochten plaats. Deze veranderden de politieke landkaart, leidden tot de vorming van kruisvaarderstaten in het Nabije Oosten en eisten talrijke slachtoffers onder de burgerbevolking; de bevolking van hele steden werd uitgeroeid. Bovendien had het idee van de kruisvaart verstrekkende en aanhoudende gevolgen: het bestempelde de moslims als barbaarse heidenen die gedood moesten worden. Dit vijandsbeeld bleek besmettelijk, want de eerste slachtoffers van de kruistochtpropaganda waren de joden in het Rijnland. Zo'n honderd jaar later werd opgeroepen tot kruistochten tegen afvallige christenen. Ook de Inquisitie kwam voort uit de kruistochten. Het was alsof het christendom de verwoesting van de Grafkerk als legitimatie gebruikte voor eeuwenlange intolerantie tegenover andersgelovigen en afvalligen. Miljoenen stierven door het zwaard dat in de naam van God werd gevoerd.
Bij het voeren van de kruistochten waren naast religieuze motieven ook altijd politieke en economische belangen in het spel. Duurzame successen werden nauwelijks behaald.

De Inquisitie
Godsdienst-fanatisme kwam al sinds de vroege Middeleeuwen tot uiting in de vervolging van ketters en leidde uiteindelijk tot de instelling van de Inquisitie. De grenzen tussen ketterij en geloof in heksen waren altijd al onduidelijk. Vage ideeën van pacten met de duivel en heksen die 's nachts op bezems naar de heksensabbat vliegen, veroorzaakten een ware massahysterie onder het volk, waar steeds meer mensen het slachtoffer van werden. Om folteringen tijdens de heksenprocessen te ontlopen bekenden gevangenen daden die ze nooit hadden begaan. Zo gaven ze bijvoorbeeld toe zich met vliegzalf te hebben ingesmeerd en vervolgens op een bezem naar de heksensabbat te zijn gevlogen of de koe van de buren zo te hebben behekst dat deze geen melk meer gaf. Dit soort boze tovenarij was volgens Romeins recht strafbaar. Het standaardwerk bij de heksenvervolging werd Ma/leus Maleficarum van de dominicaner inquisiteur Heinrich Institoris (Straatsburg 1487); De Heksenhamer werd de strafcodex van de rechtspraktijk in Midden-Europa en bleef tot in de 17e eeuw geleien. Proeven zoals de waterproef moesten de schuld of onschuld van de aangeklaagde bewijzen. Daarbij werd de verdachte met vastgebonden handen en voeten in het water gegooid. Zonk ze, clan was ze onschuldig. Stootte het water haar af, clan werd ze schuldig bevonden. Dit soort godsoordelen waren destijds aan de orde van de dag; de voltrekking ervan geschiedde echter steeds meer door de wereldlijke macht.


Scholastiek en humanisme
Aan het eind van de 11e eeuw ontwikkelde zich met de scholastiek een beweging die enerzijds rede en geloof in overeenstemming met elkaar wilde brengen en deze anderzijds duidelijk van elkaar wilde scheiden. De scholastiek bepaalde in de middeleeuwen in verregaande mate de filosofie en de wetenschap en is gebaseerd op het rationalisme van Aristoteles (384-322 v.Chr.), volgens wie men betrouwbare kennis over geestelijke onderwerpen kan verkrijgen door het gebruik van de rede. Thomas van Aquino (1225-1274) en Willem van Ockham (1285-1349) waren belangrijke vertegenwoordigers van de scholastiek, die van de 9e tot in de 13e eeuw bloeide en met de opkomst van het humanisme weer wegebde.

Het uit de Italiaanse renaissance voortgekomen humanisme vereiste opnieuw een studie
van schrijvers uit de klassieke oudheid en begon in grensgevallen ook in te haken op de christelijke leer. De in Rotterdam geboren Desiderius Erasmus (1466?-1536) gekit als belangrijkste humanist benoorden de Alpen.

Luther - een monnik protesteert
Meningsverschillen binnen de kerk leidden er in 1309 toe dat de paus Rome moest verlaten. Enkele jaren later was er een nieuwe paus in Rome, nadat de oude naar Avignon in Frankrijk was gevlucht en vandaaruit aanspraak maakte op het gezag over de kerk. In Italië kwam in
de 14e eeuw de renaissance tot ontwikkeling, die gericht was op het wereldlijke, huidige leven. Ruim honderd jaar later stelde de augustijnermonnik Maarten Luther (1483-1546) misstanden binnen de katholieke kerk aan de kaak. Luther werd in 1507 als jongeman tot priester gewijd en kreeg enkele jaren later een leerstoel in Wittenberg. Hij beschouwde de inspanningen van de mens om goed te doen als de belangrijkste taak van een christen - de mens kon beslissen om te kiezen voor het goede.

Misstanden binnen de kerk
De kerk en zijn hoogwaardigheidsbekleders hadden zich echter grotendeels afgekeerd van deze opdracht van de Bijbel en handelden op een manier die nog maar weinig met de oorspronkelijke leer van Jezus te maken had. In plaats daarvan streefden ze wereldlijke doelen na. Vooral op de praktijk van de aflaathandel - waarbij de wereldlijke zonden werden afgekocht met geldoffers - had Luther stevige kritiek, omdat God hierbij steeds meer op de achtergrond raakte en de kerk de plaats van de vergevende innam. Luther stelde een lijst van punten samen waarin hij kritiek uitte op de kerk. Volgens de overlevering spijkerde hij in 1517 - volgens een academisch gebruik - zijn 95 stellingen aan de deur van de slotkerk in Wittenberg. Ze kregen in de openbaarheid een verrassende bijval en luidden de Reformatie in. Modern onderzoek gaat ervan uit dat Luther deze stellingen weliswaar zelf had opgesteld, maar ze niet op deze manier openbaar had willen maken. Ter herinnering aan deze gebeurtenis vieren bepaalde protestanten elk jaar op 31 oktober het Reformatiefeest.
Door de aan het eind van de 15e eeuw ontwikkelde boekdrukkunst raakten de stellingen van Luther snel verspreid. Omdat ze volledig gegrond waren en talrijke aanhangers vonden, kwam het opnieuw tot een splitsing binnen de kerk, en wel in protestanten en katholieken. Luther reageerde niet op de door Rome geëiste herroeping van zijn stellingen, maar verbrandde openlijk de excommunicatiebul waarin hij werd gedreigd met kerkban. Hij zag het Vaticaan en het pausdom niet als iets van God, maar als mensenwerk en het miste daarom volgens hem goddelijke autoriteit. In 1521 werd Luther eerst uit de kerk verbannen en daarna vogelvrij verklaard - een wereldlijke straf die de mensen elke wettelijke bescherming ontnam.

Nieuwe wegen - de eerste Duitse Bijbel
Maar Luther had geluk. Hij kon het jaar daarop onder bescherming van keurvorst Frederik de Wijze doorbrengen in de Wartburg en nam hier als schriftgeleerde deel aan de ontwikkeling

van de Hoogduitse taal. Hij schreef ettelijke theologische geschriften en werkte aan een vertaling van het Nieuwe Testament in het Duits. Daardoor werd de Bijbel toegankelijk voor een veel grotere groep mensen, omdat men nu niet meer zoals voorheen Latijn hoefde te leren om deze te lezen.

Toen Maarten Luther stierf, liet hij een nieuwe kerk na die zich duidelijk onderscheidde van de katholieke kerk en die het woord van God centraal stelde. De katholieke kerk reageerde met een Contrareformatie, veranderde talrijke praktijken en formuleerde deze ten slotte ook opnieuw tijdens het Concilie van Trente (1545-1563).

Vrede en oorlog tussen de confessies
Met de Godsdienstvrede van Augsburg sloten de koning en de rijksstanden in 1555 vrede met elkaar. Het evangelische (protestantse) geloof was vanaf dit moment geen ketterse sekte meer, maar werd officieel als godsdienst erkend. Desondanks bleef tegen het einde van de Middeleeuwen het geloof van de grondheer bindend voor de meeste mensen. In de 17e eeuw woedde de Dertigjarige Oorlog (1618- 1648) en naast machtspolitieke conflicten vormden meningsverschillen over de confessies de achtergrond voor de oorlog - met verstrekkende gevolgen voor heel Europa.

De lutherse Bijbel - mijlpaal in de Duitse taalontwikkeling
Luthers bijbelvertaling was niet de eerste poging om de Bijbel te vertalen vanuit het Latijn in het Duits. Anderen hadden het reeds voor hem geprobeerd en waren gestrand, omdat zij in de eerste plaats het Latijn in het juiste licht wilden plaatsen. Luther ging anders re werk en dat maakte zijn vertaling tot de meest succesvolle. Deze man was een begenadigd predikant, die wist hoe hij gelovigen met zijn heldere, maar tegelijkertijd dicht bij de volkstaal liggende taalgebruik moest boeien.
Met zijn nieuwe vertaling toonde Luther aan dat het mogelijk was om alle ideeën, gedachten en gevoelens in de Duitse taal - in de 16e eeuw hoofdzakelijk de taal van het gewone volk - uit re drukken. Omgekeerd maakte Luther juist op deze manier de inhoud van de Bijbel toegankelijk voor het volk. En men mag aannemen dat het volk nu voor het eerst begreep wat er in de Bijbel stond. Bovendien vertaalde Luther niet erg letterlijk; hij probeerde Bijbelse uitspraken inhoudelijk en volgens zijn eigen interpretatie in het Duits weer te geven. Luther luisterde naar het gewone volk en gebruikte een sterk figuratieve, volkse en algemeen begrijpelijke taal. Zijn bijbelvertaling stimuleerde in belangrijke mate de ontwikkeling van de Duitse taal tot het latere (naast de dialecten) in alle Duitse landen gebruikelijke Hoogduits. Daarom noemen taalwetenschappers Luthers bijbelvertaling een mijlpaal in de geschiedenis van de Duitse taal.
Een vergelijkbare invloed op de Nederlandse taal had de Statenvertaling van de Bijbel, waartoe begin 17e eeuw op de Synode van Dordrecht werd besloten.
In 1545 bracht Luther de laatste correcties aan in zijn werk. Daarna bleef zijn vertaling eeuwenlang ongewijzigd. Pas in de 19e en 20e eeuw werden afzonderlijke passages aan het moderne taalgebruik aangepast en bijbelse namen geünificeerd.


Christelijke werken

Ora et labora - bid en werk
Alle christelijke orden zijn in principe gebaseerd op drie geloften: armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Daarnaast heeft elke orde zijn eigen orderegels vastgelegd. Mannen- en vrouwenorden stelden zich ofwel voornamelijk contemplatief, dus door meditatie en gebed, ofwel actief in dienst van de maatschappij door taken zoals ziekenverpleging en zielenzorg op zich te nemen. In de meeste orden wordt een bepaalde ordedracht gedragen, de habijt.
Een van de eerste orden was de gemeenschap van de Italiaanse Benedictus van Nursia
(480-547), waaruit later de benedictijnen voortkwamen. Vaste gebeds- en werktijden stonden centraal binnen deze gemeenschap. Van Benedictus van Nursia stamt het beroemde basisprincipe "ora et labora" - bid en werk - af, waarnaar monnikenorden nog steeds leven. Vanaf de lle eeuw ontstonden andere orden, zoals die van de franciscanen, een bedelorde, en die van de kartuizers en de cisterciënzers, allebei kluizenaarsorden. In de volgende eeuwen fungeerden de kloosters als de beschermers van de schriftelijke overleveringen van het christendom; ze bewaarden in hun bibliotheken talrijke manuscripten en kopieën van de Bijbel en andere religieuze teksten. In Duitsland werd dit monopolie pas in de 15e eeuw door Maarten Luther en de uitvinding van de boekdrukkunst doorbroken.

De jezuïeten, een katholieke orde, zijn een verschijnsel van de nieuwe tijd. Hun orde werd in 1534 gesticht en enkele jaren later door de paus goedgekeurd. De oprichting van veel gymnasia en universiteiten gaat terug op de ridderorden van de johannieters, die opvoeding
en scholing als hun levenstaak beschouwden. Ook later werden er nog christelijke orden opgericht, zoals de in 1950 door moeder Theresa opgerichte zustercongregatie van de 'Missionarissen van de Naastenliefde', die zich wijdt aan wezen, (lepra)patiënten en stervenden.

Een nieuw zelfbewustzijn - het ontstaan van kathedraalscholen
Door de geest van de renaissance en de opkomst van het humanisme groeide het zelfbewustzijn van de burgers constant vanaf het midden van de 14e eeuw; ambachtslieden lieten in hun werk verwijzingen naar de bouwer achter of beeldden zichzelf af. Symbolen en sculpturen die voor iedereen te begrijpen waren, toonden scènes uit de Bijbel. Rondom kathedralen ontstonden opleidingscentra, die tot die tijd alleen binnen de kloostermuren te vinden waren. Geleerden onderwezen op deze scholen de zeven kunsten grammatica, logica, retoriek, rekenkunde, geometrie, astronomie en muziek. Veel scholen namen daarnaast nog theologie, rechtswetenschappen en geneeskunde in hun aanbod op. Op deze manier werd het opleidingsmonopolie van de kerk voor het eerst doorbroken. Later zouden de eerste universiteiten worden opgericht. De oudste universiteit van het Heilige Roomse Rijk werd in 1348 door Karel IV in Praag gesticht en was daarmee de eerste in Duitsland. De oudste universiteit van de Lage Landen is die van Leuven (1425), de oudste Nederlandse die van Leiden (1575).


Calvinisme - het geloven in voorbestemming

Aards succes als bevestiging van een goed leven - deze gedachte, die is ontstaan uit de principes van het humanisme, is centraal komen te staan bij de calvinistische geloofsgemeenschap, een afsplitsing binnen het protestantisme. De Fransman Johannes Calvijn (1509-1564) ontwikkelde als humanist en jurist een dubbele voorbeschikkingsleer, volgens welke het lot van de mens al voorbestemd is. De verheerlijking van God zou de enige taak van de mens zijn. Daarbij zou ook voorbestemd zijn dat een deel van de mensheid tot de uitverkorenen behoort aan wie bijzonder aards succes toekomt; voor het andere deel zou eeuwige verdoemenis dreigen. Niemand kon iets veranderen aan deze voorbestemming. Hiermee een isolement geplaatst waaruit het alleen kon ontsnappen door hard te werken. Succes als zichtbaar teken van de uitverkorenheid door God leidde de mens in een nieuwe dwangpositie, want menselijke vertroostingen konden hem daaruit niet bevrijden. Hij was gedwongen te werken als hij zich zorgen maakte om zijn zielenheil. Dit gedachtegoed bezorgde een ondernemer bereidwillige werknemers. De socioloog Max Weber (1864-1920) ziet in deze calvinistische visie een van de grondslagen van het kapitalisme. Bovendien was het werken in een beroep een manier om de christelijke naastenliefde uit te oefenen (zoals Maarten Luther ook al had geschreven), en wel een die hielp een steeds doeltreffender brug te slaan tussen de religie en de opkomende kapitalistische economie: met een puriteinse, bescheiden levenswijze enerzijds en een op prestaties gebaseerde zoektocht naar succes anderzijds. Met behulp van deze twee tendensen vormde zich volgens Weber uiteindelijk de moderne 'economische mens', waarbij economisch succes, rijkdom en zelfs de ongelijke verdeling van goederen in de wereld zou kunnen worden verklaard als 'door God gegeven'.

De anglicaanse kerk

Toen paus Clemens VII (1523-43) de Engelse koning Hendrik VIII een scheiding weigerde, richtte deze kort daarna de anglicaanse staatskerk op. Hij scheidde zich af van Rome en liet zich door het parlement benoemen tot hoofd van de Engelse kerk. De anglicaanse kerk heeft sindsdien naast katholieke ook calvinistische trekken. De kerk doorstond de poging van Maria Tudor (Engelse koningin van 1553 tot 1558) het katholicisme weer in te voeren. In 1600 bepaalde Elizabeth I dat de Engelse kerk definitief anglicaans was en onafhankelijk van Rome.
De anglicaanse kerk heeft sindsdien de godsdienst grotendeels in de oude vorm gehandhaafd, net als het bisschopsambt; maar geen enkele bisschop is bevoegd beslissingen te nemen voor een ander bisdom. Toch bestaan er vier zogenaamde 'instruments of unity' (eenheidselementen): de aartsbisschop van Canterbury, de Lambeth Conference (de volksvertegenwoordiging van de anglicaanse bisschoppen), het Anglican Consultative Council (de raad van anglicaanse kerken) en de bijeenkomst van aartsbisschoppen. De anglicaanse leer vertoont veel overeenkomsten met die van de katholieke en de protestantse kerk, met name de calvinistische. Met het Britse Empire verspreidde de kerk zich over de hele wereld; de anglicaanse kerk is tegenwoordig lid van de oecumenische raad van kerken. Anders dan in de rooms-katholieke kerk werden de liturgieën al sinds de tijd van de Reformatie in de betreffende landstaal gehouden en waren daardoor voor iedereen te begrijpen. Net als in de katholieke kerk zijn er binnen de anglicaanse kerk mannen- en vrouwenorden.


Enkele andere christelijke geloofsrichtingen

Quakers - de kinderen van het licht

In 1649 stichtte George Fox ter verwerping van de Engelse staatskerk de quakers (oorspronkelijk vriendengezelschap). De naam is een spotnaam en voert terug op Fox' bewering tegenover een rechter dat hij zou "sidderen ('to quake') voor het woord van de Heer".

Quakers geloven dat er in ieder mens iets van God zit en zien iedere gelovige als mogelijke priester; er zijn zowel mannelijke als vrouwelijke priesters. Ze benadrukken de gelijkheid van alle gelovigen en bekritiseren een bandeloos bestaan. Bij beslissingen die de gemeente aangaan, wordt getracht de goedkeuring van alle leden te krijgen.
De quakers maken geen deel uit van de oecumene, maar houden wel contact met andere confessies. Ze staan bekend om hun grote sociale betrokkenheid.

Jehova's getuigen

De Jehova's getuigen komen voort uit een aan het eind van de 19e eeuw in de VS ontstane 'eindtijdbeweging' die zichzelf als christelijk beschouwt, maar  door vrijwel alle christelijke kerken niet als zodanig wordt erkend. Jehova's getuigen geloven dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God is. Zij beschouwen de 66 boeken van de protestantse canon als door God geïnspireerd en als absolute waarheid. Ze geloven dat het einde van de wereld te berekenen is. Slechts een klein deel van de gelovigen zou het hemelrijk kunnen bereiken; voor de anderen zou een koninkrijk op aarde worden gesticht. De armageddon '"' volgens de Openbaring van Johannes (16:16) de plaats en de laatste strijd tegen de God vijandige machten - zou overeenkomen met een eindstrijd tussen goed en kwaad geleid door Christus.
De religieuze praktijk van de Jehova's getuigen wordt gekenmerkt door zendingsdrift. Ze benaderen buitenstaanders persoonlijk (van huis tot huis) en verkopen het blad Wachttoren.

Mormonen - De Heiligen der Laatste Dagen

De mormonen beroepen zich op hun grondlegger Joseph Smith (1805-1844) die deze kerk in 1830 in Fayette, New York, oprichtte en het boek van Mormon als extra heilig geschrift nam. Tegenwoordig worden ze de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen (Latter-day Saints) genoemd.
Hun hoofdzetel bevindt zich in Salt Lake City, Utah. Ze zien zichzelf als christenen, maar onderscheiden zich op veel punten van andere christelijke confessies, waardoor ze niet voor vol worden aangezien en als sekte worden beschouwd. De mormonen geloven dat God zich tegenwoordig nog precies zo openbaart als vroeger. Daarom zou de Bijbel ook nog niet afgesloten zijn en nog steeds kunnen worden aangevuld. Dopen is volgens hen pas mogelijk als de dopeling bewust voor het geloof kan kiezen. Mormonen gaan ervanuit dat het leven slechts een fase is. Voor en na het leven zouden mensen geesten zijn die op de aarde komen om ervaring op te doen.
De oorspronkelijke mormonen hebben zich in veel groepen opgesplitst, waaronder enkele die polygamie toestaan. Centraal staat bij dit geloof de missiedienst van een tot twee jaar, die door de missionarissen zelf wordt gefinancierd.

De methodisten

De methodisten, de 'opnieuw geborenen', vormen een zogenaamde opwekkingsbeweging. De naam beschreef oorspronkelijk spottend de consequente manier van leven van deze groep.
De methodisten kwamen in de 18e eeuw voort uit de anglicaanse kerk; de geestelijke John Wesley (1703-1791) schaarde een kring rond zich die probeerde God te behagen door de Bijbel te lezen en liefdadigheidswerk te verrichten. Voor methodisten is de liefde de centrale boodschap van het christendom.

Nieuw-Apostolische Kerk

Tenslotte wil ik het deel van de serie over het christendom beëindigden met een aantal delen over de geschiedenis van onze eigen kerk. Hiervoor heb ik het historische deel uit de dissertatie van dr. Tang gebruikt. Alhoewel dit deel uit zijn dissertatie (proefschrift) een goed en kort beeld uit onze geschiedenis is, valt er meer te vertellen over de Nieuw-Apostolische Kerk, dat zal ik nu niet doen omdat de keus van de artikelreeks is om de hoogtepunten van een religie te beschrijven is.

Geschiedenis van de Nieuw-Apostolische Kerk
(uit het historische deel van ‘het Apostolische werk in Nederland’, Dr MJ Tang † )

Tijdsbeeld, Europa na 1800
Wat veel losmaakte in Europa was de Franse Revolutie, die in grote delen van Europa een scheiding bracht tussen kerk en staat. De industriële en politieke revolutie had de eeuwenlange relatieve stabiliteit verstoord, wat grote maatschappelijke onrust en onzekerheid bracht: “Reeds wordt het laatste klokgelui van de uitvaart dezer wereld vernomen”. (Testimonium, wat de apostelen in 1835 schreven).

Tijdsbeeld, Engeland, de bakermat.
In Engeland had het proletariaat van de industrialisatie geen stem in de politiek, maar dat hadden de nieuwe industriebaronnen ook niet, want je stem uitbrengen had te maken met je hoeveelheid grondgebied. Daartegen was alleen maar een verbeten vasthouden aan oude structuren van kerk en staat mogelijk. De chaos maakte dat velen meenden dat God zeer vertoornd was, en dat het moment komende was dat Hij zou ingrijpen.

De oorsprongen, De Albury Conferences.
In 1826 ontmoetten de anglicaanse geestelijke Lewis Way en Henry Drummond elkaar. Drummond was een schatrijke bankier te Londen, en Way wees hem op de spoedige wederkomst van Christus, en op de rol van Israël daarbij. Om daar rustig met anderen over te praten om diep op de materie in te kunnen gaan, bood Drummond daartoe gastvrijheid aan op zijn landgoed te Albury, zo’n 50 kilometer ten zuidwesten van Londen.
Eind november 1826 kwamen daar zo’n 30 mannen bijeen: de helft predikanten, de helft leken; allen geloofden in de Joodse en christelijke hoop op de wederkomst.
Deze eerste Albury Conference duurde een volle week: elke dag had een strak schema, en dit patroon werd op de volgende conferenties aangehouden.
Een korte samenvatting van de onderwerpen die aan de orde kwamen:
- de leer van de heilige Schriften over de ‘tijden der heidenen’ en over het einde van de tegenwoordige bedeling,
- de bijbelse leer over de tegenwoordige en toekomstige toestand van de Joden; het herstel van de twee en de tien stammen van Israël,
- de wederkomst van Christus,
- systematische ordening en chronologie der profetische geschriften en de opeenvolging van de gebeurtenissen, die samenhangen met de wederkomst van Christus,
- de tekenen der tijden.

In november 1827, 1828 en 1829 werden de Albury Conferences voortgezet. Van drie jaren weten we de namen van de aanwezigen: in totaal 44 man. Vier van hen zullen later apostel zijn in de Catholic Apostolic Church.
Eén van de deelnemers, James Haldane Stewart, had in de beginfase een grote invloed door een brochure die hij uitgaf over het afsmeken van een nieuwe uitstorting van de Heilige Geest. Later heeft hij zich niet aangesloten bij het Apostolische Werk.
Een ander was de predikant van Schotse Kerk te Londen: Edward Irving. Hij trok de aandacht door publicaties over het naderende einde van deze bedeling, en door de toenemend apocalyptische toon van zijn predikaties, waarmee hij duizenden hoorders naar zijn kerkdiensten trok.
Op de eerste vier conferenties was Drummond de notulist.
De vijfde Albury Conference werd vervroegd gehouden, in juli 1830, omdat in de lente van dat jaar er berichten kwamen uit Schotland van wonderbaarlijke genezingen, profetieën en tongentaal, blijkbaar als verhoring van de gebeden om nieuwe tekenen van werkzaamheid van de Heilige Geest.
Van deze vijfde Conference zijn geen verslagen beschikbaar.
Er werden waarnemers naar Schotland gestuurd, maar ’t is niet duidelijk of de Conference hier bemoeienis mee heeft gehad.


De oorsprongen,  Port Glasgow.
Een tweede wortel van het Apostolische Werk vinden we in Schotland: daar beleefde men in de dertiger jaren van de 19e eeuw een geestelijke opwekking. Een grote rol hierbij speelde de prediking van John Macleod Campbell, een presbyteriaans predikant. Hij predikte tegen de Calvinistische uitverkiezingsleer: hij vond dat Gods liefde uitgaat tot alle mensen. Door o.a. deze zaken werd hij uit zijn ambt gezet, doch bij het Apostolische Werk heeft hij zich nooit aangesloten.
De invloed van Campbell en Haldane Stewart vinden we verenigd bij de gebroeders George en James Macdonald te Port Glasgow. Hun zus Margaret was zeer ernstig ziek. James genas dankzij de Heilige Geest zijn zus en tevens een andere ernstig zieke vrouw. Veel mensen kwamen op hen af, en samenkomsten werden gehouden.
Een kleine groep vertrok vanuit Londen naar Port Glasgow en bracht later verslag aan Drummond e.a. in Albury.
Ongeveer een jaar duurde de manifestaties in Port Glasgow. Herhaaldelijk werd daarbij de roep gehoord: “Geef ons apostels! Geef ons apostels!”.
De weerklank van het Schotse gebeuren was groot, en droeg vooral vrucht in nieuwe geestesuitingen, ditmaal in Londen.

De oorsprongen,  Gebedsverhoringen te Londen.
John Bate Cardale, advocaat, stelde na terugkomst zijn huis open voor gebedssamenkomsten. Reeds op 30 oktober 1830 vond in Londen een genezing plaats.
Tijdens zo’n gebedskring op 30 april 1831 bij Cardale sprak zijn vrouw, aangegrepen door de kracht des Geestes, drie zinnen in een onbekende taal. De vertaling in het Engels was: “The Lord will speak to his people; the Lord Hasteneth his coming; the Lord cometh.”
Omdat de gewone kerk deze activiteiten bij Cardale afwees, vonden ze een geestelijk huis in de gemeente van Irving, die ook bij Cardale thuis was geweest.
Een beslissende wending kwam op 16 oktober 1831 tijdens een morgendienst in de kerk van Irving: een miss Hall vluchtte naar de consistoriekamer om uiting te geven aan de kracht van de Heilige Geest, die over haar gekomen was: heel de kerk vulde zich met het majesteitelijke geluid. Irving kondigde toen aan, dat hij de Geest des Heren in diens eigen huis niet meer in de weg kon staan. Ene Taplin barstte vervolgens uit met een stem die het dak van de kerk scheen te doen scheuren: “Why will ye flee from the voice of God? The Lord is in the midst of you. Why will ye flee from his voice? Ye cannot flee from the day of the Lord!”
Het hierop volgend tumult was nauwelijks te bedwingen, en tijdens de eerstvolgende kerkdiensten was er nauwelijks genoeg plaats voor de toegestroomde menigten.

De oorsprongen, Edward Irving.
Hij was op 4 augustus 1792 in Schotland geboren. In 1822 wordt hij bevestigd tot predikant van een der vijf gemeenten van de Church of Scotland te Londen. Door zijn welsprekendheid groeide zijn aantal toehoorders flink, waaronder velen uit de hogere kringen.
In 1828 ondernam hij een evangelisatiecampagne door Schotland. Het belangrijkste thema was de wederkomst van Christus. Soms sprak hij menigten toe van meer dan 10.000 mensen.
Terug in Londen hield hij vroege bidstonden om Campbell te steunen, doch deze wordt toch ontheven uit zijn ambt. De bidstonden gingen echter door en er werd toen al gebeden om herstel van de ambten van apostelen, profeten, evangelisten en herders / leraren. Kort daarna liet Irving, zoals reeds beschreven, de geestesuiting toe in zijn kerk.
Op 22 mei 1832 leidt dit alles tot ontheffing van zijn standplaats, vooral omdat hij toeliet dat niet-geordende personen in de kerkdienst interrumpeerden, zowel leden als niet-leden van zijn gemeente, waaronder zelfs vrouwen.
Maar al snel vond hij een nieuwe plek om zijn kerkdiensten voort te zetten.
Inmiddels was Cardale door de stem der profetie tot apostel geroepen, al wist nog niemand precies hoe dit ambt moest functioneren in de bestaande kerkelijke structuren.
In maart 1833 werd Irving ook als predikant afgezet. Maar zijn openluchtsamenkomsten trokken weer duizenden toehoorders.
Toen hij in z’n oude gemeente een kind wilde dopen, werd dit door apostel Cardale verhinderd, omdat Irving daartoe geen bevoegdheid meer had. Irving onderwerpt zich hieraan.
Nog in dezelfde week echter werd Irving door een profeet tot engel van een gemeente geroepen en de volgende dag door Cardale geordend.
De positie van Irving werd er niet gemakkelijker op: tot december 1834 werden naast Cardale nog vijf apostelen geroepen, en hun gezag was hoger dan dat van Irving, maar hij werkte loyaal en trouw door.
Begin september 1834 ondernam Irving, ondanks een zwakke gezondheid, een lange reis naar Schotland. Onderweg predikte hij regelmatig. Eind oktober kwam hij eindelijk in Glasgow aan, waar hij in de nacht van 7 op 8 december overleed.
De kerk die hem zijn ambt ontnam, eerde hem met een graf in de kathedraal van Glasgow.
De vraag is of het Apostolische Werk “Irvingisme” genoemd kan worden. Ondanks zijn grote aandeel er in menen velen dat dit niet zo is.
De Apostolischen van de eerste decennia hebben wat er in hun midden gebeurde, gezien als een Werk Gods ten behoeve van heel de Kerk in al haar geledingen. Ze hebben consequent elke benaming geweigerd, die niet van toepassing was op heel de Kerk van Christus en zich bijgevolg Katholiek Apostolische Kerk genoemd, zonder deze naam exclusief voor zich op te eisen.


De Katholiek Apostolische Kerk, de breuk met de kerkgenootschappen.
Behalve Irving waren er meerdere predikanten die uit hun kerk waren gezet, en die vaak met een klein groepje uitgetredenen verder trachtten te gaan, wat lastig was; zij hoopten op en baden om een wending dat men weer als Kerk kon functioneren.

De Katholiek Apostolische Kerk, het apostolaat hernieuwd.
Op 7 november 1832 vond er ten huize van Irving een gebedssamenkomst plaats. Drummond, gedreven door de Heilige Geest riep John Cardale toe: “Convey it, convey it, for art thou not an apostle?”
Dit moment wordt in apostolische kring beschouwd als de eerste apostel-roeping, nadat het apostolaat van de begintijd was weggenomen. Het duurde echter wel tot 24 december 1832 eer Cardale een daad verrichtte uit zijn apostolische volmacht, en toen nóg eerst na profetische aanwijzing. Op die dag ordende hij te AlburyWilliam R. Caird, in het ambt van evangelist.
Tweede Kerstdag wees Taplin Drummond aan als engel van de gemeente te Albury, en Cardale ging hem ordenen.
Pas op 5 april 1833 verrichtte Cardale weer een daad uit zijn apostolische volmacht: hij ordende Irving tot engel van de gemeente in Newmanstreet in Londen.
Het werd als een bijzondere leiding van God ervaren, dat de gemeenten die uit de verstrooiing bijeengebracht waren onder het hernieuwde apostolaat, afkomstig waren uit de belangrijkste stromingen binnen de Kerk van in Engeland: Anglicaanse, Presbyteriaanse en de Dissenters.
Op 25 september 1833 werd Drummond tot apostel geroepen, waarna in het zelfde jaar ook nog werden geroepen:
- John Henry King-Church (ambtenaar aan de Tower)
- Spencer Perceval (Anglicaan, parlementslid-Tory)

In 1834 werden geroepen:
- Nicolas Armstrong
- Francis Valentine Woodhouse (jurist, straatprediker)

In 1835 werden hieraan nog toegevoegd:
- John Tudor (uitgever, Anglicaan)
- Henry Dalton (Anglicaans geestelijke)
- Thomas Carlyle of Shawhill (Presbyteriaan, advocaat)
- Francis Sitwell (Anglicaan, uit een oud adellijk geslacht)
- William Dow (predikant van de Schotse Kerk)
- Tenslotte Duncan Mackenzie (lid van de Schotse Kerk), op het laatste moment aangewezen, nadat Williams broer David Dow geweigerd had zijn roeping te aanvaarden

De Katholiek Apostolische Kerk, het Testimonium.
De zeven gemeenten die nu hun engelen hadden ontvangen, representeerden de Algemene Kerk. De apostelen werden losgemaakt van hun taken in de plaatselijke gemeenten: zij gingen in afzondering. Dit gebeuren vond plaats tijdens een plechtigheid op 14 juli 1835. Vanaf 1852 werd deze 14e juli als een hoge kerkelijke feestdag gevierd in de Katholiek Apostolische gemeenten.
Het grondpatroon van de in haar oorspronkelijke vorm herstelde kerk, lag nu gereed voor heel de christenheid. In hun afzondering te Albury bevonden zich ook de zeven profeten van de Algemene Kerk. Eenmaal per vier weken begaven de apostelen en profeten zich naar Londen, om de “Council of Zion” bij te wonen: de raadsvergadering der Zeven Gemeenten.
In 1836 verkondigde Drummond dat het de wil van de Heer was om de Christenheid te verdelen onder de twaalf apostelen, als vorsten van de stammen van het geestelijke Israël.

Juda, Engeland, Cardale

Benjamin, Schotland en protestants Zwitserland, Drummond
Manasse, Italië, Perceval
Aser, Frankrijk en r.k. Zwitserland, Dalton
Simeon, Pruisen en Noord-Duitsland, Carlyle
Ruben, Oostenrijk en Zuid-Duitsland, Woodhouse
Naphtali, Spanje en Portugal, Sitwell
Dan, Rusland, Finland en de Baltische staten, Dow
Ephraïm, Polen, Tudor
Gad, Noorwegen en Zweden, MacKenzie
Issaschar, Nederland, België en Denemarken, King-Church
Zebulon, Ierland en Griekenland, Armstrong

Enkele niet-Europese gebieden zijn bij Europese stammen ondergebracht:
- Noord-Amerika bij Ruben
- India en Australië bij Gad
- Zuid-Amerika bij Naphtali.

In hun stamgebieden moesten de apostelen zich op de hoogte stellen van:
- de religieuze situatie in het algemeen
- de verschillende landsgebruiken
- de mogelijkheden om hun de waarheden mee te delen, die hun zelf onderwezen waren
- de in die volkeren bewaarde vormen van leer en eredienst.


De Katholiek Apostolische Kerk, het Testimonium (vervolg).
In Albury hadden de apostelen hun getuigenisarbeid ter hand genomen, waarin men zich niet richtte tot de volkeren, maar tot de geestelijke en wereldlijke leiders:
- Begin 1836 werd door Drummond te Londen aan een aantal Anglicaanse prelaten aangeboden een ‘Testimony to the Archbishops, Bishops and the Clergy of the Church of England’,waarin de zonden van het land waren samengevat, door de apostelen opgeschreven.
- Vlak daarna werd door Perceval aan de koning aangeboden het ‘Testimony to His Majesty King William IV and to the Members of His Majesty’s Privy Council’.
- Het grote ‘Testimonium’ was een uitbreiding en verdieping van de ‘kleine testimonia’ en gericht aan alle kerkelijke en wereldlijke leiders van de christelijke wereld. Hoofdpunten hiervan zijn:
1. begonnen werd met een begroeting
2. de ongehoorzame wereld: over de volken die een revolutie ontketenen, plus het gevaar van wetenschap en persvrijheid
3. de ongehoorzame kerk, vanwege het zich ontdoen van het viervoudige ambt
4. kerk en staat, over de juiste verhouding tussen wereldlijke overheid en de Kerk
5. de gebroken christenheid: de scheiding tussen katholicisme en protestantisme
6. teken des tijds, de Franse Revolutie werd gezien als een eerste schok van de algemene beroering die tenslotte zou uitmonden in de wederkomst
7. het werk der redding; een korte schets van het ontstaan van het Apostolisch Werk en tenslotte de oproep aan geestelijken en vorsten om zich voor te bereiden op de verlossing.

De Katholiek Apostolische Kerk, crisis tussen geest en ambt.
Begin 1838 waren de apostelen overgestoken naar het Europese vasteland, behalve Cardale, die apostel van Engeland was. Blijkbaar is er nauwelijks sprake van gehoor voor hun boodschap. Een profetisch woord had de duur van de afwezigheid van de apostelen beperkt tot 1260 dagen, gerekend van de dag van hun afzondering: 14 juli 1835. Tegen Kerstmis 1838 waren ze weer in Albury bijeen. Na enige tijd vertrokken ze weer om eind 1839 terug te keren op verzoek van Cardale, vanwege een ernstige crisis.

Wat was de situatie? Aanvankelijk hadden de apostelen zich vrij passief opgesteld, en zich tot aan de ‘afzondering’ loyaal onder het gezag van de voorganger van de gemeente gesteld. Apostolische handelingen verrichtten zij slechts wanneer de Geest dat hun te kennen gaf: de Geest was belangrijker dan het ambt. Door de belangrijke functie van de profeten, de passieve houding en later hun afwezigheid van de apostelen, was in 1839 de situatie ontstaan dat de leiding van het Werk berustte bij de ‘Council of Zion’. De vraag was: zouden de vier ambten de Kerk samen besturen, of zouden de apostelen het hoogste gezag uitoefenen?
In 1840 waren alle ambtsdragers van de Algemene Kerk en de engelen van de plaatselijke gemeenten uitgenodigd om hun denkbeelden ter kennis van de apostelen te brengen. Daarna gaven de apostelen een verklaring uit: zij wensten geen concilie, geen autonomie van de profeten. Het ultimatum werd aanvaard. De instelling van ‘ambtsdragers-met-de-apostelen’ werd opgeschort; de ‘Council of Zion’ werd ontbonden. Pas in 1847 mocht het weer samenkomen, maar slechts als ‘raad voor de stam Juda’.
Alle profetische uitspraken werden aan het oordeel van de apostelen onderworpen.
Het apostolische gezag was sterker uit de crisis gekomen.
Alleen apostel Mackenzie weigerde met zijn handtekening de maatregelen te bekrachtigen, hij weigerde zelfs verder als apostel op te treden als niet een tweede pinksterwonder geschiedde, dat hem bij al zijn handelingen zou toerusten met buitengewone krachten des Geestes. Hij zou nooit meer deelnemen aan raadsvergaderingen van het apostelcollege en ook nooit meer deelnemen aan enige eredienst in de Katholieke Apostolische Kerk.
In het volgende decennium is er sprake van achteruitgang en van een zekere matheid. De apostelen gaven zich een actievere rol: zij gingen o.a. over tot de verzegeling van de ambtsdragers, en in 1847 ook van de eerste gemeenteleden. Door handoplegging door de apostel werd deze plechtigheid bevestigd.
Na 1847 is er zowel in Groot-Brittannië als op het continent van Europa een opleving te zien.

De Katholiek Apostolische Kerk, het Werk buiten Groot-Brittannië.
Succes was er in Canada en de Verenigde Staten; in Frankrijk verliep de ontwikkeling teleurstellend. In Duitsland was sprake van een verrassende uitbreiding van het Werk.
In Karlsruhe in Beieren had bij de jaarwisseling van 1827-1828 de Rooms-katholieke geestelijke Johann Evangelist Lutz een geest van gebed en exaltatie losgeroepen, die maandenlang aanhield. Er werd geprofeteerd: “Der Herr will euch wieder Apostel senden und Propheten wie am Anfang.” In 1842 kwam hij in aanraking met de evangelist Caird, die hem vertelde over de nieuw-geroepen apostelen. Lutz riep: “Apostel? Ik wacht nu al 14 jaar op apostelen!” Vanwege vervolging door de overheid in Beieren weken vele aanhangers uit naar Württemberg, waar in Ulm de eerste Katholiek Apostolische Gemeente van de stam Ruben (Zuid-Duitsland) ontstond.
In Noord-Duitsland was het de Lutherse hoogleraar in de theologie, Heinrich Wilhelm Thiersch, die zich geheel wijdde aan het Apostolische Werk.
In Pruisen werkte de evangelist Charles J.T. Böhm. Reeds in 1846 werden de apostelen Carlyle en Woodhouse naar Berlijn uitgenodigd, en met Kerst 1846 werden in Frankfurt am Main de eerste verzegelingen verricht door Carlyle, in 1848 de eerste in Berlijn.
In 1852 werden in de stam Simeon (Noord-Duitsland) 1004 gelovigen verzegeld.
In Zwitserland werd in Bazel in 1855 de eerste gemeente gesticht, in België te Luik in 1852, in Australië te Melbourne in 1854, in Italië te Florence 1859, in Zweden te Stockholm in 1878, in Rusland te St.-Petersburg in 1872.


De Katholiek Apostolische Kerk, het Testimonium, Nederland.
De eerste sporen van het Apostolische Werk treffen we in Nederland aan in kringen, waar directe invloed van het Reveil voortleefde: ideeën van Isaäc da Costa anno 1823 komen voor een belangrijk deel overeen met die in het Testimonium.
In 1851 had apostel King-Church contacten gehad met predikanten. Meer resultaat had de evangelist Maximilian von Pochhammer, die reeds in 1853 in het Pruisische Köningsbergen een flinke gemeente had opgebouwd. Hij kwam in 1862 in Nederland en ontmoette naast predikanten ook mensen in lekekringen, waar opgewekt geestelijk leven en oprechte zorg voor de Kerk bestond.
Mr. Isaäk Capadose in Den Haag werd gewonnen voor het Apostolische Werk en in 1867 werd hij door apostel Woodhouse te Albury tot priester gewijd.
 In 1867 was in Den Haag de eerste Katholiek Apostolische Gemeente gesticht. Engel van deze gemeente werd Jacobus Johannes Landsman.
In 1868 werd Capadose tot engel gewijd.

De Katholiek Apostolische Kerk, de tijd van zwijgen.
In 1855 stierven drie apostelen: MacKenzie, Carlyle en William Dow.
Nog vóór het derde sterfgeval hadden de apostelen overwogen of er door hen stappen gedaan konden worden om de opengevallen plaatsen aan te vullen. Zij kwamen echter tot de overtuiging, dat in de Heilige Schrift geen machtiging tot een dergelijke stap te vinden was.
In 1859 ontsliepen de apostel Perceval en Drummond, in 1862 Tudor.
Tijdens een bijeenkomst in de Kapel te Albury op 17 juli 1859 sprak de profeet Taplin een roepingsprofetie uit over de engel-evangelist Charles Böhm. Sommigen der aanwezigen, onder wie de Duitse engel-profeet Heinrich Geyer, hoorden hierin Böhms roeping tot het apostelambt. De apostelen beslisten dat het ging om een roeping tot het ambt van coadjutor. Een coadjutor mocht alle rechtstreekse opdrachten van een levende apostel uitvoeren.
In 1860 kreeg Geyer de roeping van twee nieuwe apostelen: Böhm en Caird, doch, zoals gezegd: de apostelen benoemden hen tot coadjutoren.
In 1865 overleden Sitwell en King-Church; in 1869 Dalton; in 1877 Cardale, in 1879 Armstrong.
De enige apostel was nu nog Francis Woodhouse, die nu 74 jaar oud was.
In 1901 stierf hij: bijna 96 jaar geworden.

Met de dood van de apostel, meende men, was de tijd van zwijgen gekomen. De beide coadjutoren in 1901 (Heath en Capadose) konden geen apostolische ambtshandelingen meer verrichten: er konden geen verzegelingen meer plaatsvinden en geen priesters en diakenen meer geordend worden. De kerkdiensten konden slechts in verkorte en vereenvoudigde vorm worden voortgezet. Door de zonden van de Kerk werd het binnenleiden in het beloofde land vertraagd.
In 1932 stierf de laatste dienaar van de Algemene Kerk; sindsdien is de Katholiek Apostolische Kerk een groep afzonderlijke gemeenten.
Vanaf 1971 was er geen enkele Katholiek Apostolische Gemeente meer waar de Heilige Eucharistie gevierd kon worden.
In Katholiek Apostolische Gemeenten worden diensten gehouden van aanbidding, verootmoediging en voorbede.


Hersteld-Apostolischen en Nieuw-Apostolischen, de periode van apostel Schwartz.
Was het gewillig laten uitsterven van het apostelambt niet juist een zonde? Tot degenen die zich hierover zorgen maakten, behoorde de engel-profeet Heinrich Geyer uit Berlijn. Hij had moeten aanzien hoe in 1859 en 1860 twee apostelroepingen, door profeten uitgebracht, door de nog levende apostelen waren afgezwakt tot benoemingen van coadjutoren.
Een ander die verontrust was op dit punt, was Friedrich Wilhelm Schwartz, in 1848 verzegeld. Als hulpengel te Hamburg bad hij vurig met zijn gemeenteleden om aanvulling van het getal der apostelen; anderzijds vermaande hij Geyer zich gehoorzaam te schikken in de te Albury genomen beslissing.
In november 1862 ontving Schwartz een brief van Geyer waarin deze hem vertelde, dat toen hij met apostel Woodhouse in Königsbergen was, hij logeerde bij de ouderling Rosochacky. In gebed sprak toen de Heer tot Geyer: “Rosochacky, de Heer roept u tot apostel!”
Schwartz heeft toen aan beiden gevraagd of zij voor de rechterstoel van God, de daad, als door God verricht met ‘ja’ konden beantwoorden. Beiden antwoordden met ‘ja’.
Schwartz liet ze toen allebei naar de gemeente in Hamburg komen in het begin van januari 1863, waar Schwartz zich als hulp-engel onder de apostel Rosochacky stelde, en zijn gemeente vroeg wie deze broeder tot zijn apostel wilde aannemen. Op vijf leden na stonden allen op.
Rosochacky werd echter, mede door zijn vrouw, aan het twijfelen gebracht, en hij trok zich terug.
Schwartz was echter nog steeds overtuigd van de juistheid van zijn handelen en wilde niet toegeven dat wat Geyer was geschied ‘duivelsch’ was. Schwartz en Geyer werden bij apostel Woodhouse ontboden; de apostel las slechts het uitsluitingsformulier voor, en daarmee waren zij buitengesloten.
Terug in Hamburg besloot de gemeente zonder apostel te blijven, totdat de Heer hen er een gaf. Na een paar maanden werd de priester Preuss tot apostel geroepen.
Op 2e Pinksterdag 1863 werd Schwartz door de mond van de profeet Geyer door de Heer tot apostel van Holland geroepen.
Op 24 september 1863 kwam Schwartz in Amsterdam aan.

Woodhouse stuurde aan de engelen in Noord-Duitsland een rondschrijven, waarin hij uiteenzette waarom de apostelen omstreeks 1860 geen maatregelen namen om de overleden ambtsgenoten te doen opvolgen: in de Heilige Schrift vond men daartoe geen machtiging. Dit was echter wel in tegenspraak met het Testimonium, waarin de bisschoppen van de oude Kerk werd verweten, dat zij niet deden wat hun plicht was geweest, namelijk dag en nacht tot God roepen om de instandhouding van de apostolische bediening in de Kerk.
Rosochacky werd, nadat hij schuld beleden had, in zijn ambt hersteld.
G.C. Preuss stierf in 1878, en Geyer probeerde toen de Hamburgse gemeente achter de door hem –heimelijk- geroepen apostel J.F. Güldner te krijgen. Toen dat niet lukte, stichtte hij de ‘Apostolische Mission”, die in korte tijd verliep. Preuss werd in 1881, na een interim-periode met apostel Menkhoff, opgevolgd door Friedrich Krebs. Met hem begint de Nieuw-Apostolische tak van het Werk.

Terwijl de ‘oude ordening’ steeds contact zocht met leidende personen uit kerk en samenleving, richtte de ‘nieuwe ordening’ onder Schwartz zich van meet af aan tot de onderste sociale lagen. Leer en stijl waren aanvankelijk praktisch gelijk aan die van de Katholiek Apostolische Kerk.
Hemelvaartsdag 1864 werd de eerste verzegelingsdienst gehouden, waarin drie mannen werden verzegeld.
Schwartz wist de voorganger van een Vrije Evangelische Gemeente, F.W. Menkhoff, voor het Werk te winnen. Deze Menkhoff bracht Schwartz er toe een soberder stijl in de liturgie in te voeren.

In 1872 werd Menkhoff tot apostel geroepen voor Westfalen en de Rijnprovincie.
Uit eerbied voor de ‘moederkerk’ werkte Schwartz niet in die plaatsen waar een Katholiek Apostolische Gemeente was.
Na zo’n 10 jaar begon het werk van de Apostolische Zending vrucht te dragen, in 1876 wordt het aantal van 600 verzegelden genoemd. In 1896 waren dat er 1000.
Het Werk werd uitgebreid naar Nederlands-Indië en wel door de gepensioneerde vice-president van het hooggerechtshof te Batavia: F.L. Anthing. Zijn opvolger was Leonard; daarna werd Lim Tjoe Kim apostel van Indië. Diens opvolger was Sadrach.

Vanuit Duitsland werd begonnen in Australië (H. Niemeyer) en Zuid-Afrika (C.G. Klibbe).
Onder Schwartz was de invloed van de profeten kleiner geworden, omdat hij de ordening van de ambtsdragers niet meer uitsluitend afhankelijk wilde stellen van aanwijzing door de profeten, maar mede van de bij voortduring in de apostelen werkzame Heilige Geest, eventueel gesteund door andere profeterende personen: “De profeet is niet de Heilige Geest, maar heeft Hem van Jezus den Apostel ontvangen, door middel van den zichtbaren Apostel.” Dit conflict, vlak voor zijn dood, werd bezworen.
Het tweede verschijnsel is dat van het ‘nieuwe licht’, vooral in Duitsland onder Krebs gepropageerd, maar dat direct na de dood van Schwartz ook in Nederland doorbrak. Het woord van de levende apostel werd belangrijker dan de woorden van de apostel uit de bijbel.
Apostel Schwartz overleed op 6 december 1895.


Hersteld-Apostolischen en Nieuw-Apostolischen, de scheuring van 1897.
Na de dood van Schwartz neemt opziener Jacob Kofman de leiding van de stam Juda waar. De roepingsdienst wordt vastgesteld op 17 januari 1897. Als profeet van Amsterdam brengt Vleck als eerste zijn profetie uit: diaken Martinus van Bemmel. De Duitse apostelen aanvaardden deze roeping. Toch gaat de strijd daarna tussen de aanhangers van de oude inzichten (Van Bemmel) en die van het nieuwe licht (Kofman) in alle hevigheid door.
Een aantal weken later wordt Van Bemmel door de Duitse apostelen ontheven uit zijn functie. De gemeente Haarlem en een groot deel van de gemeenten Amsterdam en Enkhuizen blijven echter Van Bemmel trouw. IJmuiden, Hoorn en Den Helder maken zich van hem los.
Een nieuwe roepingsdienst wordt op 12 juni 1897 in Amsterdam gehouden. Jacob Kofman wordt tot apostel geroepen. Zijn richting van het nieuwe licht heet vanaf 1 juli 1902 HAZEA.
De groep van Van Bemmel bleef zich HAZK noemen. Profeet Vleck vertrok met een klein groepje.
Haarlem o.l.v. herder N.J. Verkruisen (“Christus zou op aarde zijn godheid hebben afgelegd”) ging een eigen weg;in 1913 volgde hereniging.
In 1925 stierf apostel Van Bemmel plotseling. Tot apostel werd geroepen J.G. Kalwij.
In Haarlem was nu herder J.W. Verkruisen:
- opnieuw het strijdpunt van de christologie
- leer van de gelijkheid van de vier ambten werd door Verkruisen krachtig verdedigd.

In 1931 volgde een splitsing: Haarlem gaat verder als HAZG.
In 1946 overlijdt apostel Kalwij en in 1947 wordt geroepen Dielof Willem Ossebaar.
Vanuit de HAZK zijn er ontwikkelingen:
- Zwitserland
- Australië (in 1927 werd apostel H.R. Bosveld geroepen)
- Duitsland (evangelist A.J. Korff: in 1928 apostel)
- Zuid-Afrika (apostel C. Spies in 1936).

De strakke ‘bijbelheiligheid’ kenmerkt nog steeds de vroomheid in de HAZK. Uit de ‘oude ordening’ zijn bewaard gebleven:
- het besef dat het Apostolische Werk een werk is ten behoeve van heel de Kerk van Christus
- de voorbede voor het herstel van Israël
- de verantwoordelijkheid die men wil meedragen voor de ontwikkelingen in de Kerk en in de wereld.

In 1969 werd de HAZK getroffen door een scheuring: Jacob van der Poorten, in 1968 geroepen tot apostel voor Engeland, had de gave der profetie. Zijn roepingen waren gericht op het herstel van de bovengemeentelijke ambten, met name het opzieners- of engelambt.
De groep van Jasper Schaap scheidde zich daarom af en Schaap werd tot apostel geroepen. Zij bleven zich ook HAZK noemen.
In 1971 ging Van der Poorten toch uit de HAZK van Ossebaar en hij stelde zich in de geest onder de Britse apostelen: hij ging eigenmachtig het Werk van de ‘oude ordening’ weer opnemen. Hij werd door profetie in zijn apostelambt hersteld: “de blaam van 1863 was weggenomen”.


Hersteld-Apostolischen en Nieuw-Apostolischen, de eenheid der apostelen.
Na de dood van apostel Schwartz in 1895 ging het informele leiderschap nu over op Krebs. In Nieuw-Apostolische kring werd Krebs aangeduid als ‘eenheidsvader’. Het beleid van Schwartz om zonder inspraak van profeten ambtsdragers aan te wijzen kwam onder Krebs tot volle ontplooiing. De uitdrukkingen ‘Christus in de Apostel’, en ‘Christus als Apostel’ werden steeds vaker gebezigd.
In 1905 stierf Krebs, en hij werd opgevolgd door Hermann Niehaus. In Nederland, onder apostel Kofman, is net als elders sprake van groei.
In 1902 wordt officieel de HAZEA opgericht. In 1910 wordt daar aan toegevoegd: “in Nederland en Koloniën”. Dan telt Nederland 70 gemeenten.
In 1910 werd J.H. van Oosbree door Niehaus als opvolger van Kofman aangewezen, zei het met de nodige reserves: er gold een proeftijd van een jaar, en voor alle belangrijke beslissingen moest Van Oosbree eerst overleg plegen met Niehaus. Later zou blijken dat die reserves niet ongegrond waren.
Kofman overleed in 1911.

In Enkhuizen was de voorganger en evangelist H.J. Smit, die het niet eens was met Van Oosbree om zijn opvattingen over het heilig avondmaal. Smit c.s. verenigden zich in de HEAG in 1925.
In 1926 sloot hij zich aan bij het grotere verband van de Reformiert Apostolische Gemeindebund van de afgescheiden apostel C.A. Brückner.
In 1930 scheidde A. Grootveld zich af en vormde de Nieuwe Hersteld Apostolische Zendinggemeente, eveneens vanwege problemen met Van Oosbree.
Van Oosbree zat op dezelfde onorthodoxe lijn als Niehaus, en deze vroeg hem in 1924 zijn opvolger als stamapostel te worden, wat Van Oosbree weigerde.
In 1930 werd Johann Gottfried Bischoff door Niehaus tot diens opvolger voorgesteld en door de andere apostelen aanvaard.
Niehaus overleed in 1932.
Omstreeks 1930 telde de HAZEA 100 gemeenten met in totaal 22.600 leden.
Bischoff, sinds 1906 apostel, gaat als stamapostel de ruimte die Van Oosbree altijd had gehad, beperken; zo mag hij geen opvolgers, opzieners en oudsten meer aanwijzen zonder toestemming van de stamapostel.
Begin 1939 krijgt Van Oosbree naast zich een mede-apostel: Jan Jochems, en deze werd de beoogde opvolger van Van Oosbree.


Hersteld-Apostolischen en Nieuw-Apostolischen, de na-oorlogse crisis.
Bischoff was tegen de steeds hoger opgevoerde apostelverheerlijking in Nederland. Ook trachtte hij de ideeën van Niehaus in orthodoxe zin terug te buigen, terwijl Van Oosbree juist de ideeën van ‘het nieuwe licht’ radicaal toespitste. Wat kwaad bloed zette in Nederland en elders, was het feit dat Bischoff al voor de ‘Machtsübernahme’ zijn sympathie voor Hitler en zijn regiem had laten blijken.
Nog in mei 1945 ging Van Oosbree bij Jochems langs om hem te zeggen dat hij de leiding van de stamapostel niet meer wenste te erkennen; als Jochems zich hiermee niet kon verenigen, moest hij zijn eigen weg gaan.
De volgende dag schreef Jochems per briefkaart als antwoord: “Vanaf het ogenblik, dat u de stamapostel niet meer volgt, houd ik automatisch op U te volgen. Ik kan niet langer lid van de gemeenschap blijven, waaraan het fundamentele ontbreekt, namelijk de Eenheid der Apostelen.”
Dit bericht is later gebruikt om aan te tonen dat Jochems niet als opvolger van Van Oosbree kon optreden, omdat hij zich teruggetrokken had uit de HAZEA.
De crisis kwam tot een openlijk uitbarsting na de dood van Van Oosbree op 20 maart 1946, toen uit diens testament bleek, dat hij oudste Lambertus Slok tot zijn opvolger had aangewezen. Zijn keuze had Van Oosbree wel eerst aan de stamapostel voorgelegd, maar het antwoord bereikte zijn adres enkele dagen na zijn dood.
Voordat antwoord kwam van de stamapostel op het formeel ter kennis stellen van de inhoud van het testament, werd op 2e Paasdag, op 22 april 1946 te Hilversum de naam van de opvolger bekend gemaakt en door de overgrote meerderheid aanvaard.
Op 9 mei wordt Jochems door de stamapostel tot districtsapostel benoemd.
Nog geen drie weken later beslist de rechter in een kort geding dat Jochems geen rechten meer heeft, omdat hij schriftelijk te kennen heeft gegeven uit de vereniging te zijn getreden, nl. volgens de eerder genoemde briefkaart.
De stamapostel zet Jochems per 1 juli ‘in de rust’ en benoemt als opvolger van Van Oosbree de oudste B.F. Paasman.
Jochems overlijdt 10 februari 1947.
Op 22 mei 1948 overlijdt apostel Paasman en wordt G. Kamphuis in zijn plaats door de stamapostel benoemd.
Intussen loopt het proces door, dat pas op 6 april 1951 eindigt door bekrachtiging door de Hoge Raad van het tweede eindarrest: de HAZEA van Kamphuis krijgt de volledige zeggingsmacht over de gebouwen en financiën.
De ca. 25.000 die voor Slok hebben gekozen, zitten met lege handen, terwijl de ca. 5.000 van Kamphuis alles hebben gekregen.
De naam HAZEA werd in 1953 gewijzigd in HAGEA.
Eind 1951 stichtten Slok c.s. “Het Apostolisch Genootschap”, waar de plaats van de apostel verder omhoog werd gestuwd: van ‘Christus-in-de-Apostel’ werd het ‘Christus-als-Apostel’, tot het God-als-Apostel.


Hersteld-Apostolischen en Nieuw-Apostolischen, de stamapostel-boodschap.
Aanvankelijk duidde het woord ‘stam’ op de stammen van het geestelijke Israël. Sinds Niehaus veranderde de betekenis daarvan: de hoofdleider van het Godswerk is de ‘stam’ van de wijnstok, waaraan de andere apostelen als ranken ontspruiten. Bischoff ging in 1949 verder, door te stellen dat de stamapostel de Zender der apostelen is, de sleutel van het hemelrijk.
In 1950 vertrouwt hij een aantal apostelen toe, dat hij een goddelijke openbaring had ontvangen, waarin hem was toegezegd, dat hij niet meer zou sterven, omdat de Heer nog tijdens zijn leven zou weerkomen. Maar in 1948 had Bischoff al een opvolger voor zichzelf aangewezen: Peter Kuhlen. Toen deze van de openbaring hoorde, legde hij direct zijn functie als stamapostelhelper neer, en deed afstand van de aanwijzing tot opvolger.

Kerst 1951 kwam Bischoff met zijn stamapostel-boodschap naar buiten.
In de apostelvergadering van september 1954 te Stuttgart werden door Bischoff de volgende voorstellen voorgelegd:
- de stamapostel zal geen apostel of bisschop meer inzetten, die niet gelooft, dat de Heer tijdens zijn leven komt.
- de apostelen worden gevraagd geen ambtsdragers in te zetten, die dit niet werkelijk geloven.
- wie verzegeld wil worden moet verklaren deze Boodschap te geloven.

Er volgden stormachtige discussies; apostels werden afgezet, een groep richtte de ‘Apostolische Gemeinde’ op, die zich later aansloot bij de ‘Vereinigung Apostolischer Christen des In- und Auslands’, evenals deden dit:
- de Apostolische Geloofsgemeenschap (in Nederland)
- Vereinigung Apostolischer Christen van Zwitserland, Saarland en Luxemburg.
- Reformiert Apostolische Gemeindebund der DDR
- de Zuid-Afrikaanse Apostolic Church (Apostle Unity)
- de Australische Apostolic Church,
allen tezamen ca. 40.000 leden.

In Nederland vonden sommigen dat Kamphuis te vaag was over de Boodschap: zij kwamen tot de oprichting van de Nieuw Apostolische Kerk der Nederlanden, die wèl de stamapostel-boodschap onverkort predikte. De stamapostel geeft apostel Walter Schmidt van Westfalen, de voorlopige leiding over deze NAK.
In 1954 gaat Kamphuis ‘in de rust’, en Tjark Bischoff wordt districts-apostel over de HAGEA.
Zowel HAGEA als NAK ontvingen uit Duitsland gelijke ambtsbladen, en ieders apostel zat in het buitenland wel gezamenlijke diensten bij.
In 1955 werd de ‘Apostolische Stichting’ opgericht, om diegenen bij te staan die vanwege de stamapostel-boodschap in moeilijkheden waren gekomen. Apostel Kamphuis nam hier de voorlopige leiding op zich.
Nadat de stamapostel op 6 juli 1960 was overleden, werd Walter Schmidt zijn opvolger.
In 1964 gingen HAGEA en NAK samen verder onder naam ‘Nieuw Apostolische Kerk in Nederland’.
In 1969 ging apostel Tjark Bischoff in de rust. In zijn plaats trad de districts-apostel H. Schumacher van Bremen.
Onder diens eindverantwoording werd de NAK van 1976 tot 1981 bestuurd door de Nederlander Gijsbert Pos. In 1981 werd Pos districts-apostel van Nederland (en later van Bremen en Hamburg, toevoeging, pgs).
Degenen die uit de HAGEA waren gestapt of verstoten, verenigden zich in 1958 onder de naam ‘Apostolische Geloofsgemeenschap’, o.l.v. de apostelen Kamphuis en Smit. Kamphuis ging in 1965 in de rust, Smit overleed dat jaar. J.F. Kröner werd de nieuwe apostel, in 1975 werd hij weer opgevolgd door Chr. Boermeester. Van meet af aan maakten zij deel uit van de ‘Vereinigung Apostolischer Christen des In- und Auslands’. In 1980 veranderde de Apostolische Geloofsgemeenschap haar naam in ‘Gemeente van Apostolische Christenen’.
Na de dood van stamapostel Bischoff vroeg men zich af waarom God zijn Wil had veranderd (of waren de bedoelingen van God nooit goed begrepen? toevoeging pgs).

Stamapostels na Bischoff:
- 1960-1975 Walter Schmidt
- 1975-1978 Ernst Streckeisen
- 1978-1988 Hans Urwyler
- 1988-2005 Richard Fehr
- 2005-2013 Wilhelm Leber
- 2013-heden Jean-Luc Schneider

Hiermee niet alleen het einde van de korte beschrijving van de Nieuw-Apostolische kerk maar ook van het einde van de serie over het Christendom.

 

 

ISLAM

Oorsprong, geschiedenis en de praktijk  (1)

INLEIDING (1)
Door handelscontacten met andere volken, zoals de joden, de Byzantijnse en Abessijnse christenen en de Perzische zoroastristen, hadden de Arabieren reeds kennis van verschillende monotheïstische godsdiensten. Zelf waren de Arabieren in Mekka henotheïstisch, dat wil zeggen dat ze meerdere goden aanbaden, waarvan er wel een als 'oppergod' werd beschouwd.

 De religie die uit de woestijn kwam.
Mohammed ontving zijn godsopenbaring op 40-jarige leeftijd (in het jaar 611) in de grot Ghar Hira nabij Mekka. Daarvoor had de profeet tientallen jaren in de woestijn geleefd en kende hij de gevaren ervan. Het leven in de woestijn is hard en maakt de mensen duidelijk dat ze zich in deze omgeving slechts door naleving van strenge regels en in een hechte gemeenschap kunnen handhaven. De woestijn smeedt een hechte band tussen mensen, want die is nodig om te kunnen overleven. Deze onvoorwaardelijke solidariteit met de eigen stam speelde in de eerste eeuwen van de islamitische jaartelling, dus sinds de 7e eeuw, een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de islamitische Arabieren tot een wereldmacht. Het islamitische geloof in een enkele en almachtige god versterkte het zelfbewustzijn van de nomaden die de veel goderij afzworen. Met de steun van een sterke god konden ze aanzienlijk sneller een efficiënte gemeenschap stichten dan met een veelheid aan goden.

 Waarden van de woestijn
Eén god - Allah; één wet - sharia; één stam en één gemeenschappelijk geloof. .. Een groot deel van wat de Arabieren en hun cultuur vormt, werd weliswaar niet helemaal, maar wel sterk bepaald door de omstandigheden van de woestijn. Wanneer men de islam zoals beleefd in de Arabische wereld en zijn betekenis in het derde millennium van de christelijke jaartelling wil begrijpen, mag de invloed van de woestijn niet buiten beschouwing worden gelaten. Deze vormt onder andere de basis voor de totstandkoming van tijdloze waarden zoals de verbondenheid van families en stammen.

DE PROFEET MOHAMMED

 Jeugd en karakter
Mohammed werd rond 570 geboren in Mekka. AI lang voor zijn geboorte zou zijn moeder Amina de stem van een engel hebben gehoord, die haar voorspelde: "De zoon die je verwacht, moet de heer en profeet van je volk worden."  Mohammeds vader stierf kort voor de geboorte van zijn zoon. Zijn moeder Amina stierf toen de jongen zes jaar oud was.
Over Mohammeds kindertijd, jeugd en het begin van zijn volwassen leven is slechts weinig bekend. Hij wordt beschreven als over het algemeen schuchter en terughoudend, maar openhartig onder vrienden. Hoewel moslims weigeren zich een beeld van hun profeet te vormen, is uit de beschikbare bronnen te herleiden hoe hij er ongeveer heeft uitgezien. Hij zou een warme lach hebben gehad en niet snel, maar heel precies gesproken hebben, waarbij hij elke lettergreep articuleerde.

 Onvruchtbaar land en veelgoderij
Mohammed groeide op als wees in Mekka. Mekka ligt, zo zegt de Koran, "in een dal zonder zaad". Daarmee wordt het grotendeels onvruchtbare schiereiland bedoeld, dat 2000 kilometer lang en 1200 kilometer breed is en in de voor islamitische tijd hoofdzakelijk uit woestijn met een paar oases bestond. De zomers in en om Mekka waren en zijn heet; in de winter wordt de regio geteisterd door zware regenbuien en af en toe een heftige storm. Lange perioden van droogte zijn er niet onbekend. Mohammed leerde al vroeg dat de woestijn meedogenloos is en de mens geen fout vergeeft. Wie in de woestijn wil overleven, moet zich aan strenge regels houden.

 De tijd van de onwetendheid
De mensen met wie de jonge Mohammed omging, waren Arabische nomaden die op zoek waren naar een vorm van levensonderhoud, meestal veeteelt, jacht en een beetje handel, en daarbij vaak zeer verre tochten maakten. In de eerste helft van de 6e eeuw werden karavanen regelmatig overvallen en beroofd, behalve tijdens de drie maanden (de zevende, elfde en twaalfde maand van het maanjaar) waarin de krijgers van de diverse stammen als pelgrims bijeenkwamen in Mekka. Gedurende deze periode staakten ze hun vijandelijkheden. Moslims noemen deze voorislamitische tijd de 'tijd van onwetendheid' ('al-ahilijja'). In deze tijd vereerden de Arabieren veel goden en voerden ze onder andere vruchtbaarheidsrituelen en rituelen om het te laten regenen uit. Veruit de meeste Arabieren hadden slechts vage, maar sterk magisch-religieuze ideeën. In een leven na de dood geloofden ze echter niet.
– ISLAM,  oorsprong, geschiedenis en de praktijk  (2)

INLEIDING (2)

 Kaäba en Mekka
In het middelpunt van het polytheïstische geloof van voor de opkomst van de islam stond een vierkante tempel, Kaäba genoemd, die Abraham ooit als offerplaats zou hebben gebouwd. Abraham zelf was volgens het moslimgeloof een 'hanif', een waarheidszoeker (en in zekere zin een voorloper van de moslims), die in de tijd van de afgodendienaren in een enkele god geloofde en zich onvoorwaardelijk onderwierp aan diens geboden. De Qurais, Mohammeds stam, waren generaties lang de bewakers van dit heiligdom in Mekka, dat in die tijd al het economische en religieuze centrum van de Arabische wereld was. Deze wereld vormde geen politieke eenheid, maar was in talrijke stamgebieden opgesplitst.

 De vertrouwenswaardige
Al voordat Mohammed op 40-jarige leeftijd profeet werd, noemden de mensen in zijn omgeving hem de 'vertrouwenswaardige', omdat hij zich als bemiddelaar in een religieuze strijd opwierp. Deze strijd ging om de vraag waar de zwarte steen die bij de Kaäba wordt vereerd, het beste kon worden neergezet. Terwijl de een die kant op wees en een ander precies de andere kant beslechtte Mohammed de strijd door de zwarte steen op een cape te leggen en de vertegenwoordigers van de verschillende stammen een uiteinde hiervan in de hand te drukken. Zo droegen zij de steen samen naar zijn plaats van bestemming.

 Mohammeds echtgenote
Als jonge man trad Mohammed in dienst van de welgestelde weduwe Chadidja, voor wie hij meerdere handelsreizen naar Syrië ondernam. Chardidja was zo van hem onder de indruk dat ze met hem trouwde en hem zeven kinderen baarde, onder wie Fatima, die in delen van de islamitische wereld (sjiieten) als lievelingsdochter van de profeet wordt vereerd. Mohammed bleef Chadidja haar hele leven trouw. Later zou hij nog met negen andere vrouwen zijn gehuwd. Het aan Mohammed toegeschreven citaat "trouwen is mijn soenna" werd de wegwijzer voor de houding van moslimmannen tegenover vrouwen. Soenna zijn de levensregels van de moslims die niet in de Koran zijn voorgeschreven, maar zijn gebaseerd op het leven van Mohammed. "Het paradijs ligt aan de voeten van de moeder" luidt een andere spreuk die aan Mohammed wordt toegeschreven.

 Benoeming tot profeet van God
Toen Mohammed ongeveer 40 jaar oud was, trok hij zich regelmatig terug om te bidden in een grot nabij de berg Hira buiten Mekka. Mohammed vastte, mediteerde en kreeg van God zijn eerste openbaring, waar hij erg van schrok en die hem in het begin ook verwarde. Hij hoorde een stem die hem opdroeg: "Sta op en waarschuw!" Net als de profeten in het Oude Testament zag hij, in deze opvatting gesterkt door zijn vrouw Chadidja, het voortaan als zijn opdracht de mensen tot inkeer en tot afkeer van de veelgoderij te bewegen. Visioenen - de herhaaldelijk terugkerende verschijning van de aartsengel Gabriël, die druk op hem uitoefende - sterkten Mohammed in zijn overtuiging voortaan uitsluitend de wil van God te moeten vervullen.

 De 'nachtelijke reis' van de profeet
Ook Mohammeds nachtelijke hemelreis, waarbij God hem van Mekka naar Jeruzalem 'ontvoerde' en hij met een fabelwezen in de hemel opsteeg, vormt zo'n visionaire belevenis. Hij kreeg de opdracht de vijf dagelijkse gebeden in te voeren, die sindsdien het islamitische geloofsritueel bepalen. Mohammed was sterk aangedaan en af en toe ook bang. Drie jaar lang weigerde hij het door God aan hem geopenbaarde openlijk te verkondigen. Alleen met zijn familie en een kleine kring vertrouwelingen deelde hij zijn visioenen. Maar zijn boodschap bleef niet lang beperkt tot deze kleine kring en al snel traden steeds meer mannen en vrouwen toe tot de islam, "tot zijn roem zich in heel Mekka verspreidde en ieder erover sprak".
Onderwerping aan de wil van God, zo predikte Mohammed, dat was wat God van zijn schepselen verwachtte. Eindelijk had hij zich dan toch bereid verklaard Gods profeet te zijn.

 De geloofsstichter Mohammed
Mohammeds prestatie is ongetwijfeld dat hij de centrale betekenis van Allah als enige god voor de Arabieren en voor de hele schepping benadrukt. Er is geen andere god dan Allah volgens de profeet. Alle andere zijn afgoden, idolen, die de mens naar zichzelf heeft geschapen. Nadat hij dat had erkend, liet Mohammed alle afgodsbeelden vernietigen die om de Kaäba stonden, behalve de afbeeldingen van Jezus en Maria.
De onderwerping aan de wil van God - dat betekent het woord 'islam' (het begrip zou bovendien ook van het Arabische 'salam' voor vrede kunnen zijn afgeleid) - is de centrale boodschap van de profeet. In het vervolg noemen degenen die zich volledig aan God overgeven moslims.
Mohammed moest echter kort daarop Mekka verlaten. Zijn toenemend compromisloze optreden had het conflict met de inwoners van Mekka, die door zijn boodschap hun levensstijl bedreigd zagen, verscherpt tot openlijke vijandigheid.
– ISLAM,  oorsprong, geschiedenis en de praktijk  (3)

OPVOLGING VAN MOHAMMED

 Sjiieten en de twaalver sjiieten
Bij de strijd wie Mohammed na zijn dood moest opvolgen, kwam het al snel tot een splitsing tussen de soennitische meerderheid en de partij (in het Arabisch 'sjia') van de kalief Ali ibn Abi Talib. De soennieten verplichtten zich tot het naleven van de soenna (traditie) van de profeet. Zij vormen de grootste geloofsgroep binnen de islam (circa 90 procent). Door een onenigheid die de gelovigen na de dood van de profeet in twee groepen splitste, ontstonden verdere theologische verschillen. Uit de afsplitsing kwam de sjiitische islam voort, die tegenwoordig vooral in Iran, Irak, Libanon en Bahrein te vinden is. De sjiieten behoren tot de zogenaamde twaalver sjiieten. Deze religieuze groepering onderscheidt zich van de soennieten doordat ze de autoriteit van de eerste drie kaliefen Aboe Bakr (632-634), Oemar (634-644) en Oetman (644-656) niet erkent als overleveraars van de tradities van de islam en uitgaat van twaalf afstammelingen van Mohammed, twaalf imams, die als enigen in staat waren tot een dieper begrip van de Koran.

 Andere geloofsleren van de sjiieten
Sjiieten treuren om Hoessein, de kleinzoon van Mohammed, die bij een bloedbad in 681 in Irak omkwam. De martelaar Hoessein beweegt tot op heden zijn gelovigen tot bloedige zelfkastijdingen. Bovendien vereren de sjiieten Ali, de stichter van hun geloof. Uit Ali's partij (Ali's sjia) is de naam 'sjiieten' voortgekomen. In het dagelijks leven kunnen sjiieten - in tegenstelling tot de soennieten - tijdelijke huwelijken sluiten en daardoor, in het geval van religieuze vervolging, hun geloof verloochenen.

 De zevener sjiieten
Een andere groep binnen de sjiitische islam erkent slechts zeven imams: de zevener sjiieten. Deze groep houdt zijn leer geheim. Hiertoe behoren de ismaïlieten, die God vooral met negatieve attributen beschrijven: God is noch bestaand, noch niet-bestaand, noch machtig noch hulpeloos, enzovoort. De ismaïlieten hebben zichzelf genoemd naar de zevende, verborgen imam Mohammed ibn Ismaïl en leggen de Koran eerder allegorisch dan letterlijk uit, wat een mystieke en esoterische interpretatie tot gevolg heeft. Tegenwoordig leven er zo'n 18 miljoen ismaïlieten in Oost-Afrika, India, Afghanistan en Centraal-Azië. 

 

DE VERDERE ONTWIKKELING VAN DE ISLAM

 Centrum van de islamitische theologie
Na de dood van Mohammed in 632 heersten eerst vertrouwelingen over het snel groeiende rijk. In talrijke ruzies tussen de stammen van de profeet handhaafde de familie van de Omajjaden zich. Zij maakte van Damascus de islamitische hoofdstad en regeerde daar vanaf 661. De Omajjaden deden veel voor de verspreiding van de islam, maar wekten met hun zucht naar luxe en neiging tot corruptie steeds meer de ergernis van vrome moslims.
En zo volgde rond 750 de familie van de Abbasiden de Omajjaden met geweld op. De Abbasiden regeerden daarna bijna 500 jaar van uit Bagdad en bouwden de stad uit tot een machtig islamitisch bastion en tegelijkertijd tot het culturele centrum van de toenmalige bekende wereld. De beroemdste kalief van de Abbasiden is Haroen al-Rasjid (786-809). Over zijn schitterende hofhoudingen vertellen de verhalen uit 1001 nacht. Bagdad werd het centrum van de literatuur, wetenschap, muziek en mode, maar ook van filosofische vraagstukken, zoals de vraag naar de wilsvrijheid van de mens of naar de natuur van God. Zulke beschouwingen werden door de orthodoxe rechtsscholen beslist afgewezen: over het wezen van God mocht niemand filosoferen.

 Het ontstaan van islamitische centra
Aan het begin van de lOe eeuw kwamen de Fatimiden in de Maghreb aan de macht. Zij weigerden het Abbasidische kalifaat in Bagdad te gehoorzamen en benoemden zichzelf tot kaliefen. De Fatimiden verplaatsten hun hoofdzetel naar de net gestichte hoofdstad Cairo. Parallel daaraan veroverde de dynastie van de Seltsjoeken oostelijke delen van het islamitische rijk, vooral gebieden van Perzische en Turkse volkeren, terwijl in het westen - onder de Omajjaden dynastie - Spanje zich tot een belangrijk islamitisch centrum ontwikkelde. Vanhier zou de islam in de komende eeuwen van invloed zijn op talrijke levensgebieden en wetenschappen in het hele Westen: van steden als Granada, Córdoba en Sevilla gingen van het midden van de Se eeuw tot het einde van de 15e eeuw belangrijke impulsen uit op het gebied van filosofie, poëzie, wetenschap en mystiek.

 De islam op het Iberisch schiereiland
In het jaar 711 zette de legerleider Tarik ibn Ziyad, afkomstig uit Mauretanië (waarvan de naam 'Moren' is afgeleid), voet op het Iberisch schiereiland. De plaats waar hij aan land kwam, draagt sindsdien zijn naam: Gibraltar, dat wil zeggen 'berg van Tarik'. In slechts vier jaar tijd kwam het Iberisch schiereiland tot op een klein strookje in het noorden na onder islamitische heerschappij te staan. Het islamitische Spanje kreeg de naam al-Andalus en Córdoba werd het nieuwe centrum ervan. Met uitzondering van de heersende bovenlaag werd de komst van de moslims door de bevolking niet alleen begroet, maar zelfs als een bevrijding gezien, vooral door de joden, die de moslims in de strijd terzijde stonden en later uit dank de Arabische taal overnamen.

 Bloei van de cultuur en wetenschap
Met de islam kwam ook een enorme hoeveelheid kennis naar Spanje, die het land aan wetenschappelijke bloei hielp. Met hun irrigatietechniek maakten de moslims braakliggend land vruchtbaar. Er werden nieuwe planten geïmporteerd, zoals de sinaasappel uit Perzië. Ook de productie van leer, keramiek, papier en stoffen die in Europa als luxegoederen werden beschouwd, was lucratief. De voor de productie benodigde kennis was voorheen niet aanwezig in Spanje. Ook de wetenschappen bloeiden op onder de islam, zoals de wiskunde, astronomie en geneeskunde. Heel Europa kreeg op deze manier te maken met wetenschappelijke vooruitgang. Eerst stond men er huiverig tegenover, maar in de loop der eeuwen begon men er gebruik van te maken, bijvoorbeeld in het geval van straatverlichting. Terwijl de steden in de rest van Europa 's nachts nog donker waren, kende Spanje al straatverlichting in de vorm van pekpannen. De architectuur beleefde in Andalusië eveneens een grote bloei, zoals nu nog in steden zoals Córdoba en Granada te bewonderen is. 

 

LICHT IN DE DONKERE MIDDELEEUWEN

 Bloei van wetenschap en cultuur
De heerschappij van de islam in Spanje bracht het land een ongekende voorspoed, waar ook de rest van Europa van profiteerde. Córdoba was halverwege de 10e eeuw de grootste en rijkste stad van Europa geworden. Men schat het inwonertal op een half miljoen - en dat in een tijd waarin met uitzondering van Constantinopel geen enkele Europese stad meer dan 30.000 inwoners telde. Córdoba werd een centrum van wetenschap en had ook goede voorzieningen op het gebied van scholing en gezondheid. Met 50 ziekenhuizen, 80 openbare scholen, 17 instellingen voor hoger onderwijs en 20 openbare bibliotheken was de stad absoluut de koningin onder de Europese cultuursteden. Vooral het boekenbestand overtrof alles wat Europa verder kende. Enkele bibliotheken bevatten honderdduizenden boeken, wat voor toenmalige islamitische verhoudingen niets bijzonders was, maar vergeleken met bijvoorbeeld de kloosterbibliotheek van Sankt Gallen met slechts 600 boeken, op Europese bodem sensationeel te noemen was.

 De Arabische getallen
Het Westen heeft het moderne getallen stelsel door de Arabieren leren kennen, die het op hun beurt in India hadden ontdekt. Daarom spreken de Arabieren nog van 'Indische getallen'. De Indiërs begonnen rond 300 v.Chr. met cijfers te tellen en te rekenen. In een tussen schrift op weg naar het getallen systeem werd de waarde van elk getal aangegeven (bijv. 6 d, 7 h, 4 t en 2 e voor 6742). In de 6e eeuw, toen de Arabieren het getallen systeem leerden kennen, hadden de Indiërs het al volledig ontwikkeld. Nu was schriftelijk rekenen mogelijk. Even belangrijk was de uitvinding van het getal 'nul'. Toen de Arabische getallen in Europa bekend werden, had men het erg moeilijk met het begrip 'nul'. In Europa werd het nieuwe getallen stelsel verspreid door paus Silvester II in omstreeks 999. Hij had als jonge man al contact met het kalifaat in Córdoba.

 De eerste plegers van zelfmoordaanslagen uit de geschiedenis
De Assassijnen behoren tot de ismaïlieten en vormen een religieuze splintergroepering binnen de islam. Sinds de 11e eeuw konden ze bestaan als geheim genootschap, tot ze in de 13e eeuw door de Mongolen werden verdreven uit Alamoet in het huidige Iran, nabij de Kaspische Zee. De Assassijnen waren de eersten die een efficiënte en vooral duurzame organisatie opzetten met het doel terreur als politiek wapen in te zetten. Bij hun moordaanslagen gebruikten zij altijd de dolk en nooit gif, wat vaak eenvoudiger zou zijn geweest. Een Assassijn probeerde na zijn daad gewoonlijk niet te vluchten, omdat het als een schande werd beschouwd een missie te overleven.

 De Oude van de Berg
De daden van de Assassijnen getuigden van koelbloedige planning en religieus fanatisme. Hun gebod van absolute geheimhouding garandeerde zowel zekerheid naar de buitenwereld als interne solidariteit. Zo ontstond een sterke groepsbinding, De groep stond onder leiding van een charismatische en berekenende leider; Hasan-y-Sabbah, de zogenaamde 'Oude van de Berg', die erin slaagde een enorme schare aanhangers aan zich te binden. Voor hem stierven talloze mensen op bevel.

 Macht en vervoering
Over de Assassijnen (Arabisch voor hasjrokers) deden in de loop der eeuwen talrijke, deels afschrikwekkende verhalen over sluipmoordenaars de ronde. Daarvan stammen het Engelse werkwoord 'to assassinate' en het Franse zelfstandig naamwoord 'l'assassin'. De Assassijnen waren geloofsfanaten en huurmoordenaars. Ze bedreigden zowel islamitische vorsten als christelijke kruisvaarders. Net als de duivel veranderden de Assassijnen in 'engelen van het licht' (volgens een beschrijving uit die tijd), door cultuur, kleding, taal, zeden en gedrag van allerlei naties en volkeren na te bootsen, om vervolgens hun uitverkoren slachtoffers om te brengen. Ze doodden in opdracht. In 1192 moest bijvoorbeeld de beoogde Franse troonopvolger Conrad de Montferat het met de dood bekopen. Hun eigen leven was hun niet veel waard. De Oude van de Berg gaf hiervan, en van zijn macht, eens indrukwekkend blijk in aanwezigheid van kruisridders: in zijn burcht Alamoet beval hij twee Assassijnen zich in de diepte te storten. Tot ontzetting van de christenen voerden de twee mannen zijn wens zonder aarzelen uit. – ISLAM,  oorsprong, geschiedenis en de praktijk  (6)

VAN MONGOLEN TOT OTTOMANEN

De heerschappij van de Mongolen
In 1258 viel de laatste Abbasidische kalief van Bagdad in handen van de Mongolen, die in de 13e eeuw het islamitische rijk binnenvielen. Tegelijkertijd kwam een einde aan de kruistochten van de kruisridders, die zich in 1099 in Jeruzalem hadden gevestigd en vele jaren militair standhielden tegen de moslims. Hun definitieve bedwinger was Salah ad-Din (1137-1193). Hij stamde af van de Koerdische dynastie van de Ajjoebiden, werd sultan van Groot-Syrië en Egypte en verdreef de kruisridders uit het Heilige Land. De overheersende Mongolen bekeerden zich tot de islam. Eerder hadden zij de islam bijna in hun macht gehad, mede dankzij de hulp van de christelijke buurlanden, Als dat het geval was geweest, zou mogelijk ook de islamitische cultuur zijn verdwenen. Als gevolg van hun wijdverspreide veroveringen openden de Mongolen handelswegen van de ene kant van Azië naar de andere.

De Ottomanen krijgen de macht in handen
De Ajjoebiden werden in Egypte afgelost door de Mameloeken, die Egypte tijdens hun bijna 5 jaar durende heerschappij in militair opzicht een zekere stabiliteit hadden verleend als centrum van de islamitische wereld. De ontdekking van Amerika eind 15e eeuw en de nieuwe directe zeeroute tussen Portugal en India benadeelden de handel van de Mameloeken echter zeer. In 1516/1517 viel hun staat toe aan de sinds de 14e eeuw expanderende Ottomanen.
De islam verspreidde zich vanaf 1550 bovendien in de landen rond de Indische Oceaan. In 1453 werd Byzantium (Constantinopel) door Mehmed II Fatih ingenomen, waarmee een einde kwam aan het 1000-jarige Oost-Romeinse Rijk.

Ottomaanse heerschappij
Onder de Ottomaanse heerschappij was er in Klein-Azië weer steeds meer sprake van een eenheid. Begin 16e eeuw lukte het de Ottomanen heerser te worden over heel Mesopotamië, het Tweestromenland tussen de Eufraat en de Tigris. In 1517 maakte Selim I (1512-1520) met behulp van zijn superieure vuurwapens een einde aan de staat van de Mameloeken. Onder Selim en Suleiman (1520-1566) bereikte het Ottomaanse Rijk het hoogtepunt van zijn macht. Toen de Ottomanen tot in Jemen en Algerije doordrongen, heersten ze over bijna de hele Arabisch sprekende wereld. Met de verovering van Rhodos (1522), Cyprus (1570) en Kreta (1669) hadden ze ook de macht in handen op de Middellandse Zee. Wel viel in 1492 het islamitische koninkrijk Granada terug in handen van christelijk Europa. De islam won echter nieuw terrein in zwart Afrika en in Zuidoost-Azië.

 

DE ISLAM IN DE MODERNE TIJD
Vanaf het midden van de 18e eeuw won het Westen met zijn cultuur en politieke structuur aan invloed in de voormalige islamitische landen. De islam kende geen strikte scheiding tussen staat en religie. Deze probeert men juist door de invloed van het Westen tot stand te brengen. De Europeanen drongen destijds hun rechtssysteem op een voor moslims deels onacceptabele manier op aan de islamitische staten. Alleen Turkije heeft onder Kemal Atatürk in verregaande mate het westerse staatsmodel overgenomen.
Sinds 1975 proberen islamitische landen vaak de invloed van het Westen in hun samenleving terug te dringen. In dezelfde tijd werd een fundamentalisme aangewakkerd dat met terroristische aanslagen een moorddadige kant toont. De islam zelf is in principe gericht op vrede. Om die reden is het voor het Westen belangrijk te ontdekken wie zich terecht verzet tegen een westerse overmacht en invloed.

Tussen islamisme en afzondering tegenover het Westen
De islam van de 21e eeuw probeert zich zo tegenover westerse waarden op te stellen dat het eigen gezicht daarbij niet verloren gaat. Wat in westerse maatschappijen als 'laïcisme' wordt aangeduid, namelijk de strikte scheiding van kerk en staat, is in de islamitische wereld nog altijd moeilijk voorstelbaar. Die brengt immers met zich mee dat wezenlijke terreinen van het menselijk leven buiten de reikwijdte van Allahs geboden geplaatst worden. Alleen Turkije heeft een grondwet waarin het laïcisme (hier opgevat als voorrang van de staat boven de godsdienst) is vastgelegd. Daar staan tal van islamitische landen tegenover waar burgerlijke ( 'kanun madani ') en religieuze wetten ('sharia') naast elkaar bestaan.
Ook op economisch vlak doet de islam zich gelden. Zo heeft het verbod op het innen van rente in de Koran geleid tot 'islamitisch bankieren'.
Anders dan de islamitische meerderheid zouden de modernisten, die zich liever niet buiten de internationale handelsgebruiken plaatsen, het verbod graag beperkt zien tot 'woeker'.
De positie van de vrouw is in veel islamitische landen verbeterd. In een land als Pakistan stijgt het aantal vrouwelijke academici en in grote delen van de islamitische wereld kunnen meisjes aanspraak maken op algemeen vormend en beroepsonderwijs. Toch is in alle landen het percentage analfabeten onder moslimvrouwen nog altijd duidelijk hoger dan onder mannen.
Sinds de gruwelijke gebeurtenissen van 11 september 2001 heeft het islamisme met een reeks van aanslagen in tal van landen - niet alleen in het Westen, maar ook in landen als Turkije, Indonesië, Irak, Afghanistan, SaoediArabië - een wereldwijde terreur ontketend. Dat zou voor het Westen juist aanleiding moeten zijn daadkrachtige steun te bieden aan islamitische landen die proberen democratische structuren op te bouwen. Een 'dynamische' islam die zich rekenschap geeft van de maatschappelijke ontwikkelingen in de 21e eeuw en oog heeft voor democratie en universele mensenrechten, hoeft geen utopie te blijven. De Koran stelt immers ook: "God brengt geen verandering in het lot van een volk, zolang dat volk zichzelf niet verandert" (soera 13: 11).

 

 

HET ZELFBEELD (1)

Volmaaktheid binnen de islam
"Ieder kind wordt met dezelfde aanleg voor het juiste geloof geboren. Zijn ouders maken van hem een jood of een christen of een magiër", schrijft Elias Khoury, geboren in 1948 in Beiroet en een vooraanstaande Arabische intellectueel. Deze roman- en theaterschrijver laat zich kritisch uit over de maatschappelijke verhoudingen in het Nabije Oosten. Zijn mening geeft het islamitische basisprincipe weer dat in de islam zowel de volmaakte als de oorspronkelijke religie van de mensheid zou worden verwezenlijkt. Het niet-moslim-zijn is derhalve een toestand van onvolmaaktheid, maar tegelijkertijd wordt het bestaan van verschillende religieuze groeperingen in de Koran als een door God gewilde beproeving gezien: "En indien Allah had gewild, zou Hij u allen tot één volk hebben gemaakt, maar Hij wenst u te beproeven met hetgeen Hij u heeft gegeven. Wedijve1t dus met elkander in goede werken. Tot Allah zult gij allen terugkeren. Dan zal Hij u datgene mededelen waarover gij van mening verschilt (in het aardse leven)" (soera 5:48).

Toetreding tot en uittreding uit de islam
Net zoals er geen formele toetreding tot de islam is (vergelijkbaar met de doop of het vormsel in de katholieke kerk), is er voor de uittreding geen voorgeschreven ritueel. In de uittreding uit het geloof is niet voorzien. Het afvallen van de islam behoorde traditioneel, naast echtbreuk en moord, tot de misdrijven waarop de doodstraf stond. In Europa was hiervan voor het laatst sprake in 1843, ten tijde van het Ottomaanse Rijk. Weliswaar is de motivatie voor de doodstraf niet expliciet in de Koran te vinden, maar dit geschrift laat er geen twijfel over bestaan dat ongeloof bij God niet zonder consequenties kan blijven. "Waarlijk, de ongelovigen die van het pad van Allah afhouden en dan sterven, terwijl zij ongelovig zijn, Allah zal hen zeker niet vergeven," staat er in soera 47:34. En in de overleveringen wordt Mohammed de volgende uitspraak in de mond gelegd: "Straf niet met de straf van Allah als iemand van het geloof valt, maar dood hem met het zwaard" (2).

De vijf zuilen van het islamitische geloof
Een moslim is gebonden aan vijf verplichtingen. Deze vijf 'zuilen' ondersteunen elkaar en vormen samen het morele karakter van de voorbeeldige moslim.

De eerste zuil - sjahada, de geloofsbelijdenis
Er is geen andere god dan Allah en Mohammed is zijn profeet." Met deze belijdenis wordt de mens, ook formeel, een moslim, vooropgesteld dat de toewijding aan God niet alleen in woorden, maar ook als innerlijke instelling tot uitdrukking komt. Een moslim moet belijden dat hij God in zijn gedachten en zijn hart heeft. Als gevolg van deze religieuze instelling combineert een moslim geloof en handelen in het dagelijks leven tot een geheel. Er vindt geen scheiding plaats tussen persoonlijk geloof en openbaar handelen.

De tweede zuil - salat, het gebed
Een moslim bidt wanneer en zo vaak hij wil, maar in elk geval vijf keer per dag: hij zonsopgang, tussen de middag, 's middags, bij zonsondergang en 's nachts is het gebed verplicht en heet het salat, ritueel gebed. Daarnaast is het gebed privé (duá) en bepaalt de gelovige zelf hoe vaak hij bidt. Bij de salat moeten de volgende punten in acht worden genomen:

1 Het vindt plaats in een toestand van rituele reinheid, wat inhoudt dat handen, armen, ellebogen, gezicht, oren en voeten worden gewassen en het haar wordt bevochtigd.

2 Het tijdstip (bij zonsopgang, 's middags enz.) is vastgelegd.

3 Het gebed wordt in het Arabisch opgezegd.

4 Het bidden gebeurt in de richting van Mekka.
– ISLAM,  oorsprong, geschiedenis en de praktijk  (9)

HET ZELFBEELD (2)

 vervolg op tweede zuil, het gebed
Het vrijdagsgebed in de moskee
Het openbare vrijdagsgebed brengt de gelovigen een keer per week 's middags naar de moskee. Daar bidden ze in rijen naast elkaar, ongeacht hun maatschappelijke positie en hun welstand, als gelijke onder gelijken - en gelijk voor God. Het hoofd van de gelovige raakt bij het vooroverbuigen de vloer. De gelovige weet dat de profeet heeft gezegd dat de waarde van een enkel gebed in een moskee uitgesproken 25 keer zoveel waard is als een thuis gebeden gebed. Een gebed in de Kaäba is evenveel waard als 100.000 gebeden.

De derde zuil - saum, het vasten in de maand ramadan
De negende maand van de islamitische maankalender is de vastenmaand ramadan. In deze maand ontving de profeet Mohammed zijn eerste openbaringen. Tijdens de ramadan mogen de gelovigen overdag niet eten of drinken of zich overgeven aan wereldlijke geneugten. Bij zonsondergang, met de roep van de muezzin van de dichtstbijzijnde moskee, wordt het vastenverbod opgeheven. Pas clan mag men weer eten en drinken. Door het vasten moet de moslim zich 'leeg maken' voor God. Het traditionele 'vastenbreken' na zonsondergang is een feestelijke gebeurtenis, waarbij de gelovige zich bewust is van zijn medemensen. Daarom krijgt het gezamenlijk eten met verwanten en vrienden grote nadruk.

De vierde zuil - zakat, de barmhartigheid
Er is een absolute plicht om armen en behoeftigen te helpen en financieel te ondersteunen. Als men rijk is of meer heeft dan zijn buurman, heeft men dit aan God te danken. Om zich hiervan bewust te worden, moet men armen iets van zijn rijkdom geven. Het opscheppen tegenover anderen over zijn gulle gaven (sadaqa), doet de goede daad echter weer teniet. In veel islamitische staten bestaat een armenbelasting (zakat), die het vrijwillig geven van aalmoezen niet overbodig maakt. De zakat kan worden ingezet om behoeftigen te helpen, het geloof te verspreiden of gevangenen los te kopen.

De vijfde zuil - hadj, de bedevaart naar Mekka
Eens in zijn leven moet de gelovige die het zich qua gezondheid en financieel kan veroorloven de stad Mekka bezoeken. Traditiegetrouw vindt deze bedevaart naar Mekka met de Kaäba plaats in de laatste maand van het islamitische jaar. Tijdens de hadj worden rituelen voltrokken die Mohammed al zou hebben uitgevoerd. Zo moet de gelovige gehuld in een wit gewaad, net als op de dag van de opstanding, wachten in de vlakte van Arafat bij Mekka en God verzekeren: "Hier sta ik tot je beschikking!" De Kaäba is omhuld met zwart brokaat, dat is versierd met in goud gestikte verzen uit de Koran. De Kaäba wordt als een door Abraham en zijn zoon Ismaël opgerichte heilige plaats beschouwd, als eerste plaats ter wereld waar God werd vereerd. Met de bedevaart van miljoenen pelgrims bevindt de afzonderlijke moslim zich in een grote gemeenschap geloofsgenoten.
Tot de hadj behoort ook het bezoek aan Mohammeds graf in Medina, waar de gebedsplaats bijna 500.000 mensen kan herbergen.

 

 

DE KORAN
De Koran bestaat uit 114 soera's, die met heel weinig uitzonderingen op lengte zijn gesorteerd. Soera 2 is de langste van allemaal. Alle soera's samen bevatten 6219 verzen. Elke soera heeft een naam. Zo heet soera 2 'de koe'; de naam zegt niet per se iets over de inhoud van de soera. Elke soera, met uitzondering van soera 9, 'berouw', begint met de 'bismillah', een vaste formule: "In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle." Deze wordt beschouwd als deel van de oorspronkelijke soeravorm. De soera's zijn los achter elkaar geplaatste uitingen en zijn niet gerangschikt op chronologische volgorde van openbaring. De afzonderlijke volgorde binnen de soera's is pas later tot stand gebracht. De tekst van de Koran is verdeeld in dertig gelijke delen en in poëtische vorm (rijmproza) overgeleverd.

Mondelinge overlevering
Mohammed ontving de tekst van de Koran in de grot Ghar Hira bij Mekka, waar de aartsengel Gabriël hem een doek met Gods woord voor ogen hield. Aangezien hij analfabeet zou zijn geweest, zou hij de tekst niet hebben kunnen lezen. Daarom citeerde de engel de woorden van God. Na de openbaringen van de profeet werden deze woorden opgeschreven in de Koran. Daarnaast ontstond een aparte mondelinge overlevering die later is vastgelegd in de Hadith. Deze overlevering van aan Mohammed toegeschreven uitspraken vormt tot op heden een belangrijke bron van religieuze voorschriften naast de Koran. De samenstelling ervan werd pas in de 9e of lOe eeuw afgerond.

In de Hadith wordt verteld van de dood van een groot aantal Korankenners - circa 700 kameraden van Mohammed - tijdens de Slag van Yamama in 633: "Veel hoofdstukken in de Koran die [door Mohammed] openbaar waren geworden, kenden zij die op de dag van Yamama stierven - maar zij waren niet bekend bij degenen die deze slag overleefden. Zij waren toen nog niet opgeschreven" (3). Delen van de openbaring zijn dus door de dood van de 'Korankenners' onherroepelijk verloren gegaan. De derde kalief Oetman (644-656) liet pas de tot op heden geldende versie van de Koran vastleggen en liet alle andere versies vernietigen.

Inhoud van de Koran
Het boek van Allah behandelt vijf hoofdthema's: het laatste oordeel (met hel en paradijs); bijbelthema's; rechtsvoorschriften en theologische discussies; ethische en sociale principes; en religieuze plichten en voorschriften. Op veel plaatsen verwijst de Koran naar het Oude Testament en maakt melding van Abraham, Mozes, koning David en andere Bijbelse personen. De berichten zijn echter sterk veranderd ten opzichte van hun bron en historische voorvallen worden als bekend verondersteld. De Jezus van het Nieuwe Testament wordt in de Koran beschouwd als een belangrijke profeet, maar ontkend wordt dat hij de zoon van God was en aan het kruis is gestorven. Volgens de Koran is een ander voor hem aan het kruis gestorven (vgl. soera 4:157). De Koran ziet zichzelf als een vervolg van wat Allah aan de profeten heeft geopenbaard.

Tekstveranderingen in de Koran
Enkele Koranuitspraken werden na hun openbaring veranderd, en wel zo dat op een Koranvers een ander vers volgt waarin het eerste voorschrift wordt veranderd of gerelativeerd. Deze uitspraken, die tot op heden meestal als tegenstrijdige uitspraken worden beschouwd, werden geïnterpreteerd als 'herzien woord van Allah'. Bovendien zou Satan Mohammed enkele verkeerde passages hebben overgedragen, die later zijn veranderd. Naar dit gegeven verwijst de titel van de in 1988 door de Britse schrijver Salman Rushdie gepubliceerde roman De duivelsverzen.

De Koran na de dood van Mohammed
In de Koran staat over het feit dat na de eerste openbaring de tekst werd veranderd: "Wanneer wij een vers schrappen of in de vergetelheid laten raken, brengen wij daarvoor in de plaats een beter of een gelijk vers. Weet je dan niet dat Allah over alles de macht heeft?" (2). Voor de juiste interpretatie van de soera's is hun datering belangrijk; in het geval van een tegenstrijdigheid met de grondstelling geldt namelijk dat de nieuwere tekst de oudere opheft. Na de dood van Mohammed kreeg Zaid-ibn Tabith de opdracht de Koranteksten te verzamelen en op te schrijven. Er wordt beweerd dat ten minste drie openbaringen zijn weggelaten, zodat critici twijfelen aan de volledigheid van de Koran en de bewering dat het gaat om een exacte kopie van het hemelse origineel.
Toch is elke kritiek op de Koran verboden, omdat deze mensen niet is toegestaan. Voor de moslim is de Koran het werk van Allah en daarom mag geen mens deze vrij interpreteren of er kritiek op leveren. Mohammed was bij de opstelling van de Koran slechts een werktuig van Allah.


Het hemelse origineel van de Koran
Moslims geloven dus dat de Koran de identieke kopie van het hemelse origineel is, maar dan met leestekens, titels en indeling in soera's. Alle delen van vroegere 'boeken' - dus van het Oude en Nieuwe Testament - die op bepaalde punten niet overeenstemmen met de inhoud van de Koran, worden als vervalsing beschouwd. De meeste islamitische geleerden zijn van mening dat de Koran niet zonder de mondelinge overlevering (Hadith) van hun profeet Mohammed kan worden geïnterpreteerd. De Hadith schetst echter geen volledig, nauwkeurig beeld van Mohammed, omdat de overleveringen pas drie eeuwen na zijn dood zijn verzameld en opgetekend.

 

DE SHARIA

De eenheid van geloof en handelen
De sharia is de allesomvattende wetgeving van de islam, die is gebaseerd op de geboden van Mohammed in de Koran en de Hadith. Naast culturele en rituele plichten omvat de sharia strafrecht, burgerlijk recht, familierecht en erfrecht. Islamitisch familie- en erfrecht geldt in bijna de hele islamitische wereld. Burgerlijk islamitisch recht wordt alleen toegepast in Jemen, Nigeria en Saoedi-Arabië; islamitisch strafrecht in tien landen, waaronder Iran en Indonesië. Volgens de sharia behoren niet alleen de 'vijf zuilen', maar ook de 'heilige oorlog', de jihad, tot de religieuze plichten van iedere moslim. In de Koran wordt dat expliciet genoemd. Islamitische geleerden hebben herhaaldelijk benadrukt dat deze uitingen op een concrete historische situatie betrekking hebben waarin de troepen van Mohammed in een moeizame strijd verwikkeld waren met de hen omringende volkeren. In de Koran zijn tegenstrijdigheden te vinden zoals: "Dood de heiden,
waar hij zich ook bevindt, grijp hem, omsingel hem en wacht hem overal op." Maar ook: "O, jullie mensen, wij hebben jullie uit een man en een vrouw geschapen [Adam en Eva] en jullie in volkeren en stammen ingedeeld, zodat jullie liefdevol over elkaar kunnen oordelen." Dus enerzijds wordt de dood van de ongelovigen geëist en anderzijds wordt op de gemeenschappelijke afstamming gewezen en liefde en begrip geëist.

Soenna en Hadith
Volgens de Koran, die het religieuze leven van de moslims regelt, vormt de soenna de op een na belangrijkste bron van tradities, zeden en gebruiken. Ze is gebaseerd op de uitspraken en handelingen van de profeet en vormt daarmee de basis van de politieke, juridische en religieuze praktijk. De soenna bestaat uit persoonlijke uitingen en beslissingen van Mohammed die zijn verzameld in de Hadith. Moslims maken het onderscheid of de profeet over theologische vraagstukken spreekt of over alledaagse dingen. In dit onderscheid volgen ze een uitlating van Mohammed: "Als ik iets met betrekking tot het geloof beveel, gehoorzaam dan. Wanneer ik jullie iets zeg over wereldse dingen, spreek ik als een normaal mens".

Het dragen van de sluier
In de Koran staat geen uitdrukkelijk gebod dat vrouwen voorschrijft een sluier te dragen. De Koran schrijft wel voor dat vrouwen zich zedig moeten kleden, om mannen niet in verleiding te brengen. Het gebod een sluier te dragen werd ongeveer in de 9e eeuw ingevoerd, waardoor vrouwen maatschappelijk werden uitgesloten. Zodra een meisje geslachtsrijp wordt, moet ze in sommige islamitische landen buitenshuis een sluier dragen. In Afghanistan, tijdens het Talibanrcgime 0996-2001), moesten vrouwen hun hele lichaam bedekken en een sluier dragen die vrijwel het hele gezicht bedekt. Ten tijde van Khomeini moesten Iraanse vrouwen dat ook.

Voorbestemming of vrije wil?
De vrije wil is ook in de islam een omstreden thema, waarover twee visies overheersen. Aanhangers van beide onderbouwen hun argumenten met citaten uit de Koran. Degenen die de voorbestemming ('quadar') tot dogma (geloofspunt) willen verheffen, gaan ervanuit dat God als schepper van de wereld en de mensen de wegen van zijn schepping heeft voorgeschreven. Soera 54:49 brengt deze fatalistische opvatting tot uiting: "Voorwaar, wij hebben alles naar maat geschapen." De mens bezit volgens deze opvatting geen beslissingsvrijheid, omdat God het toekomstige verloop van alles van tevoren kent. De consequenties van de voorbestemming zijn eenduidig: een goed mens is goed, omdat God het zo wil en dat geldt ook voor een slecht mens. Daarover zegt soera 8:17: "Gij doodde hen niet, doch Allah was het Die hen doodde." De islamitische vertegenwoordigers van de wilsvrijheid brengen hier tegenin dat het onlogisch is aan te nemen dat een goede en rechtvaardige God iemand zou kunnen straffen die nu eenmaal niet anders kan handelen dan hij doet.
Deze twee standpunten zijn in de islam altijd lijnrecht tegenover elkaar blijven staan. In de praktijk gelooft een moslim in de voorbestemming ('kismet'), maar handelt hij als iemand die een vrije wil bezit. Niets is in de islam meer omstreden dan de voorbestemming van de mens en alle levenslopen. 

 

GODSBEELD EN LAATSTE OORDEEL

Geloof in één god
Moslims bidden tot één enkele, ongedeelde God. Veelgoderij wijzen ze pertinent af en ook de christelijke opvatting van een God met drie aspecten (Vader, Zoon en Heilige Geest) kunnen ze niet accepteren. Mohammed voerde het monotheïsme in toen zijn landgenoten nog vele goden, geesten en demonen vereerden. Allah is voor Moharnrneds volgelingen een persoonlijke God. I Tij is de schepper en behoeder van de wereld. Soera 112:1-4 zegt: "Zeg: "Allah is de Enige. Allah is zichzelf-genoeg, Eeuwig. Hij verwekte niet, noch werd Hij verwekt. En niemand is Hem in enig opzicht gelijk." In de Koran staan 99 namen voor Allah: hij is schepper, voortbrenger, behouder, wijze, machtige, goede, barmhartige, onvergelijkbare en wordt 2700 keer genoemd in de Koran.

Geen honderdste naam voor God
Het ontbreken van de honderdste naam betekent dat God zelfs met zoveel attributen niet te omschrijven is. Moslims bidden zijn namen met behulp van de 99 kralen van de islamitische rozenkrans, die 'tasbih' wordt genoemd. Waarschijnlijk hebben de moslims de 'rozenkrans' van de boeddhisten overgenomen. De katholieke rozenkrans is vermoedelijk door de kruisridders meegenomen naar Europa. God schiep, net als in de christelijke Bijbel, de mensen uit een kluit aarde en blies hem zijn levensadem in. Daardoor werd de mens Gods plaatsvervanger op aarde - khalifa genoemd. God heeft met de mensen een overeenkomst gesloten, waarin duidelijk wordt dat Hem de hele schepping toebehoort en de mensen I Iern dienen. Aan het einde der tijden zal God rechtspreken over zijn schepping. God is barmhartig, maar hij zal de zondaren streng bestraffen.

Het Laatste Oordeel
Net als bij het christendom spreken de islamitische openbaringen van een dag van het Laatste Oordeel aan het einde der tijden. Dan wordt ook het einde van het universum ingeluid, dat net als alles wat door God is geschapen een begin en een einde heeft. In de Koran zijn talloze, plastische beschreven verwijzingen naar deze laatste gebeurtenis te vinden. Het zal een dag zijn "waarop kinderen grijze haren krijgen (van de schrik)" (soera 73:17). Tot deze dag, die onverwacht komt, is de verblijfplaats van de ziel van de overledenen onbekend. Alles wat over deze laatste dag in de Koran te vinden is, gaat over de zogenaamde grafstraf (soera 32:11). Deze wordt door een engel in naam van God uitgevoerd en bestaat er volgens de tradities in dat het graf van de zondaar zeer krap wordt gemaakt (2). Dat wordt in de islam als onaangenaam ervaren. Het echte hiernamaals, verbonden met de heerlijkheid Gods, breekt pas aan op de laatste dag van onze werelcl en doet deze dan voor altijd verdwijnen.
De zeeën verheffen zich, de zon wordt verduisterd, de sterren storten op de aarde neer en de hemel verdwijnt. God is de opperrechter op deze dag van de afrekening en alleen Mohammed kan een goed woordje doen voor de zondaar. Zondaren die worden bestraft, moeten de vrucht van een boom eten: "Als gesmolten koper zal hij in de buik koken, gelijk het koken van ziedend water" (soera 44:43-46).
God is genadig, maar één zonde vergeeft hij nooit: het aanbidden van andere goden.

Opgenomen worden in het paradijs
Op die dag zullen van de goede mensen de "gezichten verlicht zijn, opziende naar hun Heer" (soera 75:22 e.v.). Voor hen staat de deur van het paradijs open, dat zeer aards wordt beschreven. Het paradijs betekent leven in een win waar beekjes door stromen, waar bomen schaduw leveren en de bewoners zich op ligbedden met edelstenen in het aangename licht uitstrekken en heerlijke spijzen nuttigen.
Hoeri's (Arabisch voor 'de witten' - de mooie meisjes in het paradijs), die de mannen verwennen, worden op vier plaatsen in de Koran genoemd (bijvoorbeeld in soera 2:25) en hebben veel christelijke schrijvers tot losbandige voorstellingen verleid. Maar hoe zien beloningen in het islamitische paradijs eruit? De Koran en overleveringen beschrijven deze tot in detail. In de verzen 12-39 van soera 56 staat:
"In tuinen van verrukking, op sofa's doorvlochten met goud en edelgesteenten, daarop nederliggende, naar elkander toegewend! Daar zullen jonge mannen onder hen rondgaan die niet zullen verouderen: met bekers, kannen en kopjes gevuld uit een zilveren bron ... en er zullen schonen [hoeri's] zijn met grote, mooie ogen, als verscholen paarlen."

Enorme weegschaal en haardunne sirat
Wie niet heeft gezondigd, heeft hij Gods gericht niets te vrezen. Hij wordt in Zijn rijk opgenomen. De zondaren worden op een gigantische weegschaal gewogen om het gewicht van hun misdrijven exact vast te stellen. Op de ene schaal van de weegschaal liggen alle zonden, op de andere ligt een klein stukje papier waarop de islamitische geloofsbelijdenis is gedrukt (5). De zwaarste beproeving op deze dag vormt de tocht over de sirat ('brug'). Deze is dunner dan een haar en scherper dan een zwaard. Wie hier zijn weg voortijdig beëindigt, stort in het hellevuur. Daar aangekomen wordt hem door de hellegeesten een gloeiende ketting in de mond gestoken en uit zijn achterwerk weer naar buiten getrokken. Over de schoonheid van het eeuwige leven zeggen islamitische dichters en mystici zoals de Indische dichter Mohammed Eqbal (1887-1938):
"Eeuwig leven is echt leven, betekent altijd nieuwe, zich verdiepende geestelijke ervaring, in de onpeilbare diepten van het goddelijke." De Koran geeft de gelukzaligheid in het paradijs even gedetailleerd weer als de eeuwige kwelling in de hel.

 

MYSTIEK

Het soefisme
Het begrip soefisme heeft een verband met her Griekse woord voor wijsheid, 'sophia', en met het Arabische woord 'saf', dat staat voor reinheid. Met wijsheid wordt in het soefisme niet zozeer het vernuft bedoeld of de wens zoveel mogelijk te weten, maar eerder de wijsheid van het hart. De soefi wil daarom de Koran niet alleen uit zijn hoofd kennen en zijn leven ernaar inrichten, maar ook de 'innerlijke' rijkdom ervan ontdekken, om zich daardoor heter te kunnen overgeven aan God. Een soefi heeft niet genoeg aan het vervullen van de vijf islamitische plichten en het respecteren van de wet (sharia). Hij zoekt het directe beleven van God, dat hem leidt naar de eenheid met God, zijn schepper. Deze houding brengt de soefi's regelmatig in conflict met orthodoxe (rechtgelovige) moslims, omdat een geïnspireerde mysticus zich niet wenst te binden aan dogma's (geloofsleren) en gangbare geloofsopvattingen. Dat wat en waarin een soefi gelooft, is voor de gemiddelde moslim vaak onbegrijpelijk. Desondanks hebben de verschillende soefischolen in de loop van de geschiedenis een revolutionaire en vernieuwende invloed op de islam uitgeoefend, bijvoorbeeld dat er wordt nagedacht over God.

Soefisme in de loop van de geschiedenis
In de meer clan 1000-jarige geschiedenis van het soefisme hebben zich ontelbare orden en broederschappen gevormd die allemaal hun eigen uitingsvormen hebben ontwikkeld. Velen leiden het begrip 'soefisme' ook af van het Arabische woord 'soef', voor wol, waarmee ze eigenlijk doelen op het witte wollen gewaad dat de eerste mystici als teken van nederigheid droegen. De eerste soefi en oprichter van de beweging die door de meeste latere meesters is erkend, is Hasan alBasri (640-728), die de eerste school in Basra (Irak) oprichtte.

Dronken soefi's en identiteit met God
Naast de vertegenwoordigers van een gematigd soefisme, die door islamitische heersers werden geduld, ontwikkelde zich onder de naam 'dronken soefi's' een stroming die door haar extatische en provocerende uitingen het religieuze gevoel van veel moslims shockeerde. Een aanhanger daarvan was al-Hallaj, die in 922 wegens godslastering werd terechtgesteld. Hij verkondigde onder andere: "Ik ben geworden wie ik liefheb; degene die ik liefheb, is ik geworden. \Xfij zijn twee geesten versmolten in één lichaam." Hij stelde hiermee dat God en hij volkomen gelijk waren geworden en dat is volgens de meeste moslims nog steeds een onacceptabele godslastering. In de l le eeuw waren er bovendien broederschappen die het volk door tovertrucs misleidden en uitbuitten en daarmee het soefisme een nog slechtere naam bezorgden.

Dansende derwisjen
Pas vanaf de 13e eeuw werd het soefisme algemeen erkend in het hele islamitische rijk, vooral vanwege de Perzische dichter en mysticus Roemi. die in Konya (Turkije) de Mevlevi-orde oprichtte. Deze orde, die tot op heden vooral zingt en danst, wordt ook wel 'orde van de dansende derwisjen' genoemd.

Technieken voor de vereniging met God
Om een te worden met God moet het ego, de eigenmachtige drift, bestreden en overwonnen worden. Binnen het soefisme zijn er veel geestelijke wegen die leiden naar God, maar over het algemeen slaat men hiervoor twee richtingen in: de ene groep neemt een emotionele weg om de vereniging met God te bereiken. In orden die deze weg volgen, speelt het zingen van soefiliederen en het ritmisch dansen een belangrijke rol. Andere orden gebruiken op yoga lijkende technieken om het hoogste bewustzijn te bereiken. Deze technieken doen een beroep op het inzicht van de mensen. De leerling staat in nauw contact met de meester, de leider van de orde, de sjeik (Arabisch voor 'oudste'). De sjeik draagt beetje bij beetje de noodzakelijke kennis over op de leerling en begeleidt hem als meester c.q, leraar en beschermer tijdens zijn hele weg.

 

MOSKEE (1)

Een plaats van nederwerping
Moskeeën hebben gewoonlijk een centrale bouw met koepels. De moskee (Arabisch 'masdjid' of 'masjid' - 'plaats van nederwerping') is de plaats van bijeenkomst in de islam en heeft bijna overal dezelfde basisopbouw: in het midden van een moskee, vooral in MiddenAzië en India, bevindt zich een open binnenhof met een bron, waar de gelovigen de rituele wassingen voor het gebed kunnen uitvoeren. Aan twee zijden van het gebouw grenzen vaak ruimten voor de studenten en de geleerden. In het midden van de wand die naar Mekka wijst ('kibla '), bevindt zich een nis Cmihrab) die de richting van de Kaäba aangeeft. Rechts daarvan staat de kansel Cminbar') voor de imam, de voorganger van de moskee.
Een ander bouwkundig element van de moskee is de minaret, de toren, waarvanaf de roeper ('muezzin') de gelovigen vijf keer per dag oproept tot het gebed, tegenwoordig meestal versterkt door een luidspreker. In Turkije, Syrië en Egypte zijn ook in gesloten gebouwen islamitische gebedshuizen te vinden, waarmee ze wel wat lijken op christelijke kerken.

Gedrag van de gelovigen
Wanneer een gelovige de moskee betreedt, blijft hij eerst staan bij de deur die het heilige deel van de moskee van de buitenwereld scheidt. Hier trekken moslims die komen bidden - net als bezoekers - de schoenen uit. Volgens de overleveringen heeft Mohammed het volgende gezegd over moskeeën: "Wanneer je een moskee betreedt, moet je zeggen: 'Oh Allah! Open voor mij de deuren van Uw genade." Bij het verlaten moet hij zeggen: "Oh Allah! Ik vraag om Uw gunst".
Als de gelovige de voorgeschreven wassingen nog niet heeft uitgevoerd, gaat hij naar de bron op de binnenhof om zijn voeten ritueel te reinigen. Nadat de gelovige zijn schoenen heeft uitgetrokken, neemt hij ze zool tegen zool in zijn handen en stapt hij eerst met de rechtervoet door de deuropening. Op deze manier betreedt hij de ruimte die aan het gebed is voorbehouden. Voordat hij zich aan het gebed wijdt, legt hij zijn schoenen met de zolen op elkaar voor zich neer. Vroeger legde hij ook de wapens die hij bij zich droeg voor zich neer. De imam is de voorganger tijdens het gebed.

Vrouwen in de moskee
Natuurlijk is het verdienstelijker om gebeden in de moskee uit te voeren clan thuis. Het is echter noodzakelijk alle gebeden in de Arabische taal uit te spreken. Mohammed heeft niet verboden dat ook vrouwen deelnemen aan het openbare gebed in de moskee. In grotere moskeeën bidden zij op de galerijen.

De vier belangrijkste moskeeën
Mohammed richtte de eerste moskee in 623 op in Quba, niet ver van Medina. Deze bezat nog geen koepel en geen minaret. Moskeeën worden over het algemeen beschouwd als heilige plaatsen, maar zijn tegelijkertijd ook openbare plaatsen, waar men kan ontspannen, praten, eten en drinken of slapen. Vaak worden moskeeën door reizigers en vreemden als rustplaatsen gebruikt. De in religieus opzicht belangrijkste moskeeën van de islamitische wereld zijn die in Mekka, Medina, Jeruzalem en Quba. Een gebed in elk van deze moskeeën is volgens Moharnmeds woorden even veel waard als een kleine bedevaartstocht.

Rituelen bij pasgeborenen
De pasgeborene in een islamitisch gezin wordt de sjahada (geloofsbelijdenis) in het rechteroor gefluisterd en de gebedsroep in het linkeroor. Dit ritueel zorgt er echter nog niet voor dat het kind bij de islamitische geloofsgemeenschap hoort. De sjahada moet ook het laatste zijn wat een stervende voor zijn einde wordt toegesproken. De naamgeving van een kind vindt meestal plaats op de zesde of zevende dag na de geboorte. Deze dag is volgens het voorbeeld van de profeet verbonden met een offer. Indien mogelijk slacht de vader van het kind voor een dochter één en voor een zoon twee schapen.
In sommige landen bestaat daarnaast het gebruik op deze dag het kind kaal te scheren. Men weegt het haar met zilver af en geeft de waarde hiervan uit aan aalmoezen.
– ISLAM,  oorsprong, geschiedenis en de praktijk  (15)

MOSKEE (2)

Een feestelijke gebeurtenis: de besnijdenis
De besnijdenis van jongens Chitari') wordt door de meeste moslims als plicht beschouwd, anderen zien het als een soenna (gebruik). In de Koran is geen sprake van besnijdenis bij meisjes. De besnijdenis van een jongen moet geschieden voordat hij geslachtsrijp wordt, meestal ergens tussen zijn vijfde en zevende levensjaar. De besnijdenis is een feestelijke handeling, een ritueel dat teruggaat tot Abraham. Feestelijke kleding, geschenken en zoetigheden bieden troost voor de geleden pijn. Turkse jongens worden vaak als kleine prinsen aangekleed. Ze dragen een versierd feestpak in felle kleuren, met daarbij een met wit dons afgezette cape en een met pailletten en veren versierd hoofddeksel. Het belangrijkste is de sjerp met het opschrift "Maflallah", een uitroep van vreugde over alles 'wat God heeft gewild'. Het volksgeloof schrijft dit woord een afwerende kracht tegen het 'boze oog' toe, reden waarom het graag in relatie met kinderen wordt gebruikt. In de moslimwereld komen talismans met dit opschrift heel veel voor (vaak een oog van blauwe steen of blauw glas).

Huwelijk, een duurzaam verdrag
Het huwelijk geldt in de islam als enige na re streven levensvorm en enige plaats voor legitieme seksuele betrekkingen. Voor- en buitenechtelijke seks, vooral die met personen van hetzelfde geslacht, zijn verboden. Het celibaat en het monnikenbestaan worden eveneens afgewezen. Het voordeel van het huwelijk wordt door de Koran (24:32) als volgt gemotiveerd:
"En huwt uw alleenstaanden en de deugdzamen onder uw mannelijke of vrouwelijke slaven. Indien zij arm zijn, zal Allah hen uit Zijn overvloed verrijken, want Allah is milddadig, Alwetend." De islam schrijft her huwelijk een stabiliserend effect op de maatschappij roe en gaat daarbij uit van het model van de complexe grootfamilie. Het huwelijk is volgens islamitisch recht een duurzaam verdrag. De soennitische islam erkent geen tijdelijke huwelijken.

De bruiloft
De huwelijksvoltrekking is een feestelijke gebeurtenis en de Hadith bevat ook volop verwijzingen dat een bruiloft vreugdevol moet worden gevierd. Een bruidsschat en een feestmaal voor familie en vrienden zijn in islamitische staten vaak verplicht. Het islamitisch centrum in Aken geeft de volgende voorstelling van een islamitische bruiloft die ook opgaat voor islamitische bruiloften in andere plaatsen: "Bij het vieren mogen de feestgangers vrolijk zijn, zonder echter de door de islam gestelde grenzen te overschrijden. Als muziekinstrument is alleen een soort tamboerijn toegestaan en mannen en vrouwen moeten gescheiden van elkaar zitten. Het gebruik van alcohol, gemengd dansen of dansen door vrouwen voor de ogen van mannen is verboden. Het is niet gebruikelijk elkaar een trouwring om te schuiven."

Islamitisch huwelijksrecht
In de sjiitische islam bestaat onder bepaalde omstandigheden de mogelijkheid van een echtscheiding (bijvoorbeeld bij overspel, kinderloosheid). Voor een moslima geldt dat zij alleen uit de kring van moslimmannen een echtgenoot kan kiezen. Een moslimman mag in een islamitische staat met maximaal vier vrouwen tegelijk getrouwd zijn. Deze vrouwen kunnen islamitisch, christelijk of joods zijn en mogen als echtgenote van een moslim niet door hun echtgenoot worden gehinderd in de uitoefening van hun eigen geloof, bijvoorbeeld als het gaat om het bezoeken van de diensten van haar gemeente of het nuttigen van voeding volgens de regels van haar religie.

Problemen bij gemengde huwelijken
Indien een moslima met een niet-moslim trouwt, bestaat het gevaar dat deze haar verhindert haar kinderen volgens het islamitische geloof op te voeden of haar kinderen van de islam verwijdert, Gemengde huwelijken hebben over het algemeen ook geen goede naam omdat een christelijke of joodse echtgenote niet verplicht is volgens de islamitische regels van rituele reinheid te leven. De bepalingen betreffende de partnerkeuze schrijven bovendien voor dat een geldig gesloten huwelijk als verbroken geldt wanneer een van de partners het voorgeschreven religieuze kader verlaat. Zo'n huwelijk wordt dan als mislukt beschouwd.

 

 

FUNDAMENTALISME

Radicale afscheiding van het Westen
Het islamitische fundamentalisme heeft als doel terug te keren naar de oorsprong van de islam en de islamitische waarden. Moslimfundamentalisten streven naar een maatschappelijke orde die het islamitisch recht in alle bereiken doorvoert. Mensenrechten volgens burgerlijk recht en een liberaal leven in de democratische wereld- en waardengemeenschap bestaan niet volgens deze fundamentalisten, omdat deze
niet in de Koran voorkomen. Extreme fundamentalisten zijn bereid te sterven voor hun overtuiging en zien hun dood niet als zelf moord (die een doodzonde jegens Allah betekent), maar als martelaarsdood. Zij blazen zich onder andere op met explosieven, om de islam wereldwijd door middel van agressie het nodige respect en aanzien te verschaffen.
Het oemma-gevoel, het saamhorigheidsgevoel van de moslims, is toegenomen door de dreiging vanuit het Westen. Voor moslimfundamentalisten is het laïcisme (scheiding van staat en kerk c.q. religie) ondenkbaar. Het is hun doel om voor alle islamitische landen de islam en zijn rechtsmodel volledig op staatsniveau te verwezenlijken en zich niet in elk opzicht op westerse voorbeelden te oriënteren.

Gerechtvaardigde bereidheid tot geweld?
De Koran staat weerstand tegen onderdrukking door onrechtvaardige regimes absoluut toe, zoals duidelijk blijkt uit soera 42:41 e.v.: "Maar er is geen verwijt tegen hen die zich verdedigen nadat hun onrecht is aangedaan. Het verwijt is slechts tegen hen die de mensen onrecht aandoen en ten onrechte in het land opstand veroorzaken. Dezen zullen een pijnlijke straf ontvangen." In de eerste eeuwen van de islam deelden de moslims de wereld in twee sferen in: 'die van de islam' en 'die van de oorlog'. Maar in soera 42 staat ook C 42:43): "En hij die geduldig is en vergeeft - dat is voorzeker een teken van een sterk karakter." De Koran blijft
in veel opzichten dubbelzinnig. Dan weer ligt de nadruk op vergeving, dan weer op het gewapende conflict. Daarom kan een terroristische moslim die zich alleen baseert op de agressieve uitingen, volhouden dat hij geheel en al in de geest van de Koran handelt.

Wahabieten
De wahabieten hangen een ultraconservatieve, puriteinse, islamitische beweging aan, die enerzijds een reactie is op de heerschappij van de stammen in Arabië die in werkelijkheid nooit echt islamitisch zijn geweest en bovendien volgens hun eigen stamregels en gewoonterecht leefden, en anderzijds op de heerschappij van de Ottomanen, die zich ver verwijderd hadden van de leer van de vrome voorgangers van de vroege islam. De hervormer Mohammad ibn Abel al-Wahhab (1703-1792) behoorde tot de soennitische rechtsschool van de hanbalieten en predikte de uitroeiing van alle 'nakoraanse' vernieuwingen en de terugkeer naar de ware islam van de voorganger. Hij stond alleen de aanbidding van God toe, veroordeelde alle andere vormen van verering van heiligen (inclusief die van de persoon Mohammed), chrijnen en graven en eiste de allesomvattende inzet voor de islam (jihad).

Effecten op het extreem fundamentalisme
Voor Abd al-Wahhab waren alleen degenen die zijn leer volgden echte moslims, alle anderen bleven ongelovigen en moesten worden bestreden. De wahabieten verklaarden alle niet-moslimstammen de heilige oorlog. In 1773 veroverden ze Riaad en richtten een islamitische staat op waarin de mensen een aan God gewijd leven konden leiden volgens de geboden van de gezuiverde sharia. Muziek, tabak en vergelijkbare geneugten waren verboden en het westerse modernisme werd als een alom aanwezig gevaar beschouwd. De wahabiten leven nu vooral in Saoedi-Arabië (en vormen daar de meerderheid van de grotendeels soennitische bevolking). Osama Bin Laden was een wahabiet, evenals de godsdienststrijders van de moedjahedien.

 

De islam in een moderne staat

De hervormer Kemal Atatürk
Moestafa Kernal (1882-1938), zoon van een lage ambtenaar, groeide op in de internationale en tolerante Griekse stad Saloniki, het tegenwoordige Thessaloniki. Hij zou de grote hervormer van de islamitische kaliefenstaat worden. Hij verzamelde aanhangers om zich heen die net als hij voor een moderne Turkse staat naar westers model waren. Tijdens vrije verkiezingen kwam hij met zijn nieuwe ideeën als winnaar uit de bus. Daarna schaften de 'kernalisten' op 1 november 1922 het sultanaat af. De laatste Ottomaanse heerser behield hier alleen nog de geestelijke macht. Nadat op 13 oktober 1923 de hoofdstad naar Ankara was verplaatst, werd op 29 oktober 1923 de republiek uitgeroepen en daarmee de nieuwe staatsrechtelijke toestand bekrachtigd. De Europese beschaving had laten zien superieur te zijn aan het Ottomaanse Rijk. Teneinde een minderwaardige en afhankelijke positie van de Turken te voorkomen, achtte Atatürk het noodzakelijk staat en maatschappij consequent te verwesterlijken: "Er is geen tweede beschaving; beschaving betekent Europese beschaving, en die moet worden ingevoerd - zowel met rozen als met doornen."

Nationale getuigenis
Het Turkendom werd uitgeroepen tot de nationaliteit van de in het gebied van de Turkse staat levende mensen. '·Wat een geluk is het om te zeggen: ik ben een Turk" werd beschouwd als centrale getuigenis. Enkele jaren eerder had een zich als 'Ottomaans· beschouwende elite de 'Turken' onder de onderdanen veracht als onwetende boeren en herders. De ontdekking van de 'Turkse cultuur' en de zuivering van de Turkse taal vormden de kernpunten van het cultuurbeleid van de nieuwe Turkse staat. De islam raakte als identificatiekenmerk op de achtergrond.

Consequente scheiding van islam en staat
De religie stond Kemal Atatürk en zijn hervormingen tijdens het moderniseringsproces van het land in de weg. Daarom moest het geloof een privéaangelegenheid worden.
De afschaffing van het kalifaat kwam overeen met de afschaffing van de islam als staatsreligie in de grondwet van 1928. ln 1937 werd het principe van het laïcisme - de scheiding van religie en staat - in de grondwet opgenomen: "De Turkse staat is republikeins, nationalistisch, volksverbonden, laïcistisch en revolutionair."

Voorbeeld voor andere staten
Het 'kernalisrne' kan als eerste poging van een 'eigen ontwikkelingstraject' van voormalig islamitische staten worden beschouwd, die latere hervormers en revolutionairen in de Arabische wereld en het Midden-Oosten als voorbeeld heeft gediend. Tot deze laatsten behoren sjah Reza Pahlavi (Perzië), president Habib Bourguiba (Tunesië). president Garnal Abele! Nasser (Egypte) en revolutieleider Moeammar al Ghaddafi (Libië). Ze hebben allemaal een scheiding van staat en islam doorgevoerd, maar nergens anders heeft een hervorming van een voormalige islamitische staat zo'n duurzaam effect gehad en werd deze zo compromisloos doorgevoerd als in Turkije. Kernal Atatürk werd al tijdens zijn leven door de meeste Turken zeer vereerd - en wordt dat nu nog steeds. Zijn sterfdag, 10 november 1938 was tot 1987 dag van nationale rouw en wordt sinds 1988 als Atatürk-gedenkdag gevierd.

EINDE