Overdenkingen t.a.v. de antwoorden uit het boekje vragen en antwoorden behorend bij de catechismus van de NAK

door Paul G. Smits

  

 

Voorwoord

Zoals reeds eerder is aangekondigd gaat de serie; Overdenkingen bij het boekje vragen en antwoorden (bva), vanaf heden van start. Lang heb ik getwijfeld of ik het wel zou doen, maar ook heb ik getwijfeld over ‘hoe’. Eén van de vragen waar ik mee worstelde is, ben ik er al rijp voor een dergelijk vraagstuk aan te pakken. Het leveren van commentaren op de officiële leer. 
Ongeveer 35 jaar geleden las ik het proefschrift van Marinus Tang. Vele malen heb ik het weggelegd, weer opgepakt en weggelegd. Nader beschouwd was ik er nog niet aan toe. Het heeft een aantal jaren geduurd voor ik het diepste uit het kritische gedeelte van het boek kon plaatsen en toch ook gewoon een Nieuw-Apostolisch lid en dienaar kon blijven. Dat is lastig, maar ik heb die weg gevonden. Voor de duidelijkheid het gaat hier dus om de uitspraken, leer en gebruiken in de NAK en de wetenschappelijke bevindingen, die o.a. door Tang e.a. zijn gedaan, welke behoorlijk conflicterend zijn.
Vaak werd ik door nieuwsgierigheid gedreven, zoekend naar .....? Lezend werden vaak meer vragen opgeworpen dan beantwoord. Lang heb ik me aan de woorden van Harry Kuitert gekoesterd; ‘een mens is een ongeneeslijk religieus dier’. Later ontdekte ik dat deze uitspraak wel voor mij geldt maar lang niet voor iedereen. Voor mij is die zoektocht naar het Allerhoogste er eigenlijk altijd geweest, ook voordat ik op negentien jarige leeftijd gedoopt en verzegeld werd.
Experimenten, zoektochten en andere vormen van onderzoek hebben een sterke basis nodig, deze heb ik altijd gevonden in Jezus, die ons het ‘gezicht’ toonde van de Allerhoogste. Met als belangrijkste rots de Bergrede, waaruit de zaligsprekingen de kern vormen. Ik heb een voor mij belangrijke hieronder geplaatst.

De zaligsprekingen zijn geen losse reeks van spreuken, er zit volgorde in. Het is ook niet toevallig dat de zaligsprekingen beginnen met:   
Zalig de armen van geest....
  
Wat wordt er bedoeld met; arm van geest of nederig van hart zijn?
  
Onder  "arm" kan in beide testamenten een brede reeks aan betekenissen gelezen worden. Het Oude Testament gebruikt vijf verschillende woorden uit de Hebreeuwse taal, terwijl het Nieuwe Testament er twee vanuit de Griekse taal gebruikt. Deze zeven zijn echter in een groot aantal Nederlandse woorden vertaald. Behalve dat ze armoede beschrijven, komen ze ook voor in een verband die duidt op onderdrukking, nederigheid, weerloos zijn, lijden, behoeftig zijn, zwak, mager, laag, afhankelijk en in sociaal opzicht minderwaardig.
Arm van geest heeft ook niet te maken met het gewoon 'arm' zijn in economische zin. Sommigen hebben gemeend dat Luk. 6:20: "Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God" (dus zonder 'van geest'), aangeeft waarom het werkelijk gaat en dat Matteüs deze uitspraak vergeestelijk heeft. De rijken zouden er dan 'automatisch' slecht aan toe zijn (Luk. 6:24 en 25). Toch is dit eveneens niet bijbels te funderen. Arm zijn, in economische zin, is geen voorwaarde om geestelijk gezegend te worden (zie ook Spr. 30:8) terwijl rijkdom niet noodzakelijk een beletsel is om bij de Heer te horen. Abraham, Job en Jozef van Arimathea waren 'rechtvaardigen' in bijbelse zin en tegelijk rijk in materiële zin.
Ook Jezus was, in zekere zin, arm van geest. Niet in de zin dat Hij van zichzelf wist dat Hij geestelijk bankroet was, dat zeker niet. Wel in de zin dat Hij zich afhankelijk wist van de Vader."Ik kan van Mijzelf niets doen" (Joh. 5:30, 5:19) en Joh. 8:28. Zie verder ook Joh. 14:10. “Geloof je niet dat ik in de Vader ben, en dat de Vader in mij is? Wat ik tegen jullie zeg, zeg ik niet op eigen gezag, maar op gezag van de Vader die in mij woont en door mij werkt.”
Wat een belangrijke les ligt hierin voor iedere christen!

De bedoelingen en de koers die ik in deze serie ga bewandelen vraagt een uitleg vooraf. De Bergrede is en blijft voor mij één van de belangrijkste passage’s uit de bijbel. In de serie zal blijken dat ik een wat onconfessionele koers ga varen. Hieruit zou men kunnen afleiden dat ik niet nederig van hart ben. Wat ik ga proberen is, dat ik dat wel ben en toch een wat andere koers vaar dan de gemiddelde (Apostolische) christen doet.
Ik heb een kleine twintig jaar zondagsschool gegeven en nooit mijn twijfels over bepaalde bijbelpassage’s op zondagsschool uitgesproken. Ik besefte maar al te goed dat deze twijfels bij een bepaalde ontwikkelingsfase hoort. Daar kunnen kinderen van de zondagsschool nog niet aan toe zijn. Als je ouder bent is het begrijpelijk dat je daar vroeger of later wel aan toe komt aan, twijfels over het ‘waarheidsgehalte’ van vele bijbelse verhalen. In een weer later stadium ga je inzien dat de schrijvers van deze stukken niet een feitenrelaas weergaven, maar hun mystieke ervaringen met de Allerhoogste probeerden weer te geven.
De theoloog John Stott heeft dit op voortreffelijke manier weergeven in de volgende regels;
Als wij de bijbel lezen, moeten we niet denken dat;
de oude volken letterlijke verhalen vertelden,
die wij dan symbolisch moeten uitleggen,
nee, zij vertelden in symbolische zin en
wij zijn vaak zo stom om de verhalen letterlijk te nemen!
Velen van u zullen dit begrijpen als ze het lezen, maar het is toch heel anders als je met veel zaken geworsteld hebt, er aan toe was, en dit dan leest. Dan is de reactie heel anders, zo van; ‘dit voelde ik ook al een tijd zo, maar deze man/vrouw spreekt de woorden uit die ik al lang zocht’. Ik heb op latere leeftijd (theologie) gestudeerd. Tijdens o.a. de colleges godsdienstpsychologie, dacht ik tijdens elk college weer; ‘ik zie m’n eigen ontwikkeling in het geloof voorbij trekken, het lijkt wel of het over mij gaat’.
In die tijd is er ontzettend veel van m’n nieuwgierigheid bevredigd, maar in heb ook geleerd dat je moet oppassen met weggooien van oude waarden. Voorbeeld wat ik graag hanteer naar aanleiding hiervan is; stel je woont als student in een studentenflatje, al een tijdje baal je van een aantal oude slechte meubelstukken. Het één heb je vrienden gekregen het ander van een familielid en het bed gaat nog wel. Op een dag laat je je door een aantal vrienden, na wat biertjes, verleiden ‘die ouwe troep’ eruit te gooien. Het raam gaat open en hup daar gaan de stoelen en de tafel. De volgende dag, ontnuchtert, zit je dan op de grond te studeren. Dat is dus geen oplossing, eerst wat beters voor dat het oude weggaat!
In m’n geloof heb ik altijd eerst naar de vervanging gezocht, het een tijd naast elkaar gebruikt en dan pas de keus gemaakt of iets weg kon. In die voorzichtigheid wil ik deze overdenkingen met u bespreken.


Inleiding 

De Nieuw-Apostolische Kerk kiest ervoor in het boekje ‘vragen en antwoorden’ (bva) om de antwoorden overeenkomst de Bijbelse waarden in te vullen. Dit is overeenkomstig het advies van Jezus in de Bergrede, Mt 5:17-18; Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. Wanneer de ‘Bijbelse maat’ genomen wordt, dient ook de uitleg uit de Thora serieus genomen te worden, Jezus zegt hier immers;’ denk niet dat ik gekomen ben om de WET of de PROFETEN af te schaffen‘. Met ‘de Wet en de Profeten’ wordt het gehele O.T. bedoelt, voor de Joden de Tenach.

Tenach (uit Wikipedia).
De Tenach is de Bijbel van het jodendom. De Tenach bevat 39 Bijbelboeken die ook in het Oude Testament voorkomen (maar in een andere volgorde). De algemene term, gebruikt in de wetenschap, is Hebreeuwse Bijbel. Een alternatieve naam is Mikra wat 'geschrift' betekent.

Het woord Tenach.
Tenach is een Hebreeuws acroniem dat is gevormd uit de eerste letters van de drie onderdelen waaruit het is opgebouwd: T van Thora (Wet) N van Nevie'iem (Profeten) CH van Ketoeviem (Geschriften). De uitspraak van de k-klank aan het begin van het woord ketoeviem verandert in een ch-klank aan het einde van het woord Tenach. Het geschreven Hebreeuws bestaat van origine slechts uit medeklinkers en ook tegenwoordig worden klinkertekens in het Hebreeuws weinig gebruikt. Het acroniem "Tnch" is dan ook alleen uit medeklinkers opgebouwd. De klinkers zijn voor de uitspraak echter nodig en worden in de transliteratie wel geschreven. De Tenach is in het Hebreeuws geschreven (met uitzondering van een paar passages die in het Aramees zijn geschreven in de Bijbelboeken Ezra (4:8 - 6:18 en 7:12-26) en Daniël (3:4b - 7:28).

Hoofdindeling
Thora.
De Thora (ook Pentateuch genoemd) bestaat uit de vijf boeken van Mozes: Beres'jiet, Sjemot, Wajikra, Bemidbar en Devariem (ook, in dezelfde volgorde, de eerste vijf Bijbelboeken van het Oude Testament). De Thora is het belangrijkste onderdeel van de Tenach. Ten behoeve van de wekelijkse lezing en studie is de Thora verdeeld in 54 gedeeltes, de zogenaamde parasjot.

Profeten.
De Profeten (Hebreeuws: Nevie'iem) volgt op de Thora en begint met de nieuwe leider Jozua die Mozes opvolgde. Nevie'iem is onderverdeeld in de vroege profeten (Jozua, Richteren, Samuël en Koningen) en de late profeten (Jesaja, Jeremia, Ezechiël en twaalf kleine profeten). Er zijn in totaal 21 boeken.

Geschriften.
De Geschriften (Ketoeviem) bestaan uit een zeer diverse verzameling van literatuur en bestaat uit 11 boeken. Het bevat alle resterende geschriften van de Tenach inclusief de vijf rollen. Ze worden ook wel ingedeeld volgens de categorieën de Sifree Emet (boeken van de waarheid), die bestaan uit Psalmen, Spreuken en Job, wijsheid: Prediker, Job en Spreuken, poëzie: Psalmen, Hooglied en Klaagliederen en geschiedenis: Ezra, Nehemia en I en II en Kronieken. De telling komt in totaal op 11 aangezien Ezra en Nehemia, zoals de beide Kronieken, als 1 boek worden gezien.

De Joden hebben de wetsteksten in de 613 Mitswot uitgewerkt. Als we voor de Bijbelse waarden kiezen, geldt dat we deze waarden mogen hanteren zonder de wetten die in het HIER en NU gelden te schenden. En hier zit ook meteen de pijn, de wetten in het hier en nu, zijn in elk land anders, terwijl het bva en de catechismus wereldomvattend proberen te zijn.

In eerste instantie ben ik begonnen met het schrijven van een commentaar op vraag 333, wat is de betekenis van het vijfde gebod nu voor ons? (Pleeg geen moord). Veel van de onderbouwing die ik t.b.v. deze vraag heb aangemaakt, is in deze inleiding (7 delen) verwerkt. Later ben ik gaan nadenken over het schrijven van commentaren over alle vragen, maar toen heb ik de naamkeuze laten vallen op overdenkingen i.p.v. commentaar. Er moet nogmaals bij gezegd worden dat ik soms andere keuzen maak dan de samenstellers van het boekje vragen en antwoorden doen. Mijn keuzen onderbouw ik in de inleiding en de toelichting bij de vragen.

 

Eerst de geschiedenis

Schepping of evolutie?
Ook hier lijkt een beetje pijn zitten, we kennen allen een groep mensen die wat in de Bijbel staat letterlijk neemt. Voor velen is wat in de Bijbel staat WAAR. Het is immers de heilige schrift, en alhoewel de meesten wel begrijpen dat God hem niet zelf heeft geschreven, is er geen plaats voor ‘fantasie-verhalen’. Als dus de keus wordt gemaakt door een verhaal (geschiedenis) te bestempelen als een allegorie, is dat voor veel christenen moeilijk te begrijpen en lijkt het alsof er iemand gejokt heeft. Maar het is anders en er heeft niemand gejokt. Voor de uitleg van bovenstaande richten we ons hier, als voorbeeld, op Job1:6-12.
Op een dag kwamen de hemelbewoners hun opwachting maken bij de HEER, en ook Satan bevond zich onder hen.
7. De HEER vroeg aan Satan: “Waar kom je vandaan?” Hij antwoordde: “Ik heb rondgezworven en rondgedoold op aarde.”
8. De HEER vroeg aan Satan: “Heb je ook op mijn dienaar Job gelet? Zoals hij is er niemand op aarde: hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad”.
9. Satan antwoordde de HEER: “Zou Job werkelijk zonder reden zoveel ontzag voor God hebben?
10. U beschermt hem immers, evenals zijn gezin en alles wat hem toebehoort. U hebt het werk dat hij doet gezegend, zodat zijn bezit zich steeds meer uitbreidt.
11. Maar als u uw hand naar hem uitstrekt en aantast wat hem toebehoort, zal hij u ongetwijfeld in uw gezicht vervloeken.”
12. Toen zei de HEER tegen Satan: “Goed, met alles wat van hem is mag je doen wat je wilt, maar raak Job zelf niet aan.” Hierop vertrok Satan.
Waarin de rol van Satan niet die van een gevallen engel is, maar van de strafpleiter. Eén van de belangrijkste taken van de koning, bij de oude volken, was rechtspreken. We krijgen hier een beeld geschetst van een hofhouding bij de koning. Ook aan vroegere hoven waar rechtgesproken werd was een aanklager/strafpleiter aanwezig. Hij brengt, ‘tijdens de koffie’, het voorval Job ter sprake en daagt God uit zijn zegen van hem af te trekken. Dit deel van de ‘hemelse gebeurtenissen’ strookt totaal niet met onze eigen ervaringen met God. Wij worden niet in de gelegenheid gesteld bij Hem op ‘de werktafel’ te kijken. Die zelfde ervaring hadden mensen al eeuwen voor onze jaartelling ook. Met andere woorden als je vertelde wat je gelooft, was het een goede oplossing een allegorie bedenken waar je in verwoordt, wat je gedachten zijn c.q. wat je gelooft, zie uitspraak van John Stott, in het voorwoord. Verder stuiten we in het boek Job op dezelfde problemen als in de meeste andere Bijbelboeken. Voor ons ligt niet het werk van een enkele auteur, maar het wisselende resultaat van een langdurig compositie- en redactieproces dat zich waarschijnlijk tussen de vijfde en de derde eeuw voor Christus zal hebben voltrokken. In de tekst spelen steeds tegenstellingen: licht en duisternis, dood en leven, menselijke onmacht en goddelijke almacht, rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid, schuld en onschuld, wijsheid en onwetendheid.

Aan de hand wat we door de wetenschap en andere ervaringen hebben gevonden, probeer ik een beeld te krijgen waarom dat zo of zo in de bijbel staat. Een enkele keer levert dat een contradictie op met wat er in de bijbel staat maar meestal is het goed te verklaren. Omdat we nog lang niet alles weten, kunnen de contradicties die optreden ook niet allemaal opgelost worden. Persoonlijk stoort me dat in het geheel niet.

 

De menselijke geschiedenis.
De homo sapiens of te wel de moderne mens heeft zich in een periode van 200.000 jaar tot ca 10.000 jr geleden als jager-verzamelaars ontwikkeld. Jager-verzamelaars leefden met verschillende gezinnen in kleine groepen (bands) die dertig tot vijftig leden omvatten. Ze woonden niet op een vaste plek. Met de buurgroepen vormden ze een los netwerk, zonder voortdurend met elkaar in contact te staan. Voor het jagen en verzamelen waren grote territoria vereist. De bands kwamen slechts sporadisch bij elkaar om huwelijken voor te bereiden of allianties te onderhouden.
Ze bezaten maar weinig. Rangonderscheid was hooguit een uitvloeisel van individuele capaciteiten of opvallende karaktereigenschappen. Er was geen uitgesproken hiërarchie en echte machtsconcentraties ontbraken. Bestaansmiddelen, met name de jachtbuit, werden gedeeld. Vrijgevigheid verhoogde de reputatie van de jagers. Het leven van de mensheid was verreweg het grootste deel van de geschiedenis uiterst egalitair (gelijkheid nastrevend) en democratisch. Dat liet diepe sporen na in onze psyche en bepaalt nog altijd de manier waarop we onze sociale omgeving waarnemen en interpreteren.
Besluiten nam de groep gezamenlijk, vaak na veel discussie. Hierbij legde de reputatie van een individu veel gewicht in de schaal: kon je op zijn kennis en zijn ervaring aan? Gold hij als betrouwbaar en hulpvaardig? Reputatie was het kapitaal van de oertijd. Omdat de mensen indertijd niet over voedselvoorraden beschikten, moesten ze in sociale relaties investeren, ook met buurgroepen. Wie bewezen had dat hij bereid was anderen te ondersteunen, kon in geval van nood zelf op bijstand rekenen. Goede relaties waren een levensverzekering.
Jager-verzamelaars bezaten maar een paar zaken voor dagelijks gebruik. Een jager had zijn wapen, zijn snijmes. En de jachtbuit werd gedeeld en dit delen werd als het ware gevierd. Wie probeerde neergelegd wild voor zichzelf te houden, leed reputatieverlies en kon bij herhaling op sancties te rekenen. Al het land was van de groep, van de stam, en men wist waar het domein van de buren begon. Maar binnen het eigen territorium bezat iedereen dezelfde gebruiksrechten. Wie beweerd zou hebben, “die boom daar is van mij, van zijn vruchten mogen jullie niet eten”, zou uitgelachen zijn.

Onze basale (eerste) natuur is hier zichtbaar, vormt zich of is reeds aanwezig; liefde tussen ouders en kinderen, gevoel voor rechtvaardigheid, verontwaardiging over onrecht, afschuw m.b.t. inteelt, angst voor onbekenden, zorg voor je reputatie, sociale zorg, jaloezie, intuïtie voor religie. Dat veranderde toen de mensen zich op vaste woonplaatsen gingen vestigen. Dat was onvermijdelijk. De landbouw vereiste dat bepaalde zaken niet meer van iedereen waren. Wat valt er te oogsten, wanneer iedereen zich tevoren kan bedienen? Dus is het voortaan: 'Dit is mijn land! Dit zijn mijn planten en dat zijn mijn voorraden!' Daarvan mocht een ander niets meer nemen zonder tevoren beleefd te vragen. Het was niet eenvoudig om dat nieuwe eigendomsconcept ingang te doen vinden.

Onze tweede natuur vormt zich in; een gevoel voor cultuur, deze verschilt van cultuur tot cultuur, overgeërfde gevoelsstructuren, fatsoensregels, beleefdheid, manieren.
Het kostte heel wat intellectuele inspanning om de idee dat sommige zaken ineens alleen nog maar aan één enkel individu toebehoorden, door een gemeenschap geaccepteerd te krijgen. Hoezo zou dit land of die boom dan plots niet meer ons allemaal ter beschikking staan? Dat was toch altijd zo! Met welk recht noemt iemand dat nu zijn eigen? De etnoloog Frank Marlowe observeerde hoe bij de Hadza, jager-verzamelaars in het huidige Tanzania, sommigen planten begonnen te telen. Ze gaven het al gauw op. De anderen bedienden zich gewoon. Zonder schaamte, dat wil zeggen zonder zich van enig onrecht bewust te zijn. Dat is niet vreemd. Omdat in de oude wereld bezit zo goed als ontbrak, ligt het ontzag hiervoor ook niet verankerd in onze natuur. Om bezit effectief te beschermen, moesten de mensen iets bedenken. Zie hier het achtste gebod; ‘Steel niet’. Maar deze ontwikkeling geldt voor meer zaken, als mensen in groepen leven van 30 tot 50 personen  leven kent iedereen, iedereen. En in een dergelijke groep is het plegen van een moord een niet onopvallende gebeurtenis die al helemaal niet geaccepteerd werd. De pleger was direct ontkoppeld van de groep en dus met alles op zichzelf aangewezen, hetgeen niet makkelijk was om te overleven. Je haalde zulke dingen gewoon niet uit of je was ten dode opgeschreven, je overleefde niet.
In een lange periode treedt geleidelijk de landbouw in. Bij de groei van het aantal mensen is dit onvermijdelijk, om alle monden te voeden en geleidelijk worden de groepen groter, het natuurlijke respect voor het territorium van de andere groep wordt minder. Verder is het zo dat als ook de eigen groep groter wordt, men minder iedereen kent, verdringing, ik eerst, optreedt. De wereld verandert, deze veranderingen vragen om oplossingen, maar dat gaat met veel vallen en opstaan.

We zien hier een nieuwe laag in onze natuur (de derde) zich ontwikkelen; gebruik van het verstand, cultureel verankerde grondregels, maar deze verschillen van cultuur tot cultuur.

 

Lost Paradise.
Met het einde van de ijstijden zo'n 15.000 jaar geleden veranderden veel streken in het als de vruchtbare sikkel bekendstaande gebied tussen de Nijl in het westen en de Eufraat en Tigris in het oosten, in een soort luilekkerland. Kuddes antilopen en gazellen, paarden en wilde runderen bevolkten de uitgestrekte graslanden. Mensen die vroeger als jager-verzamelaars rondtrokken, hoefden dat op veel plekken niet langer te doen. Wonend in vaste kampen, begonnen ze te genieten van de overvloed. Maar het geluk duurde niet eeuwig.

De prehistorici weten niet zeker of er rond 12.000 jaar geleden aan deze paradijselijke omstandigheden een einde kwam door een verandering van klimaat of door toedoen van de mensen zelf. Er zijn veel aanwijzingen voor overbejaging waardoor er te weinig dieren overbleven. Als de mensen niet een soortgelijk lot wilden ondergaan, moesten ze iets verzinnen. Weer gaan rondtrekken was op veel plaatsen geen optie: de buren wilden niemand meer op hun land. Ook ontbrak het na enkele generaties op vaste woonplaatsen al aan kennis om het in de wildernis te kunnen redden. Vertwijfeld zochten de mensen naar overlevingsstrategieën.
Genesis 3:17-19
...... Daarom zal het slecht gaan met de grond waarop je werkt. Je hele leven lang zal je hard moeten werken om genoeg te eten te hebben. Je zult koren zaaien om te eten, maar er zal ook veel onkruid groeien.  Je zult hard moeten werken voor je eten, je leven lang.....

Het was niet zo dat iemand toen riep: “Eureka. We worden boer!” De landbouw ontstond bij toeval. Mensen hadden altijd al bessen, noten of wilde granen verzameld. Rond hun nederzettingen waren voortdurend zaden op de grond gevallen, waardoor de betreffende planten zichzelf waren gaan uitzaaien. Op zeker moment begonnen mensen daar systematisch gebruik van te maken. Ook werd toen een begin gemaakt met het temmen van dieren zoals geiten en schapen.
Het ging niet meer vanzelf en aan een ‘paradijselijke toestand’ was een eind gekomen.

(bron: het oerboek van de mens)

 

Het ontstaan van religie.
Religie zien we ontstaan tijdens de eerste natuur, beschreven in de inleiding (3). Er is een intuïtie voor religie. Bij de eerste samenlevingen, komen we dichtbij de oorsprong van wat religie is. De nomadische samenlevingen trokken door het land en voedden zich met wat zij tegenkwamen. Op het moment dat mensen gaan samenleven en zich permanent gaan vestigen, worden de structuren waarbinnen de individuen zich bevinden ondoorzichtiger. Om het eenvoudig te stellen werd de wereld voor deze mensen moeilijker te begrijpen; de specialisatie zorgde dat er groepen opkwamen van mensen die bepaalde werkzaamheden moesten verrichten, de grote mate van gelijkheid die men kende begon te verdwijnen doordat niet alle beroepen gelijke aanzien genoten en ook omdat niet iedere boer een even groot stuk land had. Er kwam vraag naar een indeling van de wereld die de structuren weer draagbaar zou maken, begrijpelijk. Hier vinden we de opkomst van de eerste met opzet gecreëerde wereldbeelden, de bakermat van religie. Door een buiten wereldlijke macht voor te stellen die boven alle structuren stond, werd een opperstructuur geschapen waar mensen zich aan konden vasthouden. Dat religie ontwikkelde is te danken aan een veelvoud van factoren. Ten eerste moet erop gewezen worden dat de priesterklasse de enige was die kon lezen en schrijven. Zij stond boven het volk, het is dus aannemelijk dat het volk hun ideeën zonder problemen overnam. Ten tweede moet gezegd worden dat de religie een zingeving aan het leven gaf waar mensen behoefte aan hadden. Het was geen probleem hard te moeten werken als daarvoor later een beloning zou komen. Daarnaast gaf religie verklaring voor onverklaarbare verschijnselen zoals bliksem, vuur en regen. Dit kwam allemaal van de opperstructuur; de tekenen waren onverklaarbaar omdat de mens de opperstructuur niet kon doorgronden. Als laatste, en dit zou het belangrijkste punt worden na verloop van tijd, kwamen religie en macht in een sterke onderlinge (afhankelijkheids-)relatie van elkaar te staan. Omdat zij elkaar steunden, waren zij beide stevig verankerd in de maatschappij.

(bron: het oerboek van de mens)

 

Ontstaan van geschriften.
Duizenden jaren na het verloren paradijs, ontwikkelde de priesterkaste zich zo ver dat men gemeenschappelijke herinneringen begon te vastleggen. Gemeenschappelijke waarden en normen werden eveneens vastgelegd en gingen wetmatigheden worden.
De Bijbel is niet in één keer tot stand gekomen, maar is in de loop van honderden jaren samengesteld en steeds weer opnieuw geredigeerd.
Het Oude Testament is in feite de Hebreeuwse Joodse Tenach. Deze omvat 39 boeken. Daarnaast is rond 150 v.Chr. een Griekse vertaling van de Tenach, de zogenaamde Septuagint, gepubliceerd, die veel meer boeken omvatte en van sommige boeken een uitgebreidere versie van wat in de Hebreeuwse Tenach stond. De 39 boeken van de Tenach worden door alle christelijke kerken als canoniek geaccepteerd. De teksten die wel in de Septuagint, maar niet in de Tenach stonden, worden door de meeste protestantse kerken als apocrief beschouwd en zijn in de 16e eeuw verwijderd uit de canon, terwijl de Katholieke Kerk 13 ervan als deuterocanoniek in de canon heeft laten staan. In het artikel Canon van de Bijbel staat zowel voor het Oude als voor het Nieuwe Testament een overzicht van welke kerken welke boeken als canoniek beschouwen.
Het Nieuwe Testament is een verzameling boeken. Hiervan is door Athanasius van Alexandrië in 367 n.Chr. een lijst van 27 boeken opgesteld, die door vrijwel alle christelijke kerken als canoniek worden beschouwd.

(bron: het oerboek van de mens)

 

Interpretatie van de inhoud van de Bijbel.
In tegenstelling tot de meeste christenen, lezen Joden de Bijbel in de grondtaal, het Hebreeuws. Vaak lezen ze belangrijke commentaren, zoals dat van Rasjie, mee, zodat de traditie levend blijft. Volgens het Jodendom heeft God aan Mozes ook een ‘mondelinge Thora’ of ‘mondelinge leer’, gegeven. Deze Misjna vormt samen met de commentaren erop de Talmoed. De Talmoed onderwijst onder andere hoe men als Jood kan leven in een wereld zonder tempel. Tussen de verschillende stromingen van het Jodendom (zoals orthodox, conservatief, liberaal) bestaan ook verschillen in uitleg. Ook de Septuagint, de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, met nog extra apocriefe boeken, is van Joodse oorsprong. Omdat christenen met de Septuagint meenden hun gelijk te kunnen halen, heeft het Jodendom de Septuagint aan de christenen gelaten en zich toegelegd op de Hebreeuwse Bijbel in het Hebreeuws.
Vaak moeten we een poging doen om te ontdekken wat de oorspronkelijke schrijver bedoeld heeft met de tekst, en wat de eerste lezers er uit begrepen zullen hebben. Daarnaast moeten we zoeken naar een toepassing in het hier en nu. In de praktijk zijn beide afhankelijk van de visie die men op de Bijbel heeft.
Een ander punt is als we de Bijbel lezen ‘mogen’ we deze niet in perikopen lezen, een regel een paar woorden, maar moeten we deze veel meer in narratieve zin lezen, naar het verhaal kijken en de betekenis proberen te begrijpen. Verder lijkt het me evident dat de Bijbel voor het overgrote deel bestaat uit geschriften die aangeven hoe mensen God ervaren. Het is dus veel meer het vertellen hoe de mensen God ervaren dan dat het een openbaring of bekendmaking is. Ik denk dat God maar op heel bescheiden schaal zijn wil bekend maakt zoals heel vaak in de Bijbel gesuggereerd wordt. Zelf zal ik nooit de betiteling ‘Heilige Schrift’ hanteren omdat de conclusies die daar uit getrokken worden de verkeerde zijn in mijn opinie.

Verder geldt dat; de oude volken letterlijke verhalen vertelden, zie uitspraak van John Stott, in het voorwoord.

Alhoewel het nieuwe bva gebaseerd op de catechismus van de NAK en een sterke verbetering is t.o.v. het bundeltje uit 1993, blijft de (schrik)gedachte nog altijd een beetje hangen, die Marinus Tang uitte in 1982 in zijn dissertatie.

Vaak drong zich bij het bestuderen van de Hersteld- en Nieuw-Apostolische literatuur de gedachte bij mij op: wat zou het anders hebben kunnen gaan, wanneer men in deze kringen enkele goed geschoolde theologen had gehad. Het vaak benedenmaatse niveau, waarop geschreven en verkondigd werd, doet ons aarzelen de namen van belangrijke theologische schrijvers zelfs maar te noemen. Toch mag ons dat niet de ogen ervoor sluiten, dat men worstelde met de juiste vragen, maar het instrumentarium miste om die goed te formuleren, laat staan om antwoorden te vinden. Door het afwijzen van de wetenschappelijke theologie, sloot men bij voorbaat het zicht op alternatieve antwoorden af. Hierdoor kon de eigen zienswijze nooit uitgeheven worden boven datgene, wat men al meende te weten. Ik meen te kunnen stellen, dat wanneer ergens de onmisbaarheid van wetenschappelijk-theologische bezinning is gebleken, dat het geval is in de ontwikkeling van het Apostolische Werk na 1861. Dit schrijf ik zonder enige hoogmoed en ook zonder de pretentie, dat als er maar theologen zijn, die de Kerk weI in het goede spoor houden. Stellig vinden we in de kerkgeschiedenis voorbeelden van het tegendeel.

Vragen, antwoorden en overdenkingen

Voor ik overga tot de overdenkingen wil ik u deelgenoot maken van mijn fascinatie voor het verloren (en hervonden) evangelie van Thomas, deel 6 uit de Nag Hammadi geschriften, uit dit evangelie logion 22. In mijn opinie was dit de manier waarop Jezus vaak sprak en dus niet begrepen werd door mensen. De uitleg (hier niet geplaatst) van ontdekker en vertaler Gilles Quispel verduidelijkt veel, maar ook de uitleg van Bram Moerland, anders, maar ook (hier niet geplaatst) een goede verduidelijking.

Logion 22, uit het Thomas evangelie;

Jezus zag kleine zuigelingen.
Hij sprak tot zijn leerlingen:
Zij, die ingaan tot het Koninkrijk,
lijken op die zuigelingen.
Zij vroegen hem:
Moeten we dan kinderen worden om
in te gaan tot het Koninkrijk?
Toen sprak Jezus tot hen:
Als jullie de twee één maakt
en als jullie het binnenste maakt als het buitenste
en het buitenste als het binnenste
(het bovenste maakt als het onderste
en het onderste maakt als het bovenste)
en als je het mannelijke en
het vrouwelijke een en hetzelfde maakt,
zodat de man niet meer een man is
en de vrouw niet meer een vrouw
als jullie het vleselijke oog vervangt
door een innerlijke schouw
en je lijfelijke hand vervangt
door een geestelijke tastzin
en je loopbaan vervangt door een levensweg,
en je uiterlijke verschijning vervangt door het beeld
van God in de ziel dan
zullen jullie ingaan tot het Koninkrijk.
       Vertaling Gilles Quispel


Overdenkingen

vraag 1
Wat is de oorsprong van het geloof in God?

NAK antwoord
De oorsprong van het geloof is God zelf. Hij maakt zich aan de mensen bekend:
Hij 'openbaart' zich.
God heeft de mens dus zelf de zekerheid gegeven dat Hij bestaat. God verbergt zich niet maar maakt zich aan de mensen bekend zodat zij over God kunnen spreken en in God kunnen geloven.

'Want wat een mens over God kan weten is hun [de mensen) bekend omdat God het aan hen kenbaar heeft gemaakt. Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in Zijn werken, Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar.'    Rom. 1:19-20

Overdenking
In de inleiding heb ik onder het kopje; het ontstaan van religie, een grove schets gemaakt. Veel wat daar staat is uit overleverde verhalen en archeologie. Veel meer dan een schets kunnen we niet maken omdat een verfijnde documentatie ontbreekt. Deze processen zijn ook niet overal gelijk geweest maar ze hadden wel overal plaatsgevonden, m.a.w. het hoort bij de menswording. Omdat wij ons geloof in (één) God, monotheïsme, baseren op het Joodse geloof, wil ik daarom een kort verslag doen van de Joodse kijk op God,  Jahweh.

Uit de notities van een gastcollege van prof dr V. Kal (Jood, filosoof, Platonist) op de VU, december 2000

Tsimtsoem: de samentrekking, is zo, dat Hij (G-d) [God werd door hem zo geschreven als consequentie dat de Joden de naam van God niet mogen schrijven] overal is en nergens
De samentrekking is tweeërlei, tw:
1. op zichzelf zich samentrekken van de Oneindige. Hij is overal in de kosmos maar heeft zich (op aarde) teruggetrokken om plaats te maken voor ons, het ontstaan van ruimte.
2. tot de delen van de wereld zich samentrekken. Hierin is de voorstelling dat G-d in alle deeltjes aanwezig is, G-d gaat verborgen in.
  
Immers als G-d niet verborgen is, zouden we Hem zien en dat kunnen wij niet verdragen. Hoe kan je wat verborgen is zichtbaar maken, niet door op te stijgen naar het licht (hemel), maar door af te dalen naar het donker! Dan herken je wat licht is zonder dat het onverdraagbaar wordt. Door het naleven van de tora, het materiele de formele rituele handelingen, dit is wat de mens kan doen.

Tot zo ver de college notities.
Uit de mondelinge toelichting heb ik genoteerd dat; God overal in de kosmos is en in alles, maar Hij heeft zich teruggetrokken van deze aarde om ons de vrijheid te geven, niet om dat het na de zondeval de aarde een zondige poel was waar Hij niet wil (of kan) verblijven, maar om ons de vrijheid te geven (er wat van te maken). Wij tonen God dat we hem zoeken in (de bouw van) de tempel. Dit is de plaats waar we Hem kunnen vinden, het is onze behoefte Hem dichtbij te kunnen vinden.
Hij komt ons tegemoet!


Vraag 2 t/m 4
Hoe openbaart God zich?

NAK antwoord
God openbaart zich op verschillende wijzen, in de natuur en in het verloop van de geschiedenis.

Overdenking
‘Door de bomen het bos zien’. Een bekent spreekwoord is; je kunt door de (vele) bomen het bos niet meer zien. Het is dus een kunst door de grootsheid van wat we zien verwonderd te zijn over wat we zien. In de eerste plaats zien we God in de natuur. Maar er is meer, God toont zich ook in de geschiedenis.

Voorbeelden , , , Bergrede, het geven van persoonlijke inzichten, zoals een voorbeeld is beschreven in Mc 5:35-43.

Het dochtertje van Jaïrus
Marcus 5:35-43
Terwijl Jezus nog sprak tegen de vrouw, kwam er iemand met een bericht voor Jaïrus. Hij zei: “Uw dochter is gestorven. U kunt Jezus nu maar beter met rust laten.” Jezus hoorde dat en zei tegen Jaïrus: “Wees niet bang! Blijf geloven.” Jezus liet niemand meegaan, behalve Petrus, en de broers Jakobus en Johannes. Ze kwamen bij het huis van Jaïrus. Daar hoorden ze veel lawaai. Binnen stond een groep mensen te huilen en te schreeuwen. Jezus zei: “Waarom staan jullie zo hard te huilen? Het meisje is niet gestorven, maar ze slaapt.” De mensen lachten hem uit. Maar Jezus stuurde iedereen naar buiten. Hij nam alleen de ouders van het meisje mee en de drie leerlingen. Ze gingen naar de kamer waar het meisje lag. Jezus pakte haar hand vast en zei: “Talita koem.” Dat betekent: “Meisje, sta op!” Meteen stond het meisje op en ze begon te lopen. Ze was twaalf jaar. Iedereen die het gezien had, was stomverbaasd. Jezus zei tegen hen: “Niemand mag dit te weten komen!” En hij zei ook: “Geef haar wat te eten.”
 
Kan het gebeuren dat het leven van een mens al ten einde is als het nog maar nauwelijks is begonnen? Dit verhaal vertelt daarover en over de manier om dit te boven te komen.
Het is heel erg dat de dood de macht heeft al heel vroeg, schijnbaar naar willekeur en wanneer het hem uitkomt, het leven van iemand die ons zeer dierbaar is weg te nemen. De droefheid en de pijn die de dood teweegbrengt zijn verschrikkelijk. Maar nog erger is het dat de angst voor de dood verstikkend kan zijn voor het leven van iemand die geen mogelijkheid heeft om vrij en zelfstandig tot een eigen leven te komen en tot bloei te geraken. Het kan voorkomen dat men uit angst en zorg om het uitblussen van het levenslicht iemand zó met zorg en bescherming omringt en letterlijk overstelpt dat hij geen adem meer krijgt. Dit nu lijkt het geval te zijn geweest bij de overste van de synagoge Jairus en zijn dochter. Het meisje is twaalf jaar oud, zoals wij aan het eind van het verhaal vernemen, de leeftijd waarop een meisje in het oude Israël huwbaar was en als volwassen vrouw beschouwd werd. Juist toen gebeurde het dat het dochtertje van Jairus, zoals het steeds genoemd wordt, niet meer wist hoe zij verder moet leven. Zij blijft voor dood in haar kamer liggen. Dit verhaal noopt ons even na te denken over de vraag wat er terechtkomt van iemand over wie, met de beste bedoelingen, uit zorgzaamheid, in het volle besef van de eigen verantwoordelijkheid, alleen nog gesproken wordt als van 'de dochter van' of 'de zoon van'. In veel landen worden of zijn op die manier achternamen gevormd. Men heet Hendriksen, Jacobson of Gunnarsen. Maar het eigenaardige van een mens is nu juist dat hij of zij nooit alleen maar de zoon of dochter van Hendrik, van Jacob of van Gunnar, de zoon van of de dochter van deze vader is. Het is bepaald verstikkend als het leven van iemand alleen weergegeven wordt als schaduwbeeld of imitatie van wat de opvoeding, de sociale omgeving, alsmede de invloed van de dwingende voorschriften en voorstellingen van de ouders van dit leven hebben willen maken.
Misschien was het leven van de dochter van de voorzitter van de synagoge, zo kunnen wij denken, te vergelijken met het leven van kinderen van een ouderwetse dorpsonderwijzer of van een protestantse predikant op het platteland van enkele decennia geleden. Zulke kinderen waren het als het ware het uithangbord of het toonbeeld van de opvoedingskunst van hun ouders. Andere kinderen konden tollen of spelen of katte kwaad bedrijven zoveel zij wilden, maar zij mochten niet buiten de perken lopen, want op hen werd gelet. Als zij voor schut stonden, stonden hun ouders voor schut. Dat kan lange tijd goed gaan en het kan zijn dat een dochter er trots op is dat haar vader trots op haar is. Maar op de drempel van de volwassenheid houdt dit op en er ontstaat een keten van angst en schuldgevoelens. Zo iemand heeft namelijk niet geleerd voor zichzelf te beslissen. Want de kans dat hij of zij iets verkeerd doet is al te groot.
De afhankelijkheid en zelfs de plicht zich door zijn of haar vader te laten beschermen gaat boven alles. Maar de drang om zelf zijn eigen leven te leven wordt dan wel degelijk gevoeld en wil zich uiten. Er ontstaat een sterk verlangen, de liefde kondigt zich aan, voorstellingen over het leven, en dat alles laat zich niet zomaar verdringen. Vandaar dat het angst oproept en het voortdurende gevoel verwijten en straf over zichzelf uit te roepen.
Een leven dat alleen geleid wordt in verantwoordelijke zorgzaamheid kan letterlijk dodelijk worden. Vader Jaïrus zal nauwelijks beseft hebben in welke mate hij misschien zelf de oorzaak geweest is van de levensgevaarlijke aandoening van zijn dochter. Wij mogen aannemen dat het geen toeval was dat Jaïrus' dochter eerst moest sterven om te kunnen leven, dat haar vader op weg naar huis juist van Godswege met deze grenssituatie van dit definitieve verlies geconfronteerd moest worden voor zijn dochter werkelijk leven kon. Dat is blijkbaar zo. Maar dan vernemen wij iets buitengewoon dramatisch. Het is bijna treurig en wanhopig stemmend. De opzichter van de synagoge zal elke sabbat Gods naam in de mond genomen hebben, maar nu de mensen tegen hem zeggen: 'Uw dochtertje is dood,' blijkt dat zijn huisgenoten in werkelijkheid niet in God geloven, maar in de almacht van de dood. De laatste en echte realiteit is voor hen de dood.
En dan gaan we alles begrijpen. De hele manier waarop wij doorgaans met elkaar leven. Wij kunnen het niet duidelijk genoeg zeggen: als wij dát liefde noemen, elkaar dit aardse leven zo veilig mogelijk te maken en met de uiterste krachtsinspanning te vechten tegen de naar wij menen absolute macht van de dood, dan wordt ons leven vervormd tot een dienst aan de dood, die terreur over ons uitoefent, uit zorg, uit dwang, uit dirigisme (bemoeizucht), een benauwend en versmald bestaan. De liefde kan niet ademen als er alleen dit aardse leven is, want de liefde leeft van de vrijheid, van het opengaan van een horizon zonder grenzen, van het besef van het absolute, van de eeuwigheid, van onbegrensde grootheid van de andere mens, die men liefheeft. De liefde is de allerduidelijkste zekerheid dat er een eeuwig leven is. En de
geschiedenis van het dochtertje van Jaïrus laat dat wel heel klaarblijkelijk zien: tot de menselijkheid behoort de liefde, tot het risico de vrijheid, tot het vermogen anderen te laten groeien in Gods licht het vertrouwen in de onsterfelijkheid, in de eeuwigheid van het leven. Jezus spreekt er over en hij stelt het woordelijk zo tegenover elkaar: “Het meisje is niet dood, het slaapt alleen,” zegt hij. Daarmee wil hij zeggen: in Gods ogen bestaat er geen dood, alleen een overgang naar de eeuwigheid. Hij wordt uitgelachen. Op vrijwel geen enkele bladzijde in de Bijbel vinden we een zo cynisch en gruwelijk gelach van zelfzekere twijfel. Maar leven wij over het algemeen niet net zo? Wij weten heel zeker dat we in het leven behoren te weten hoe wij goed parkeren moeten, hoe wij onze belastingaangifte moeten invullen, hoe wij geld van de bank moeten halen, wat wij voor voeding nodig hebben, welk dieet we moeten houden en welke medicijnen we moeten innemen. Dat moeten wij allemaal beslist weten en nog een paar andere dingetjes bovendien. Of God bestaat behoeven we niet meer te weten, we kunnen het eigenlijk helemaal niet weten. Het is een pijnlijk onderwerp geworden en je hoort het eigenlijk niet te zeggen, dat een heel leven er van afhangt of je weet dat God er is. Het is iets betrekkelijks, intussen. Maar het burgerlijk bestaan en hoe je dat moet leiden - dát staat vast, dat is geen kwestie meer. De keerzijde daarvan is de cynische spot over elke hoop, en het afschrijven van het leven middenin het leven, het gebrek aan openheid van een wereld die eendimensionaal geworden is en geheel beheerst wordt door de dood. Wat moet Jezus anders doen dan die hele rouwstoet de deur te wijzen? Dat doet hij dan ook. En hij laat er alleen "de mensen bij die bereid zijn het leven dieper te zien. Dan voltrekt zich het wonder. Liggen de handen van een mens gewoonlijk zwaar en drukkend op een ander, Jezus' handen raken de hand aan van dit kind, die vrouw. En zij richt zich op. Het is een wonderlijke mengeling van termen waarmee zij vervolgens aangesproken wordt: “meisje” wil zoveel zeggen als “Ik begrijp al je angst, de angst die je is bijgebracht, je vrees om op eigen benen te staan. Ik begrijp heel goed hoeveel afhankelijkheid, hoeveel inschikkelijkheid, hoeveel verkeerde gehoorzaamheid en streven naar veiligheid men je heeft opgedrongen. En toch: sta op, ga de weg die je zèlf kunt gaan. Sta op eigen benen en bepaal zelf de richting!” Het lukt. Het kind staat op en gaat, letterlijk, op eigen benen.
Verhinderd moet worden dat wat hier gebeurd is, het gesprek van de dag wordt onder de massa. Want dergelijke wonderen hangen nu juist niet af van het gepraat van de grote massa. Daarom verbiedt Jezus er een paradepaardje van te maken.

De echte wonderen van God voltrekken zich in de beslotenheid van het hart. Nu is het zaak in het besef van de oneindigheid dit kleine leven van ons op zichzelf te leren liefhebben. Dan is de tegenstelling tussen dit leven en het volgende verdwenen. De vrouw, die nu haar eigen vrijheid kent en niet meer slechts 'het dochtertje van Jaïrus' is, eet, ze kan gaan groeien en behoeft het leven niet meer negatief te ervaren, omdat het een oneindig groot, kostbaar en eeuwig geschenk is uit Gods hand, bestemd tot liefde, bestemd tot de hemel.

(Bron: Eugen Drewermann, ‘Hij legde hun de handen op’)

Ga, zoek je leven lang, verwonder je, sluit de momenten van verwondering in je hart en voel Gods nabijheid in die momenten. Niet het spektakel, maar de intieme momenten dat jij Godshand, Godshulp, Godstroost ervaart, die zijn van jou alleen.


Vraag 5
Als wat maakt God zich bekend?

NAK antwoord
God is een geestelijk wezen. Hij maakt zich bekend als God,
• de Vader, de Schepper en bewaarder van de schepping  (vgl. Gen. 1 en 8:21-22),
• de Zoon, de Verlosser en brenger van het heil (vgl. 1 Joh. 5:20),
• de Heilige Geest, de Pleitbezorger, die de weg wijst naar de volle waarheid (vgl. Joh. 16:13).

Overdenking
Bekende verschijningen van God zijn; de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Maar door alleen van de triniteit melding te maken doen we God veel te kort. Wat mij betreft wordt Hij hiermee gedegradeerd tot een schim uit een schimmenspel. Als we denken dat we Hem een vorm kunnen geven, blijkt dat slechts een schim van de werkelijkheid te zijn.
Terwijl we met Hem mogen en kunnen spreken (bidden), dichtbij halen, kunnen we niet echt dichtbij komen om ons een beeld te maken. We zijn dichtbij en toch ver weg. Het ene mag, het andere kan niet!

Vraag 6
Waar zijn openbaringen van God vastgelegd?

NAK antwoord
Openbaringen van God zijn vastgelegd in de Heilige Schrift.

Onder 'openbaringen van God' verstaan wij verschillende aspecten:
• God maakt zich bekend. Hij geeft opheldering over Zijn wezen ('zelfopenbaring' van God).
• God deelt de mens Zijn wil mee.
• God komt de mens in Zijn liefde tegemoet, voornamelijk in Zijn woord en in de sacramenten.

Overdenking
Om te beginnen verwijs ik naar de erfenis die wij kennen uit het Joodse denken, die ik heb beschreven in vraag 1 en de inleiding van hoofstuk 3. 

mystiek...

God openbaart Zijn eigen Godheid niet tegenover Zichzelf door uiterlijke waarneming, maar door innerlijke ervaring! En wanneer de innerlijke ervaring - van jou - Gods eigen godheid heeft geopenbaard, is uiterlijke waarneming overbodig. Daarom zal je ervaren dat God niet nu - op aards niveau - wordt geopenbaard, want als God bestaat, zou je God niet vragen om te zijn. Je zou het weten én het voelen diep in je hart!
Daarom heeft God jou en mij geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God. Dit betekent niet, dat onze fysieke lichamen op dat van God zou lijken, zoals sommige religies wel beweren. Het betekent, dat wij in de kern hetzelfde zijn als God! Wij zijn met dezelfde eigenschappen en mogelijkheden geschapen, inclusief de gave een fysieke realiteit uit het niets te scheppen.

Mensen  hebben het idee, dat God zich maar in één vorm kan vertonen. Alles wat die vorm geweld aandoet, wordt gezien als godslastering. En juist dit is de oorzaak van elk probleem dat je in je leven ervaart: je denkt, dat je het niet waard bent om door God te worden aangesproken. Dit is niet de enige vorm waarop God zich tot jou richt. Luister naar God in je waarheid van je ziel. Luister naar God in je gevoelens van je hart. Luister naar God in de stilte van je geest.
Hoor God overal, want Gods antwoord kan schuilen in een artikel dat al is gepubliceerd; in een preek die al is geschreven en binnenkort wordt gehouden; in het liedje dat pas gisteren is gecomponeerd; in de woorden die een geliefde je zo dadelijk zal toevertrouwen; in het hart van een nieuwe vriend die je binnenkort zult ontmoeten.

Vraag 7
Openbaart God ook inzichten over de toekomst?

NAK antwoord
Ja, God openbaart ook inzichten over de toekomst: Hij heeft beloofd dat Jezus Christus zal wederkomen (vgl. Joh. 14:3). Aan degenen die bij Zijn wederkomst worden veranderd en weggevoerd (vgl. 1 Tess. 4:13-18), zal God zich op volmaakte wijze openbaren. Ze zullen God zien zoals Hij is (vgl. 1 Joh. 3:1-2).

“Bedenk toch hoe groot de liefde is die de Vader ons heeft geschonken! Wij worden kinderen van God genoemd, en dat zijn we ook. Dat de wereld ons niet kent, komt doordat de wereld Hem niet kent. Geliefde broeders en zusters, wij zijn nu al kinderen van God. Wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard, maar we weten dat we aan Hem gelijk zullen zijn wanneer Hij zal verschijnen, want dan zien we Hem zoals Hij is.” Joh. 3:1-2

Overdenking.
Het is verstandig dat bij deze vraag niet de openbaring wordt aangehaald. De openbaring is niet bedoeld om Godsplan voor de toekomst weer te geven, maar was eerder bedoeld als troost in de tijd van de vernietiging van de tempel en Jeruzalem, 70 nChr. Maarten Luther zei hierover terecht; ”het boek openbaring is noch apostolisch (wat niets met onze kerk van doen heeft), noch apocalyptisch”, apocalyptisch = (uit het Grieks) een onthulling of een openbaring, maar in Nederlandse begrippen ook; catastrofaal.

Kuitert zei over God die zich openbaart en ik sluit me hier bij aan; Is het onzin om over openbaring te spreken? Dat zeker niet, het hangt er slechts vanaf waarvoor je het begrip wilt gebruiken. De God van het christelijk geloof is een God die Zich openbaart; dat lijkt mij een kernstuk van de christelijke traditie. Hij is geen zwijgende oergrond, geen diepe oceaan, al kunnen deze beelden hun dienst bewijzen, maar een actieve God die zichzelf niet onbetuigd laat. Volgens het christelijk geloof leren mensen God kennen doordat God Zichzelf te kennen geeft. Maar niet door op bovennatuurlijke wijze waarheden over Zichzelf te openbaren die mensen behoren te aanvaarden om christen te mogen heten. Er zijn wel christelijke waarheden over God, ik hang ze zelf aan. Maar die zijn niet uit de hemel komen vallen, het zijn van mensen afkomstige en in menselijke taal geformuleerde, op de ervaring van generaties en generaties voor ons berustende karakteristieken van God en Zijn heil. Ze zijn op geen enkele manier gegarandeerd, dragen geen goddelijk stempel of zegel waardoor je weet: dit zit goed. Zelfs het feit dat ze in de bijbel voorkomen maakt ze niet gezaghebbend, want dat de Bijbel gezag zou kunnen verlenen is zelf weer een geloofsopvatting die geen garanties kent. Ze hebben geen andere pretentie dan dat ze samenvatten wat de christenheid voor Gods werk aan mens en wereld houdt. Wil iemand dat Gods openbaring noemen, niets op tegen, maar we hebben het dan niet over een bovennatuurlijke kennisbron maar bijvoorbeeld over een waardeoordeel van christenen over hun eigen geloofstraditie.
 
Ik stap dus af van openbaring als fundament voor of van de christelijke geloofstraditie en geef er liever een heel andere onderbouw aan. Wel een onderbouw! Godsdienstig geloof, ook het christelijke, wordt door nogal wat godsdienstwetenschappers en antropologen omschreven als een universum van symbolen met behulp waarvan mensen zich in het leven een oriëntatie veroveren. God, Jezus, kruis, hiernamaals - het zijn allemaal symbolen, die ons onze plaats aanwijzen, zoals een vlag of een vaandel of het vaderland dat doet.
 
Ik heb geen bezwaar tegen deze manier van spreken over het geloof. Het klopt, het zit in ons hoofd (en in ons hart). Maar hoe is het daar in gekomen? Op die vraag blijft de redenering het antwoord schuldig, in wezen omdat het niet interessant is voor zo'n fenomenologische aanpak. Maar ik vind die vraag juist wel belangrijk,  en ben op mijn manier toegegeven, bezig daarop antwoord te geven. Hoe kwam God met Zijn heil in ons hoofd (en in ons hart) terecht?


Vraag 8
Is er nog andere kennis over goddelijk handelen?

NAK antwoord
Ja, door de werkzaamheid van de Heilige Geest in het apostelambt worden kennis en inzicht geschonken over het handelen van God tot heil van de mensen. In de Bijbel worden deze inzichten vermeld en door de Heilige Geest verder onthuld.

Overdenking
Het is in mijn optiek wat simpel dit in handen van dienaren te leggen. Dat past wel bij het ontwikkelingsniveau van een zondagsschool kind maar niet bij een (ruim) volwassene. Dat anderen en dus ook dienaren uit hun ervaringen ons uitdelen is een goede zaak, maar een volwassene behoort vaste kost te eten. Dat betekent dat je, met stapjes, zelf op onderzoek gaat. Uiteraard ga je dan ook wel eens op je gezicht, dat is ‘all in the game’. Verder verwijs ik graag naar de tekst van Eugen Drewermann (Overdenkingen 2).

Vraag 9
Hoe dient de mens zich te gedragen tegenover Gods openbaringen?

NAK antwoord
De mens moet in God en Zijn openbaringen geloven. Alleen door het geloof kan de mens de goddelijke openbaringen begrijpen. Als hij gelooft, zal het goddelijke waardevol en bepalend zijn voor zijn leven.
Voor iemand die niet in God als de Schepper gelooft, is bijvoorbeeld het heelal niet een werk van God, waarin God zich bekend maakt, maar het resultaat van toevallige processen in de natuur.

Overdenking
Graag verwijs ik naar Overdenkingen (4), van vorige week.

Vraag 10
Wat verstaan wij onder geloof als antwoord op Gods openbaringen?

NAK antwoord
Geloof is beslist noodzakelijk om in Gods nabijheid te komen. Geloof is daarbij niet iets wat de mens vanuit zichzelf volbrengt. Geloof is een bewijs van Gods genade, dus een geschenk. De mens moet naar dit geschenk verlangen en hij moet het aannemen. Het geloof leidt ertoe dat de mens God kent, op God vertrouwt en zijn leven naar Gods wil inricht.
-> geloof: zie vraag 239 e.v.

'Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.'  Hebr.11:1

'Zonder geloof is het onmogelijk God vreugde te geven; wie Hem wil naderen moet immers geloven dat Hij bestaat, en wie Hem zoekt zal door Hem worden beloond.'  Hebr.11:6

Overdenking
Graag verwijs ik naar Overdenkingen (4).

Vraag 11
Hoe komt de mens tot geloof?

NAK antwoord
Het geloof wordt door de Heilige Geest geschonken en versterkt. Dat gebeurt onder andere door de verkondiging van het evangelie op basis van de Heilige Schrift.

Overdenking
Hierbij wil ik een onderscheid maken tussen een persoon en de mensheid, voor het laatste verwijs ik graag naar Inleiding (5).
Voor het persoonlijke geloof kan ik me redelijk vinden in het antwoord van de NAK.

Vraag 12
Wat is de Heilige Schrift?

NAK antwoord
De Heilige Schrift - de Bijbel - is de verzameling van de boeken van Gods handelen, beloften en geboden. De Bijbel bestaat uit het Oude Testament en het Nieuwe Testament. De Heilige Schrift geeft getuigenis van Gods openbaringen, maar is geen volledig en naadloos verslag van alle daden van God. God heeft ervoor gezorgd dat behouden is gebleven wat voor het heil van de mensen belangrijk is.

Het begrip 'bijbel' is afgeleid van het Griekse woord 'biblia' en betekent 'boeken, boekrollen'.

Overdenking
Graag verwijs ik naar Inleiding 6 en 7

verkorte versie van inleiding 6 en 7

Ontstaan van geschriften. (6)
Duizenden jaren na het verloren paradijs, ontwikkelde de priesterkaste zich zo ver dat men gemeenschappelijke herinneringen begon te vastleggen. Gemeenschappelijke waarden en normen werden eveneens vastgelegd en gingen wetmatigheden worden.
De Bijbel is niet in één keer tot stand gekomen, maar is in de loop van honderden jaren samengesteld en steeds weer opnieuw geredigeerd.
Het Oude Testament is in feite de Hebreeuwse Joodse Tenach. De 39 boeken van de Tenach worden door alle christelijke kerken als canoniek geaccepteerd. De teksten die wel in de Septuagint, maar niet in de Tenach stonden, worden door de meeste protestantse kerken als apocrief beschouwd en zijn in de 16e eeuw verwijderd uit de canon, terwijl de Katholieke Kerk 13 ervan als deuterocanoniek in de canon heeft laten staan. In het artikel Canon van de Bijbel staat zowel voor het Oude als voor het Nieuwe Testament een overzicht van welke kerken welke boeken als canoniek beschouwen.
Het Nieuwe Testament is een verzameling boeken. Hiervan is door Athanasius van Alexandrië in 367 n.Chr. een lijst van 27 boeken opgesteld, die door vrijwel alle christelijke kerken als canoniek worden beschouwd.


Interpretatie van de inhoud van de Bijbel. (7)
In tegenstelling tot de meeste christenen, lezen Joden de Bijbel in de grondtaal, het Hebreeuws. Vaak lezen ze belangrijke commentaren mee, zodat de traditie levend blijft. Volgens het Jodendom heeft God aan Mozes ook een ‘mondelinge Thora’ of ‘mondelinge leer’, gegeven. Deze Misjna vormt samen met de commentaren erop de Talmoed. De Talmoed onderwijst onder andere hoe men als Jood kan leven in een wereld zonder tempel. Tussen de verschillende stromingen van het Jodendom (zoals orthodox, conservatief, liberaal) bestaan ook verschillen in uitleg. Ook de Septuagint, de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, met nog extra apocriefe boeken, is van Joodse oorsprong. Omdat christenen met de Septuagint meenden hun gelijk te kunnen halen, heeft het Jodendom de Septuagint aan de christenen gelaten en zich toegelegd op de Hebreeuwse Bijbel in het Hebreeuws.
Vaak moeten we een poging doen om te ontdekken wat de oorspronkelijke schrijver bedoeld heeft met de tekst, en wat de eerste lezers er uit begrepen zullen hebben. Daarnaast moeten we zoeken naar een toepassing in het hier en nu. In de praktijk zijn beide afhankelijk van de visie die men op de Bijbel heeft.
Een ander punt is als we de Bijbel lezen ‘mogen’ we deze niet in perikopen lezen, een regel een paar woorden, maar moeten we deze veel meer in narratieve zin lezen, naar het verhaal kijken en de betekenis proberen te begrijpen. Verder lijkt het me evident dat de Bijbel voor het overgrote deel bestaat uit geschriften die aangeven hoe mensen God ervaren. Het is dus veel meer het vertellen hoe de mensen God ervaren dan dat het een openbaring of bekendmaking is. Ik denk dat God maar op heel bescheiden schaal zijn wil bekend maakt.

Vraag 13
Wie is grondlegger van de Heilige Schrift?

NAK antwoord
De grondlegger van de Heilige Schrift is God. Mensen die door de Heilige Geest zijn gedreven (geïnspireerd), hebben opgeschreven wat God openbaarde. Wat betreft vorm en uitdrukkingswijze zijn de Bijbelse boeken beïnvloed door de betreffende schrijvers, hun voorstellingswereld en de waarnemingen van hun tijd.

'Inspiratie', betekent: 'ingeving', 'inblazing'. Goddelijke inspiratie betekent dat de Heilige Geest een mens tot iets aanzet of hem iets bekend maakt.

Overdenking
Graag verwijs ik naar Inleiding 6

Vraag 14
Zijn de teksten van de Bijbelse boeken op een betrouwbare wijze overgeleverd?

NAK antwoord
Ja, God heeft ervoor gezorgd dat de teksten van de Bijbelse boeken door de eeuwen heen onvervalst behouden zijn gebleven.

Overdenking
Graag verwijs ik naar Inleiding 6 en 7

Vraag 15
Hoe kwam de verzameling van de Bijbelse boeken tot stand?

NAK antwoord
Het verzamelen van de Bijbelse geschriften gebeurde in de loop van eeuwen. Deze verzameling is niet alleen door menselijke overwegingen tot stand gekomen, maar vooral door Gods wil.
De christelijke canon van het Oude Testament is gebaseerd op de Hebreeuwse canon van het jodendom. De geschriften daarvan ontstonden in een periode van vermoedelijk 1000 jaar.
De canon van het Nieuwe Testament bestaat uit de evangeliën, de Handelingen, brieven en een profetisch boek, de Openbaring van Johannes. In de vroegchristelijke kerk hadden aanvankelijk de brieven van apostel Paulus een groot aanzien. Later werden de evangeliën - waarvan het evangelie volgens Marcus het oudste is - en de anderen geschriften eraan toegevoegd. De geschriften van het Nieuwe Testament ontstonden in een periode van ca. 70 jaar.
Om deze oorspronkelijke getuigenissen van het christelijke geloof te bewaren en door te geven, werden ze gebundeld tot een verzameling die uiteindelijk bij verschillende synoden als 'canon' werd bevestigd.

De verzameling van geschriften die voor de leer van een religie maatgevend zijn, wordt 'canon' genoemd. Voor het christelijke geloof zijn dit de geschriften van het Oude en Nieuwe Testament.
Het begrip 'synode' is afgeleid van het Griekse 'synodes' en betekent 'samenkomst'. Onder een synode moet het bijeenkomen van een kerkelijk college worden verstaan, dat de volmacht heeft bindende besluiten te nemen.

Overdenking
Graag verwijs ik naar Inleiding 6 en 7

Vraag 16
Welke opbouw en inhoud heeft de Heilige Schrift?

NAK antwoord
De Heilige Schrift is onderverdeeld in twee delen: het Oude Testament, dat gaat over de tijd voor Christus' geboorte, en het Nieuwe Testament, dat begint bij de tijd van Christus' geboorte.

Overdenking
Graag verwijs ik naar Inleiding 6 en 7, aangevuld met het antwoord van de NAK

Vraag 17
Waaruit bestaat het Oude Testament?

NAK antwoord

Overdenking
Ik kan me redelijk vinden in het antwoord van de NAK.

verkorte versie van inleiding 6 en 7

Ontstaan van geschriften. (6)
Duizenden jaren na het verloren paradijs, ontwikkelde de priesterkaste zich zo ver dat men gemeenschappelijke herinneringen begon te vastleggen. Gemeenschappelijke waarden en normen werden eveneens vastgelegd en gingen wetmatigheden worden.
De Bijbel is niet in één keer tot stand gekomen, maar is in de loop van honderden jaren samengesteld en steeds weer opnieuw geredigeerd.
Het Oude Testament is in feite de Hebreeuwse Joodse Tenach. De 39 boeken van de Tenach worden door alle christelijke kerken als canoniek geaccepteerd. De teksten die wel in de Septuagint, maar niet in de Tenach stonden, worden door de meeste protestantse kerken als apocrief beschouwd en zijn in de 16e eeuw verwijderd uit de canon, terwijl de Katholieke Kerk 13 ervan als deuterocanoniek in de canon heeft laten staan. In het artikel Canon van de Bijbel staat zowel voor het Oude als voor het Nieuwe Testament een overzicht van welke kerken welke boeken als canoniek beschouwen.
Het Nieuwe Testament is een verzameling boeken. Hiervan is door Athanasius van Alexandrië in 367 n.Chr. een lijst van 27 boeken opgesteld, die door vrijwel alle christelijke kerken als canoniek worden beschouwd.


Interpretatie van de inhoud van de Bijbel. (7)
In tegenstelling tot de meeste christenen, lezen Joden de Bijbel in de grondtaal, het Hebreeuws. Vaak lezen ze belangrijke commentaren mee, zodat de traditie levend blijft. Volgens het Jodendom heeft God aan Mozes ook een ‘mondelinge Thora’ of ‘mondelinge leer’, gegeven. Deze Misjna vormt samen met de commentaren erop de Talmoed. De Talmoed onderwijst onder andere hoe men als Jood kan leven in een wereld zonder tempel. Tussen de verschillende stromingen van het Jodendom (zoals orthodox, conservatief, liberaal) bestaan ook verschillen in uitleg. Ook de Septuagint, de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, met nog extra apocriefe boeken, is van Joodse oorsprong. Omdat christenen met de Septuagint meenden hun gelijk te kunnen halen, heeft het Jodendom de Septuagint aan de christenen gelaten en zich toegelegd op de Hebreeuwse Bijbel in het Hebreeuws.
Vaak moeten we een poging doen om te ontdekken wat de oorspronkelijke schrijver bedoeld heeft met de tekst, en wat de eerste lezers er uit begrepen zullen hebben. Daarnaast moeten we zoeken naar een toepassing in het hier en nu. In de praktijk zijn beide afhankelijk van de visie die men op de Bijbel heeft.
Een ander punt is als we de Bijbel lezen ‘mogen’ we deze niet in perikopen lezen, een regel een paar woorden, maar moeten we deze veel meer in narratieve zin lezen, naar het verhaal kijken en de betekenis proberen te begrijpen. Verder lijkt het me evident dat de Bijbel voor het overgrote deel bestaat uit geschriften die aangeven hoe mensen God ervaren. Het is dus veel meer het vertellen hoe de mensen God ervaren dan dat het een openbaring of bekendmaking is. Ik denk dat God maar op heel bescheiden schaal zijn wil bekend maakt.

Vraag 18
Waaruit bestaat het Nieuwe Testament?

NAK antwoord
In het Nieuwe Testament wordt in de vier evangeliën en in Handelingen geschreven over Jezus Christus, Zijn apostelen en de eerste christelijke gemeenten. Verder bevat het brieven van de apostelen die zijn geschreven aan gemeenten en afzonderlijke personen. De Openbaring van Johannes, het profetische boek van het Nieuwe Testament, gaat over de wederkomst van Jezus Christus en andere toekomstige gebeurtenissen.

Overdenking
Ik kan me redelijk vinden in het antwoord van de NAK.

Vraag 19
Hoeveel oudtestamentische boeken zijn er, hoe is de indeling en volgorde?

NAK antwoord
Het Oude Testament bestaat uit 17 historische boeken, vijf leerboeken en 17 profetische boeken.

De 17 historische boeken zijn:
• De vijf boeken van Mozes (Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium)
• Jozua
• Rechters
• Ruth
• 1 en 2 Samuël
• 1 en 2 Koningen
• 1 en 2 Kronieken
• Ezra
• Nehemia
• Ester

De vijf leerboeken zijn:
• Job
• Psalmen
• Spreuken
• Prediker
• Hooglied

De 17 profetische boeken zijn:
• Jesaja
• Jeremia
• Klaagliederen
• Ezechiël
• Daniël
• Hosea
• Joël
• Amos
• Obadja
• Jona
• Micha
• Nahum
• Habakuk
• Sefanja
• Haggaï
• Zacharia
• Maleachi

Overdenking
Ik kan me vinden in het antwoord van de NAK.

Vraag 20
Welke Bijbelse boeken worden tot de deuterocanonieke boeken (apocriefen) gerekend?

NAK antwoord
De elf deuterocanonieke boeken zijn:
• Tobit
• Judit
• Ester (Grieks)
• 1 en 2 Makkabeeën
• Wijsheid
• Wijsheid van Jezus Sirach
• Baruch
• Brief van Jeremia
• Toevoegingen aan Daniël
• Het gebed van Manasse

Het begrip 'apocrief is afgeleid van het Griekse 'apokryphos' en betekent 'verborgen, donker'. Apocriefen (verborgen geschriften') zijn Bijbelse boeken die niet in alle Bijbeluitgaven zijn opgenomen. Ze vormen een verbinding tussen het Oude en Nieuwe Testament en bevatten uitspraken over het geloof die belangrijk zijn voor het begrip van het Nieuwe Testament.

Overdenking
Ik heb geen behoefte het antwoord van de NAK te corrigeren, wel om het aan te vullen. Ik vind het spijtig dat we de Nag Hammadi geschriften niet als deutero-canonieke boeken op het nieuwe testament beschouwen. Dit ontneemt ons de mogelijkheid om ook hier uit te lezen tijdens de diensten.

Vraag 21
Hoe worden de deuterocanonieke boeken in de Nieuw-Apostolische Kerk gewaardeerd?

NAK antwoord
Voor de Nieuw-Apostolische Kerk zijn de deuterocanonieke boeken net zo waardevol als de andere oudtestamentische geschriften.

Overdenking
Ik kan me vinden in het antwoord van de NAK.

vraag 22
Hoeveel nieuwtestamentische boeken zijn er, hoe is de indeling en volgorde?

NAK antwoord
Het Nieuwe Testament bestaat uit vijf historische boeken, 21 leerboeken en één profetisch boek.

De vijf historische boeken zijn:
• Het evangelie volgens Matteüs
• Het evangelie volgens Marcus
• Het evangelie volgens Lucas
• Het evangelie volgens Johannes
• De Handelingen van de apostelen

De 21 leerboeken zijn:
• De brief aan de Romeinen
• De twee brieven aan de Korintiërs
• De brief aan de Galaten
• De brief aan de Efeziërs
• De brief aan de Filippenzen
• De brief aan de Kolossenzen
• De twee brieven aan de Tessalonicenzen
• De twee brieven aan Timoteüs
• De brief aan Titus
• De brief aan Filemon
• De brief aan de Hebreeën
• De brief van Jakobus
• De twee brieven van Petrus
• De drie brieven van Johannes
• De brief van Judas

Het profetische boek is:
• De Openbaring van Johannes (Apocalyps)

Overdenking, (diverse teksten ontleend aan Wikipedia)

Ik heb behoefte het antwoord van de NAK op één punt te corrigeren, n.l. de benoeming van de Openbaring als profetisch boek.

De Openbaring van Johannes (vaak kortweg Openbaring genoemd, of naar zijn Griekse naam, de Apocalyps) is het laatste boek van het Nieuwe Testament en daarmee eveneens van de gehele Bijbel. Traditioneel werd aangenomen dat het de apostel Johannes is die te kennen geeft dit boek op Patmos te hebben geschreven. De auteur wordt in het algemeen om verwarring te voorkomen aangeduid als Johannes van Patmos. Het werd geschreven in het Koinè-Grieks, en volgens de aanhef gaat het om een openbaring van Jezus aan Johannes. Over de identiteit van de schrijver Johannes is verschil van opvatting.
- Volgens de traditionele opvatting is de apostel Johannes de schrijver van dit boek, alsook van het evangelie volgens Johannes en de drie brieven van Johannes, te weten de Eerste, de Tweede en de Derde brief van Johannes.
- Volgens schrift-kritisch onderzoek zou het om drie verschillende schrijvers gaan.
De naam is een letterlijke vertaling van de Griekse titel Apokalypsè tou Ioánnè, reden waarom het ook wel de Apocalyps wordt genoemd. Het boek telt 22 hoofdstukken. Het gaat door als het enige profetische boek in het Nieuwe Testament. Vanwege de vele toespelingen op het Oude Testament en op toestanden uit de tijd van de schrijver is de Openbaring van Johannes voor velen het moeilijkst te begrijpen boek van het Nieuwe Testament.

Mijn opinie over het boek openbaring en betiteling ‘profetisch boek’.
In de 4e eeuw betwijfelden Johannes Chrysostomus en andere bisschoppen of dit boek in het Nieuwe Testament thuis hoorde, voornamelijk door de problemen die de interpretatie gaf en het gevaar van misbruik. De kerkvader Origenes ging hen voor, hij beschouwde de Openbaring als een verzameling van wilde dromerijen, waaruit niemand wijs kan worden. Het werd uiteindelijk wel in de nieuwtestamentische canon opgenomen. De Oosters-orthodoxe Kerk gebruikt het boek niet in de liturgie, zie ook uitspraak van John Stott, in het voorwoord.

Datering
Traditioneel wordt het boek in 96 gedateerd, tijdens de regering van keizer Domitianus, hoewel sommige argumenteren voor een vroegere datum, meestal 68 of 69, tijdens de regering van Nero. Voor de latere datering pleit de getuigenis van de kerkvader Ireneus, die informatie ontving van hen die Johannes persoonlijk gekend hadden. Hij schrijft dat de openbaring "niet vreselijk lang geleden gezien" was. Ander bewijs voor de latere datum is van interne aard: het boek zinspeelt op uitgebreide vervolging, die de christenen in Klein-Azië treft. Dat past beter bij de regering van Domitianus dan bij de regering van Nero. Nero's vervolging was geconcentreerd in het gebied rond Rome, hoewel ook Paulus in Klein-Azië problemen ondervond.

Belangrijke stromingen inzake de interpretatie
Er zijn drie belangrijke scholen voor wat betreft de wijze waarop de symboliek, de beelden en de inhoud van het boek geïnterpreteerd dienen te worden.
De Bijbelse profetie gedachtenschool ziet de inhoud van het boek, zeker in samenhang met de boeken Daniël, Ezechiël en andere eschatologische delen van de Bijbel als een profetie van de eindtijd. Deze school kan verder worden onderverdeeld in:
een historische of contemporaine of preterische uitleg waarin het boek betrekking heeft op de gebeurtenissen in de eerste eeuw;
een futuristische of eschatologische visie waarin het boek betrekking heeft op toekomstige gebeurtenissen in de eindtijd;
een algemeen-historische visie waarin het boek de periode van de eerste eeuw tot de wederkomst omvat;
een heilshistorische uitleg waarbij elementen uit de contemporaine en de futuristische gecombineerd worden.
De historisch-kritische benadering, welke dominant werd onder kritische theologen tegen het eind van de 19e eeuw, probeert het boek te begrijpen in het kader van de apocalyptische literatuur, die populair was binnen zowel de christelijke als joodse traditie sinds de Babylonische diaspora, het patroon van het boek Daniël volgend.
Recentelijk is de esthetische en literaire benadering opgekomen, die zich focussen op het boek Openbaring als een literair kunstwerk en verbeelding, het visioen ziend als symbolische afbeelding van tijdloze overwinning van goed over kwaad.
Deze scholen sluiten elkaar niet uit, en veel christenen gebruiken die combinatie van benaderingen die zij nuttig achten.

Symboliek tegen Rome
Zekere analytische interpretaties hebben geleid tot de aanname dat Openbaring niet over een christelijke visie op goed tegen kwaad spreekt, maar over het destijds als sekte aangemerkte Jodendom tegen het Romeinse Rijk. Volgens dergelijke interpretaties zijn er verschillende verwijzingen naar Rome opgenomen, waaronder:
Het Getal van het Beest, 666, dat volgens bepaalde berekeningen gebaseerd op het Hebreeuws te herleiden is naar de toenmalige keizer Nero. Er zijn echter nog veel meer interpretaties van dit getal.
De hoer van Babylon gezeten op het beest met de zeven koppen, dat symbool zou staan voor Rome, de hoofdstad van het naar de Joodse sekte toe vijandige Romeinse Rijk, die gebouwd is op zeven heuvels.

Kortom het zegt mijns inziens niets over onze toekomst in letterlijke zin.

Vraag 23
Welke betekenis heeft de Heilige Schrift voor de Nieuw-Apostolische Kerk?

NAK antwoord
De Heilige Schrift is de grondslag van de leer van de Nieuw-Apostolische Kerk. Verzen uit de Heilige Schrift vormen het uitgangspunt voor de prediking in de erediensten.

Overdenking
Zelf hanteer ik het begrip Heilige Schrift nooit. Deze benaming suggereert alsof de Bijbel door God geschreven is, of althans alleen maar onder zijn invloed. Met andere woorden ‘eigenlijk’ afkomstig van God is. In de inleiding (6) beschrijf ik het ontstaan van de geschriften en het ontstaan van het Oude Testament. Dit was mensenwerk, maar zeker ook geïnspireerd door de Heilige Geest. Bijna zonder uitzondering kunnen we aan boekdelen uit het Oude Testament zien dat deze tijdsgebonden waren.  Soms ook met universele waarheden die wij nog steeds gebruiken, maar in de eerste plaats tijdsgebonden. Voorbeeld; we zien in het Oude Testament het (menselijke) beeld van God veranderen, van een strenge bestraffende God naar een milde God met compassie. Maar Hij is nooit veranderd! Dat kan helemaal niet, het zou Hem veel te antropomorf (van menselijke gedaante) maken. Ons beeld van God is veranderd en dat kan alleen door onze ontwikkeling. De Bijbel zegt eigenlijk alleen iets over ons en onze ontwikkeling, daarom dus geen Heilige Schrift. Hierdoor overigens zeker niet minder interessant en waardevol.

In het algemeen betwijfeld christelijk geloof herhaalt Kuitert nog eens dat gevleugelde woord waarmee hij naam maakte: Alle spreken over Boven komt van beneden.
Kuitert. 'Ik doe geen uitspraak over God, maar over ons spreken over God en van dat laatste zeg ik: dat is mensenwerk. Dat valt toch moeilijk te ontkennen. Alles wat er over God gezegd wordt, wordt door mensen gezegd en komt dus van beneden. Daarmee is niet gezegd dat er geen waarheid in kan schuilen of dat er geen ‘Boven’ bestaat, maar wel dat je de status van datgene wat gezegd wordt, niet met het gezag van Boven kunt bekleden. De christelijke waarheden ondergaan daarmee een fundamentele relativering.'

Vraag 24
Wie heeft de roeping om de Heilige Schrift uit te leggen?

NAK antwoord
Het juiste begrip van de Heilige Schrift is in al zijn diepgang alleen mogelijk door de werkzaamheid van de Heilige Geest. Het behoort tot de taak van de apostelen van Jezus de Heilige Schrift uit te leggen voor de leer en het praktiseren van het geloof.

'Men moet ons beschouwen als dienaren van Christus, aan wie het beheer over de geheimen van God is toevertrouwd.' 
1 Kor. 4:1

Overdenking
Met het antwoord van de NAK ben ik het zeker niet oneens, maar de apostelen zijn zeker niet de enige die toegang hebben tot de diepgang en de geheimenissen. Het is begrijpelijk dat uit deze woorden afgeleid wordt dat de apostelen de enigen zijn die een relatie hebben met God (Jezus). De NAK heeft zich in het verleden hier ook sterk voor gemaakt. En het is bij de oudere generatie ook een veel sterker issue dan heden ten dage. 
Als we de weg tot God niet rechtstreeks kunnen of durven vinden en een middelaar zoeken heb ik van Maarten Luther geleerd er is maar één middelaar; JEZUS. Alhoewel niet zichtbaar is Hij net als toen, nog steeds onder de mensen.

Vraag 25
Wat wordt verstaan onder de uitdrukking: 'Jezus Christus is het middelpunt van de Schrift'?

NAK antwoord
Jezus Christus staat centraal in de Heilige Schrift. Dat wordt uitgedrukt met de woorden: 'Jezus Christus is het middelpunt van de Schrift'. Daarom moet ook het Oude Testament uitgaand van Gods Zoon worden uitgelegd. In het Oude Testament wordt de komst van de Messias aangekondigd en voorbereid. Het Nieuwe Testament doet verslag van Jezus' werkzaamheid, in het heden en in de toekomst.

->  Messias: zie vraag 112

Overdenking
Ik heb geen behoefte het antwoord van de NAK te corrigeren, het enige wat in mijn beleving minder pregnant is, is De aankondiging in het Oude Testament. Deze kon wel eens heel anders bedoeld zijn door de schrijvers.

Vraag 26
Welke betekenis heeft de Heilige Schrift voor de gelovige?

NAK antwoord
De Heilige Schrift heeft in het leven van de gelovige een grote betekenis: de Heilige Schrift schenkt troost en oriëntatie, verheft en waarschuwt, bevordert het inzicht en het geloof.

Overdenking
Ik heb geen behoefte het antwoord van de NAK te corrigeren. Hieruit blijkt dat antwoord 24 toch een beetje anders is dan alleen de letterlijke tekst in het NAK antwoord.

Vraag 27
Wat draagt ertoe bij dat door het gebruik van de Bijbel het geloof wordt versterkt?

NAK antwoord
Ontzag voor God en een oprecht gebed om het juiste begrip van de Heilige Schrift zijn grondslagen voor een gebruik van de Bijbel dat het geloof versterkt.

Overdenking
Inhoudelijk mee eens, maar het gebruik en het wanneer van de woorden Heilige Schrift en Bijbel is mij onduidelijk.

Vraag 28
Wat is de grondslag en de inhoud van het christelijke geloof?

NAK antwoord
Christenen geloven in de ene God - Vader, Zoon en Heilige Geest. Het geloof in de drie-enige God is voor de mensen toegankelijk geworden door Jezus Christus.
De Zoon, Jezus Christus, sprak over Zijn hemelse Vader, waarin de mensen moeten geloven. God, de Vader, getuigde meerdere malen dat Jezus Christus Zijn Zoon is (vgl. Luc. 3:22 en 9:35).
Jezus Christus beloofde dat de Heilige Geest als pleitbezorger en helper zou komen.

'[ ... ] te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest [ ... ].' Matt. 28:19
Later zal de Pleitbezorger, de Heilige Geest die de Vader jullie namens Mij zal zenden, jullie alles duidelijk maken en alles in herinnering brengen wat Ik tegen jullie gezegd heb.'  Joh.14:26

-> m.b.t. de grondslagen van het christelijke geloof: zie vraag 34 en 35

Overdenking
Wat betreft de drie-eenheid verwijst ik graag naar overdenking 6

Vraag 29
Wat is een geloofsbelijdenis?

NAK antwoord
Een geloofsbelijdenis is een samenvatting van de wezenlijke inhoud van een geloofsleer. In een geloofsbelijdenis staat datgene wat de leden van een geloofsgemeenschap belijden.
Door de geloofsbelijdenis onderscheidt een geloofsgemeenschap zich tegelijkertijd van andere geloofsgemeenschappen.

Overdenking
Ik heb geen behoefte het antwoord van de NAK te corrigeren.

Vraag 30
Zijn er Bijbelse geloofsbelijdenissen?

NAK antwoord
Ja, reeds in het Oude Testament staan teksten waarin de gezamenlijke geloofsovertuiging tot uitdrukking komt. In een van die geloofsbelijdenissen staat: '[ ... ] de Heer, onze God, de Heer is de enige' (Deut. 6:4). Deze belijdenis, met de titel 'Luister, Israël: werd door de Israëlieten gezamenlijk afgelegd. Ze toonden daarmee hun geloof in één God, in een tijd waarin de volken om hen heen vele verschillende goden vereerden.
In het Nieuwe Testament staan teksten die in formules uitdrukken dat God het heil schenkt in Jezus Christus.
Voorbeelden voor nieuwtestamentische geloofsbelijdenissen zijn:
• 'Jezus is de Heer' (vgl. Rom. 10:9);
• 'Maranata = 'Kom, Heer!' (1 Kor. 16:22)
• 'De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt' (Luc. 24:34).
  
'Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God Hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered. Als uw hart gelooft, zult u rechtvaardig worden verklaard; als uw mond belijdt, zult u worden gered.' Rom.10:9-10

Overdenking
Voor de uitgebreide verhandeling verwijs ik graag naar de Catechismus hfst 2. Buiten de in de Catechismus genoemde Apostolicum en de belijdenis van Nicea-Constantinopel is er ook nog die Athanasius, Heidelbergse Catechismus, Dordtse Leerregels, Nederlandse Geloofsbelijdenis, Augsburger Confessie en de Remonstrantse Belijdenis. Allen dragen waardevolle elementen in zich.
De ‘volwassen’ christen dient zich niet alleen ‘wettisch’ te gedragen maar veel meer de veranderingen aan jezelf die in de Bergrede worden aangereikt te praktiseren. Zie ook het voorwoord.

Vraag 31
Hoe ontstonden de eerste christelijke geloofsbelijdenissen?

NAK antwoord
De eerste christelijke geloofsbelijdenissen worden 'vroegchristelijke geloofsbelijdenissen' genoemd. Ze ontstonden tussen de tweede en vierde eeuw na Christus. In deze tijd werden de leer van de drie-eenheid van God en de leer van het wezen van Jezus Christus, dus van Zijn natuur, geformuleerd.
  
Dit was noodzakelijk omdat er over de geloofsinhoud werd gediscussieerd. Zo werd de mening gehuldigd dat Jezus Christus niet werkelijk aan het kruis was gestorven en dat Hij niet werkelijk was opgestaan. Door de geloofsbelijdenissen distantieerde men zich van deze dwaalleren.

Overdenking
Het mag duidelijk zijn dat de behoefte om een belijdenis in te stellen voortkomt uit verschillende uitleg en beleving. Hier kwam ook strijd uit voort. Zo als vaker in de geschiedenis lezen wij het verhaal van de overwinnaars, wat niet gelijk staat met; de waarheid.
Is er in de geschiedenis heel wat van het oorspronkelijke verloren gegaan en is er niet heel wat aan toegevoegd, waarvan men zou kunnen zeggen; “had dat maar weggelaten”? Ik wil hier alleen maar mee zeggen, een geloofsbelijdenis is een uitgangspunt en geen wet van Meden en Perzen. Je mag zelf onderzoeken wat van waarde is, kun je dat niet of vind je dat geen goed idee dan heb je voor jezelf een houvast aan de geloofsbelijdenis, met de nadruk op JEZELF.

Vraag 32
Welke uitspraken werden in de christelijke geloofsbelijdenissen opgenomen?

NAK antwoord
Bepalend voor het wel of niet opnemen van een uitspraak over het wezen en de werkzaamheid van God in een geloofsbelijdenis was, dat deze moest overeenstemmen met de leer van Christus en Zijn apostelen.

Overdenking
Met de inachtneming van overdenking 31, heb ik niets meer toe te voegen.

Vraag 33
Wat zijn de belangrijkste vroegchristelijke geloofsbelijdenissen?

NAK antwoord
De beide belangrijkste vroegchristelijke geloofsbelijdenissen zijn de Apostolische Geloofsbelijdenis (het Apostolicum) en de Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel.
Het Apostolicum werd in grote lijnen in de tweede eeuw samengesteld en in de vierde eeuw aangevuld. De Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel is het resultaat van de concilies in Nicea (325 na Chr.) en Constantinopel (381 na Chr.). In deze geloofsbelijdenis werd vooral het belijden van de drie-eenheid van God vastgelegd.

Noot
Een concilie is een bijeenkomst van geestelijke hoogwaardigheidsbekleders die zijn samengekomen voor overleg over belangrijke vragen betreffende het geloof.

Overdenking
Ik kan me redelijk vinden in het antwoord van de NAK.

Vraag 34
Hoe luidt de tekst van het Apostolicum?

NAK antwoord
'Ik geloof in God, de Vader, de Almachtige, de Schepper van hemel en aarde, en in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heer, die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, neergedaald in het rijk van de dood, op de derde dag opgestaan uit de doden, opgevaren ten hemel; Hij zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader, vanwaar Hij komen zal om de levenden en de doden te oordelen. Ik geloof in de Heilige Geest, de heilige, algemene kerk, de gemeenschap der heiligen, vergeving der zonden, opstanding der doden en het eeuwige leven. Amen'.

Overdenking
Ik kan me redelijk vinden in het antwoord van de NAK.

Vraag 35
Hoe luidt de tekst van de Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel?

'Wij geloven in de enige God, de Vader, de Almachtige, die alles geschapen heeft, hemel en aarde, de zichtbare en de onzichtbare wereld. En in de enige Heer, Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon, vóór alle tijden uit de Vader geboren:

NAK antwoord
God uit God, licht uit licht, waarachtig God uit waarachtig God, verwekt, niet geschapen, één in wezen met de Vader door wie alles geschapen is. Voor ons mensen en tot ons heil is Hij uit de hemel gekomen, heeft het vlees aangenomen door de Heilige Geest door de maagd Maria en is mens geworden. Hij werd voor ons gekruisigd onder Pontius Pilatus, heeft geleden en is begraven, is op de derde dag opgestaan volgens de Schrift en opgestegen naar de hemel: Hij zit aan de rechterhand van de Vader en zal wederkeren in heerlijkheid om de levenden en de doden te oordelen; aan Zijn heerschappij zal geen einde komen. Wij geloven in de Heilige Geest, die Heer is en levend maakt, die uit de Vader en uit de Zoon voortkomt, die samen met de Vader en de Zoon wordt aanbeden en verheerlijkt, die gesproken heeft door de profeten en in één, heilige, algemene en apostolische kerk. Wij belijden één doop tot vergeving van de zonden. Wij wachten op de opstanding van de doden en op het leven in de toekomende wereld. Amen.’

Overdenking
René Descartes is met name bekend om zijn uitspraak "Cogito ergo sum" [ik denk, dus ik ben]. Volgende stap is dan ook de ontologische [zijn’s] vraag, waar kom ik vandaag, hoe is het begonnen? Maar ook hoe is de ‘schepping’ ontstaan, waar komt al die energie verdaan en hoe is die ontstaan/begonnen? We kunnen heden ten dage deze vragen wel stellen omdat we veel meer weten dan vroeger toen het Oude Testament samengesteld werd, maar we weten de antwoorden niet of niet echt. Met andere woorden we hebben mogelijk wel andere vragen maar (nog) geen andere antwoorden.
Ik heb daarom wel behoefte aan een ander antwoord dan het antwoord van de NAK, maar ik kan het antwoord niet aanreiken. Ergo we doen het voorlopig maar met dit antwoord, naast onze bedenkingen. Niet het oude weggooien voor het nieuwe een echt alternatief is. Zie ook voorwoord.

Vraag 36
Welke betekenis hebben de vroegchristelijke belijdenissen voor de Nieuw-Apostolische Kerk?

NAK antwoord
De leer van de Nieuw-Apostolische Kerk berust op de Heilige Schrift. De vroegchristelijke geloofsbelijdenissen vatten belangrijke aspecten waarvan de Heilige Schrift getuigt samen.
  
De Nieuw-Apostolische Kerk belijdt het in de beide vroegchristelijke belijdenissen geformuleerde geloof in de drie-enige God, in Jezus Christus als waarachtig God en waarachtig mens, in Jezus' geboorte uit de maagd Maria, in Zijn zending door de Heilige Geest, in de kerk, de sacramenten, de verwachting van de wederkomst van Christus en de opstanding van de doden.
  
Ondanks bestaande verschillen tussen de afzonderlijke confessies vormen de vroegchristelijke belijdenissen een element dat de christenen met elkaar verbindt.

Noot
'Confessie' (letterlijk: 'belijdenis') betekent 'geloofsbelijdenis, kerklidmaatschap'. Ook de verschillende christelijke geloofsgemeenschappen worden met 'confessies' aangeduid.

Overdenking
Ik kan me redelijk vinden in het antwoord van de NAK. Verder zou ik het woord Bijbel gebruiken i.p.v. Heilige Schrift.
Zie ook overdenking 35.

Vraag 37
Hoe luidt de tekst van de nieuwapostolische geloofsbelijdenis?

NAK antwoord
'Ik geloof in God, de Vader, de Almachtige, de Schepper van hemel en aarde.
  
Ik geloof in Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon, onze Heer, die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven, begraven, ingegaan in het rijk van de dood, op de derde dag opgestaan uit de doden en opgenomen in de hemel. Hij zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader, vanwaar Hij wederkomen zal.
  
Ik geloof in de Heilige Geest, in één, heilige, algemene en apostolische kerk, de gemeenschap van de heiligen, vergeving van de zonden, opstanding van de doden en het eeuwige leven.
  
Ik geloof dat de Heer Jezus Zijn kerk regeert en daartoe Zijn apostelen heeft gezonden en nog zendt tot aan Zijn wederkomst, met de opdracht te onderwijzen, in Zijn naam zonden te vergeven en met water en de Heilige Geest te dopen.
  
Ik geloof dat degenen die door God voor een ambt zijn geroepen, slechts door apostelen tot hun ambt worden gewijd en dat uit het apostelambt volmacht, zegening en heiliging voor hun dienst voortkomen.
  
Ik geloof dat de Heilige Doop met water de eerste stap is naar de vernieuwing van de mens in de Heilige Geest en dat de gedoopte daardoor wordt opgenomen in de gemeenschap van degenen die in Jezus Christus geloven en Hem als hun Heer belijden.
  
Ik geloof dat het Heilig Avondmaal ter gedachtenis aan het eenmaal gebrachte, algenoegzame offer en aan het bittere lijden en sterven van Christus, door de Heer zelf is ingesteld. Het waardig genieten van het Heilig Avondmaal waarborgt ons de levensgemeenschap met Christus Jezus, onze Heer. Het wordt gevierd met ongezuurd brood en wijn; beide moeten door een ambtsdrager die door de apostel gevolmachtigd is, worden afgezonderd en toegediend.
  
Ik geloof dat de met water gedoopte zielen door een apostel de gave van de Heilige Geest moeten ontvangen om het kindschap Gods en de voorwaarden voor het eerstelingschap te verkrijgen.
  
Ik geloof dat de Heer Jezus zal wederkomen, zo zeker als Hij in de hemel is opgenomen, en de eerstelingen uit de doden en de levenden, die op Zijn komst hoopten en werden voorbereid, tot zich neemt en dat Hij na de bruiloft in de hemel met dezen op de aarde terugkomt, Zijn Vredesrijk sticht en zij met Hem als koninklijke priesters zullen regeren. Na afsluiting van het Vredesrijk zal Hij het eindgericht houden. Dan zal God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde scheppen en bij Zijn volk wonen.
  
Ik geloof dat ik verplicht ben de wereldlijke overheid te gehoorzamen voor zover dit niet in strijd is met goddelijke wetten.’

Overdenking
Uit de (mijn) inleiding blijkt, naar ik hoop, dat voor mij lang niet alles zo overduidelijk en klaar is als de geloofsbelijdenis aangeeft. Maar ik moet ook toegeven dat er een basis moet zijn, die je als uitgangspunt gebruikt, om je geloofsleven vorm te geven. Dit is de reden dat ik geen verder commentaar geef aan de belijdenis.


Vraag 38
Hoe is de nieuw-apostolische geloofsbelijdenis tot stand gekomen?

NAK antwoord
De nieuw-apostolische geloofsbelijdenis is het resultaat van de uitleg van de Heilige Schrift en de vroegchristelijke belijdenissen door de apostelen.
De belijdenis is in zijn huidige vorm wat betreft inhoud en taalgebruik ontstaan conform de ontwikkeling van de geloofsleer en de verdieping van het inzicht.
  
Bij het samenstellen besefte men:
Gods liefde, genade en almacht kunnen niet volledig worden beschreven. Ze zijn altijd nog groter dan wat de mens er over zou kunnen zeggen. De geloofsbelijdenis trekt derhalve geen grens die andere christenen het deelhebben aan het heil ontzegt.
  
 -> heil: zie vraag 243 e.v.

Overdenking
Ik kan me redelijk vinden in het antwoord van de NAK, wat ik graag wil toevoegen; het is EEN basis waarop we kunnen  starten. Een geloof dient levend te zijn, anders gezegd, met die andere basis, de Bergrede, kunnen we naar eigen vermogen verder bouwen.

Vraag 39
Wat is de betekenis van de nieuwapostolische geloofsbelijdenis?

NAK antwoord
De nieuw-apostolische geloofsbelijdenis brengt in tien artikelen de geloofsleer van de Nieuw-Apostolische Kerk bindend onder woorden. De belijdenis heeft ook de taak de geloofshouding van nieuw-apostolische christenen te kenmerken.
  
Bovendien kan de geloofsbelijdenis dienen om andere mensen bekend te maken met de wezenlijke inhoud van het nieuw-apostolische geloof.

Overdenking
Vooral de eerste alinea zou ik graag wat minder wettisch zien.

Vraag 40
Hoe is de nieuw-apostolische geloofsbelijdenis opgebouwd?

NAK antwoord
De eerste drie geloofsartikelen komen in grote lijnen overeen met het Apostolicum: ze gaan over de drie-enige God. De daaropvolgende artikelen 4 en 5 beschrijven de werkzaamheid van de apostelen. Artikel 5 gaat bovendien over de taken van de andere ambtsdragers. Artikel 6, 7 en 8 gaan in op de drie sacramenten. In artikel 9 wordt de hoop op de toekomst behandeld (eschatologie). Artikel 10 gaat over de verhouding tot de wereldlijke overheid.
  
Noot
Het begrip 'eschatologie' staat voor de 'leer van de laatste dingen'. Dit heeft zowel betrekking op de toekomst van ieder mens (persoonlijke eschatologie) als op de voltooiing van de wereldgeschiedenis (universele eschatologie).

Overdenking
Opnieuw zou ik e.e.a. graag wat minder wettisch zien. De Drieëenheid vind ik zelf wat star en beperkend voor de grootsheid van God. We kunnen Hem niet in een vakje plaatsen en dat proberen we wel met zo’n aanduiding.
Wat betreft de eschatologie wordt in veel kerken (ook in de NAK) de inhoud van het bijbelboek Openbaring erg letterlijk genomen, ik zie dat niet zo. Zie ook overdenking 7.

Vraag 41
Waarover gaat het eerste geloofsartikel?

NAK antwoord  
Het eerste geloofsartikel gaat over God, de Vader als schepper.
 -> God, de Vader:
 zie vraag 37 en 67 e.v.

Overdenking
Ik kan me vinden in het antwoord van de NAK, het is een gegeven.

Vraag 42
Waarover gaat het tweede geloofsartikel?

NAK antwoord
Het tweede geloofsartikel gaat over Jezus Christus, de basis en inhoud van het christelijke geloof.
  
 -> Jezus Christus:
 zie vraag 37 en 93 e.v.

Overdenking
Ik kan me vinden in het antwoord van de NAK, het is een gegeven.

Vraag 43
Waarover gaat het derde geloofsartikel?

NAK antwoord
Het derde geloofsartikel belijdt het geloof in de Heilige Geest, dus de derde persoon van de godheid, evenals het geloof in de kerk, de gemeenschap van de heiligen en het verdere heil.
  
 -> Heilige Geest:
 zie vraag 37 en 197 e.v.

Noot  
Tot de 'gemeenschap van de heiligen' behoren in engere zin alle gelovigen die zijn wedergeboren uit water en Geest, zich door de apostelen van Jezus Christus op de dag van de Heer lieten voorbereiden en door Hem als Zijn bruid zijn aangenomen. Wie tot deze gemeenschap behoort, blijkt dus pas bij de wederkomst van Christus. In algemenere zin horen bij de 'gemeenschap van de heiligen' allen die van de kerk van Christus deel uitmaken. Bedoeld worden allen die vandaag al heil uit Jezus Christus ontvangen. In de nieuwe schepping zal de 'gemeenschap van de heiligen' zich in haar volmaaktheid openbaren.

Overdenking
Hier wordt de exclusiviteit weer eens benadrukt. Daar ben ik beslist geen voorstander van, sterker nog ik wijs de exclusiviteit af.
Voor ieder serieuze gelovige die zijn leven inricht naar de inhoud van de Bergrede, weet zich door God gekend. Dat is geen exclusiviteit maar hard werken, de tijd van het ‘lost paradise’ (inleiding 4) liggen ver achter ons.

Voor degenen die de Bergrede oprecht en bewust naleven geldt dat:
De maatstaven van de Bergrede zijn niet gemakkelijk haalbaar
maar ook weer niet totaal onhaalbaar.
Als je zegt dat het onhaalbaar is
dan ontken je de bedoeling van de Bergrede.
Als je het daarentegen weer voor iedereen haalbaar acht
dan negeer je weer de werkelijkheid van de menselijke zwakheden.
Ze zijn alleen maar haalbaar voor diegenen
die de nieuwe geboorte ervaren hebben,
waarvan Jezus aan Nicodemus uitlegde
dat het de onmisbare voorwaarde was
om het Domein van God te zien en binnen te gaan.
Want de rechtvaardigheid die Jezus in de Bergrede benoemt
is een innerlijke rechtvaardigheid.
Hoewel het uitwendig blijkt en
zichtbaar wordt in woorden, daden en relaties,
blijft het in essentie een rechtvaardigheid van het hart.

– John Stott met kleine aanpassingen van PGS --

De rechtvaardigheid van het hart is een vormingsproces, dat symbolisch ingeleid wordt als we daar klaar voor zijn. Ook na de inleiding, inwijding, initiatie of hoe je het ook wilt noemen (desnoods doop), gaat dit proces met vallen en opstaan. We kunnen God altijd zoeken en verzoeken om ons hierbij te helpen en inzichten te geven. Je zou de vergelijking met het planten van een boompje kunnen maken. Als het zaadje geen water of vruchtbare aarde krijgt is het snel gedaan met de pret. Na onze doop (water en/of geest) wordt de verantwoording van de verzorging bij ons neergelegd. Het resultaat is dus in belangrijke mate afhankelijk van ons ‘werken’.
Nicodemus was hier nieuwsgierig naar, maar kon vanwege zijn status niet in het zicht van iedereen zich tot Jezus wenden, maar het antwoord was er niet minder om en is nog steeds een bijzonder antwoord.

Het beschrevene lijkt op een beschrijving van een initiatie; inhuldiging, inwijding bij (bijna) volwassenen, opneming in een kring.

In Joh. 3:1-22, lezen we over het gesprek (‘s nachts!!), tussen Jezus en Nikodemus.
Hier geplaatst; 1- 12, 1 Zo was er een farizeeër, een van de Joodse leiders, met de naam Nikodemus. 2 Hij kwam in de nacht naar Jezus toe. “Rabbi,” zei hij, “wij weten dat u een leraar bent die van God gekomen is, want alleen met Gods hulp kan iemand de wondertekenen doen die u verricht.” 3 Jezus zei: “Waarachtig, ik verzeker u: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien.' 4 'Hoe kan iemand geboren worden als hij al oud is?” vroeg Nikodemus. 'Hij kan toch niet voor de tweede keer de moederschoot ingaan en weer geboren worden?' 5 Jezus antwoordde: “Waarachtig, ik verzeker u. niemand kan het koninkrijk van God binnengaan, tenzij hij geboren wordt uit water en geest. 6 Wat geboren is uit een mens is menselijk, en wat geboren is uit de Geest is geestelijk. 7 Wees niet verbaasd dat ik zei dat jullie allemaal opnieuw geboren moeten worden. 8 De wind waait waarheen hij wil; je hoort zijn geluid, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat. Zo is het ook met iedereen die uit de Geest geboren is.” 9 “Maar hoe kan dat?” vroeg Nikodemus. 10 “Begrijpt u dit niet,” zei Jezus, “terwijl u een leraar van Israël bent? 11 Waarachtig, ik verzeker u: wij spreken over wat we weten en we getuigen van wat we gezien hebben, maar jullie accepteren ons getuigenis niet. 12 Wanneer jullie me niet geloven als ik over aardse dingen spreek, hoe zouden jullie me dan geloven als ik over hemelse dingen spreek?”

Vraag 44
Waarover gaat het vierde geloofsartikel?

NAK antwoord
Het vierde geloofsartikel zegt dat Jezus Christus Zijn kerk regeert en dat dit wordt uitgedrukt in de zending van de apostelen.
  
 -> apostelen: zie vraag 37, 421 en 453 e.v.

Overdenking
Ook dit antwoord riekt naar exclusiviteit, graag verwijs ik naar overdenking 43, (vorige week).

Vraag 45
Waarover gaat het vijfde geloofsartikel?

NAK antwoord
In het vijfde geloofsartikel gaat het over het geestelijke ambt.
  
 -> ambt: zie vraag 37 en 411 e.v.

Overdenking
Graag verwijs ik naar overdenking 37 en het antwoord 37van de NAK

Vraag 46
Waarover gaat het zesde geloofsartikel?

NAK antwoord
Het zesde geloofsartikel gaat over de Heilige Waterdoop.
  
  -> Doop met water: zie vraag 37 en 481 e.v.

Overdenking
Graag verwijs ik naar overdenking 37, het antwoord 37 van de NAK en overdenking 43 de alinea vanaf; ‘De rechtvaardigheid van het hart is een vormingsproces ... ’.

Vraag 47
Waarover gaat het zevende geloofsartikel?

NAK antwoord
Het zevende geloofsartikel behandelt het Heilig Avondmaal.
  
 -> Heilig Avondmaal: zie vraag 37 en 494 e.v.

Overdenking
Graag verwijs ik naar overdenking 37, het antwoord 37 van de NAK.

Tijdens het avondmaal worden het lijden en het sterven van Jezus Christus herdacht door het eten van brood en het drinken van wijn. Het avondmaal lijkt op de Eucharistie in de Rooms-Katholieke kerk, maar er zijn belangrijke verschillen in - en van opvattingen over - het wezen van het ritueel.

Protestantse kerken
Christenen geloven dat het avondmaal door Christus is ingesteld op de avond waarop hij door Judas verraden werd en vervolgens aan het Sanhedrin (de joodse raad) overgeleverd werd. Hij at, volgens de protestantse opvatting, samen met zijn discipelen gewoon brood en dronk gewone wijn, en droeg hun op om dit voortaan te blijven doen als een gedenkteken voor zijn dood. In protestantse opvatting ging het hier om een symbolische bedoeling.

Katholieke kerk
Het grote verschil is echter dat het avondmaal uitdrukkelijk een geestelijke gebeurtenis is, waarbij door brood en wijn het sterven van Jezus herdacht worden, waarbij het brood staat voor het gebroken lichaam en de wijn voor het vergoten bloed van Christus. Volgens de rooms-katholieke transsubstantiatieleer (is de binnen de Katholieke Kerk gebruikte term om de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus) worden het brood (de hostie) en de wijn daadwerkelijk en letterlijk het lichaam en bloed van Christus. In het avondmaal worden dan ook meestal gewoon brood en gewone wijn gebruikt, terwijl de hostie en de wijn die bij de eucharistie gebruikt worden op een speciale manier bereid zijn. In de katholieke en orthodoxe opvatting is de eucharistie bovendien een offer, in de zin, dat Christus erin Zijn éne kruisoffer onbloedig tegenwoordig stelt. (bron Wikipedia)

Betekenis van brood en wijn
De elementen brood en wijn, die voor het sacrament constitutief (vaststellend, vormend, wezenlijk) zijn, behoren tot het terrein van voeding, feest en de Israëlitische eredienst.
Brood staat symbool voor menselijke voeding in het algemeen. De spijziging met brood en de daarmee verbonden wonderen in het Oude en het Nieuwe Testament tonen aan dat voor God de mens in zijn totaliteit telt, niet slechts een deel - niet alleen het lichaam, niet alleen de ziel. Ook binnen de eredienst was door de wet van Mozes aan het brood een belangrijke functie toegewezen. Op een tafel voor het voorhangsel van het Allerheiligste werden twaalf 'toonbroden' gelegd. Tijdens de sabbat werden ze door de priesters gegeten en door nieuwe broden vervangen (vgl. Ex. 25:30).
Ook met de wijn wordt in eerste instantie de oorspronkelijke en wezenlijke afhankelijkheid van de mens van voeding aangegeven. Wijn behoorde in het oude Israël tot de dranken die men tijdens een feest nuttigde. De wijn is in Israël ook een symbool voor vreugde en voor het toekomstige heil (Jes. 55:1). (bron 8.2.7, NAK Catechismus).

Alhoewel ik begrip heb voor de Katholieke keuze, vind ik het persoonlijk niet noodzakelijk dat de transsubstantiatie plaatsvindt. De menselijke geest heeft vaak de symboliek nodig voor de verdere vorming, het is onze beperking dat we ons moeten bedienen van dit, min of meer, hulpmiddel. Het regelmatig vieren van het avondmaal maakt deel uit van die vorming, die als een langzaam lopend proces, wij met vallen en opstaan doormaken. Met andere woorden persoonlijk heb ik genoeg aan de symboliek van het avondmaal.

Apostel Klene vertelde eens: “vaak moest ik voor mijn werk over de afsluitdijk”. Daar komt het voor dat er in bepaalde jaargetijden veel muggen zijn. Als je door die zwermen heen gereden was, had je zo’n vieze koek dode muggen op je auto zitten. Die zijn er moeilijk af te halen. Aan apostel de Bruijn, deskundig met auto’s, vroeg ik eens: “hoe krijg je dat er nou af zonder schade te maken?”. De apostel zei: ”met water, steeds weer opnieuw, in de week zetten en schoonmaken”. Het gaat hier dus niet om een eenmalig kunstje maar om het proces van herhalen. Zo is het met onze onvolkomenheden ook, die zijn niet opgelost na één of wee keer, maar dat is een proces van herhalen. Steeds opnieuw, bewust avondmaal vieren vormt ons.

Vraag 48
Waarover gaat het achtste geloofsartikel?

NAK antwoord
Het thema van het achtste geloofsartikel is de Heilige Verzegeling.
  
 -> Heilige Verzegeling: zie vraag 37 en 515 e.v.
 
Overdenking
Graag verwijs ik naar overdenking 37, het antwoord 37 van de NAK

Vraag 49
Waarover gaat het negende geloofsartikel?

NAK antwoord
Het negende geloofsartikel behandelt de wederkomst van Christus en de daaropvolgende gebeurtenissen.
  
 -> de leer van de laatste dingen, wederkomst van Christus: zie vraag 37 en 549 e.v.

Overdenking
Grot van Plato
Ondanks dat de schrijvers van de Bijbel ons inzichten proberen te geven over Godsrijk, zijn schepping en Zijn bedoelingen voor de (onze) toekomst, blijft veel onduidelijk. De filosoof Plato heeft daar bijna 2500 jaar geleden gedachten over gevormd die heden ten dagen nog steeds algemeen aanvaard zijn. Om te laten zien dat het vreselijk moeilijk is dit in te zien, heeft hij een denkbeeldig verhaal gemaakt met een aantal aannamen die erg onwaarschijnlijk lijken maar nodig zijn om het verhaal rond te krijgen. Eén van de aannamen is dat er mensen zijn die altijd vastgebonden zijn en daar vrede mee hebben. Of is dat nu juist niet vreemd, denk er eens goed over na.

Je moet je eens mensen voorstellen in een soort van onderaardse behuizing die op een grot lijkt. Die behuizing heeft een lange ingang, open naar het licht en langs de volle breedte van de grot. De mensen zitten daar van jongs af, vastgebonden aan hun benen en hun hals, zodat ze niet weg kunnen, alleen maar recht vooruit kunnen kijken en vanwege de boeien niet in staat zijn hun hoofd in welke richting ook te bewegen. Licht hebben ze wel: de weerschijn van een vuur dat achter hen, hoog en ver weg brandt. En daarboven, tussen het vuur en de vastgebonden mensen, is een weg. Stel je eens voor dat langs die weg een binnenmuurtje is opgetrokken, zoiets als de schermen die door de poppenkastspelers voor het publiek worden geplaatst en waarachter zij de spektakels opvoeren die boven de schermen te zien zijn.
“Ik probeer het me voor te stellen,” zei hij. “Stel je nu ook voor dat zich langs dat muurtje mensen bewegen met allerlei voorwerpen bij zich die boven dat muurtje uitsteken, ook afbeeldingen van mensen en andere levende wezens, van steen, van hout, en van allerhande materiaal vervaardigd. ( ...) Stel nu dat ze met elkaar konden praten. Denk je niet dat ze dan dat wat ze zien als de werkelijkheid zouden beschouwen? “
Wanneer nu een van die mensen tegen zijn wil - want de mensen in de grot munten uit door grote tevredenheid - zou worden losgemaakt en werd gedwongen naar de dingen boven te kijken, dan zouden zijn ogen pijn doen, en zou hij langzaam moeten wennen aan het licht en aan de ware gestalte van de dingen. Maar hij zou wel inzien dat hij onder in de grot ver beneden het niveau van de menselijke intellectuele mogelijkheden had geleefd. Hij zou met medelijden terugdenken aan zijn vroegere lotgenoten. En als hij werd gedwongen zijn plaats in de grot weer in te nemen, zou hij zeker proberen de mensen daar ervan te overtuigen dat hun kijk op de werkelijkheid verre van adequaat is. Maar ze zouden hem niet geloven en hij zou de kans niet krijgen de vanzelfsprekendheid van hun wereldbeeld aan het wankelen te brengen. Ze zouden zelfs proberen hem te doden, omdat hij onrust zaait in hun wereld. Zo hadden ook de Atheners Socrates veroordeeld, die als een lastige horzel het paard van de gemeenschap plaagde.'
In deze allegorie is sprake van velerlei vormen van geweld. De gevangene moet met geweld worden losgerukt van zijn als comfortabel ervaren plaats in de grot. Misschien is hij daar ook met geweld gevangen gezet, maar dat blijkt hij te zijn vergeten. Hij wordt met geweld naar boven gesleept. Later moet hij worden gedwongen terug te keren en weer af te dalen, ofschoon hij daarboven zeer gelukkig is en zich op het eiland van de zaligen waant. En ook de medegevangenen willen geweld tegen hem gebruiken. In de allegorie lijkt al dit geweld te maken te hebben met een doorbreking van de vanzelfsprekendheid door de filosofie en de schok die zij teweegbrengt. Pas als die schok is verwerkt, wordt het initiatief van binnenuit overgenomen door de wijsgerige Eros, Griekse god van de zinnelijke liefde.

Waarom kunnen we ons niet van de utopie bedienen om een hemel op aarde te maken? Omdat mensen zondaars zijn - het hoge woord moet eruit. Ze werken een poosje aan een ideaal, wist Frederik van Eeden al, en dan geven ze het op en willen ze geld zien. Ze zijn een poosje helpers van de armen, totdat ze zelf tekort dreigen te komen, dan wordt uit een ander vaatje getapt. Ik noem maar enkele bekende trekken van 'wij mensen'. Onder de condities van onze 'oude wereld' zal er nooit een nieuwe ontstaan. Dat is wat Paulus ervan weerhoudt om de utopie te volgen. Eerst moet er wat anders gebeuren.

Dat is ook de reden dat de eerste generatie christenen zich zo gemakkelijk kon uitdrukken in de taal van het boek Openbaringen, van catastrofes, van het Laatste Oordeel en van het verdwijnen van de wereld. Natuurlijk! Eerst moet de oude wereld vergaan, want uit de oude komt geen nieuwe voort. Allemaal metaforen voor hetzelfde: onder de voorwaarden van de huidige wereld komt er geen Koninkrijk Gods op aarde. Niet voor niets eindigen zulke passages dan ook met: 'want wij verwachten een nieuwe hemel en een nieuwe aarde'. Inderdaad, die verwachting is christelijk. Maar hoe het Koninkrijk Gods eruit zal zien en hoe het komt weten we niet. De christenheid heeft haar droom niet voor niets die van het Koninkrijk Gods genoemd. Het 'binnenwerelds' te verwachten, laat staan te willen realiseren, strijkt de christelijke overlevering tegen alle haren in.  (uit het algemeen betwijfeld christelijk geloof, Harry Kuitert)

Kortom wij kunnen ons van de toekomst geen voorstelling maken, hooguit een schets.

Vraag 50
Waarover gaat het tiende geloofsartikel?

NAK antwoord
Het tiende geloofsartikel gaat over de houding van de christen tegenover de staat.
  
 -> Nieuw-Apostolische Kerk als onderdeel van de maatschappij: zie vraag 37 en 745 e.v.

Overdenking
Matth. 5:17-19
Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze hun volle betekenis te geven.
Ik verzeker u: zolang hemel en aarde bestaan, zal niet één lettertje of streepje uit de wet geschrapt worden totdat alles gebeurd is.
Wie dus een van deze geboden afschaft, al is het nog zo klein, en anderen leert hetzelfde te doen, zal de kleinste genoemd worden in het hemelse koninkrijk. Maar wie zich aan de geboden houdt en anderen leert hetzelfde te doen, die zal een grote naam hebben in het hemelse koninkrijk.
         
De toehoorders van Jezus waren Joden. De wet van Mozes was hun maatstaf al betekende dat niet noodzakelijk dat ze er ook naar leefden. In Joh. 7:19 zegt Jezus zelfs: “Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u houdt zich eraan”. Het is ook begrijpelijk dat de toehoorders (de omstanders en de discipelen) wel eens de indruk hadden dat de wet niet meer belangrijk was. Wat Jezus bracht leek een nieuwe leer! In Marc. 1:27 lezen we dat ze tegen elkaar zeggen: " Iemand met gezag!” Later zal Hij ook, in de ogen van veel Joden, openlijk de Sabbat schenden (Joh. 5:18). Ik geloof dat Jezus deze, al of niet uitgesproken vragen, beantwoordt in de verzen 17 en 18: Hij is niet gekomen om de wet en de profeten te ontbinden maar om te vervullen!


Hoofdstuk 3, vraag 51 - 214, heeft de titel ‘de drie-enige God’.


Dat we van drie personen spreken. is niet om iets te zeggen maar om niet geheel en al te zwijgen. (Augustinus)


Voor ik de overdenkingen in dit hoofdstuk behandel, eerst mijn persoonlijke kijk op deze ‘constructie’. Op de eerste plaats vind ik en benoeming, beschrijving, duiding van God misplaatst, als we in een paar woorden proberen te duiden wat ons beeldover Hem is. Van alle ervaringen die we met Hem hebben lukt het ons iets te zeggen, te beschrijven, over onze ervaringen met Hem, dat noemen we dan ‘de drie-enige God’ of de dure term ‘Triniteit’. Persoonlijk vind ik het woordje GOD goed, met alles wat je er meer over zegt geef je aan dat je het eigenlijk niet weet en tekort schiet. Doe het dan niet.

Mysterie of speculatie? (Harry Kuitert, het algemeen betwijfeld christelijk geloof)

De christelijke geloofstraditie kenmerkt zich, volgens velen, door haar spreken over God als de Drieënige God. Een ongewone manier van voorstellen, dat is zeker. Met een zee van mogelijke misverstanden en onbegrip tot gevolg. Ik ontleen daaraan de vrijheid om te vragen of de Heilige Drieëenheid - de plechtige formule - nu als mysterie of veeleer als een theologische speculatie moet worden opgevat, die dan later weer tot mysterie werd omgevormd.

De Drieëenheid (laat ik kortheidshalve er zo over mogen spreken) is in elk geval als een theologisch antwoord op een intellectueel probleem haar loopbaan begonnen. Als we eenmaal gezegd hebben dat God in Christus mens geworden is (de klassieke leer van de incarnatie), dient zich de vraag aan of God dan niet meer in de hemel is of sterker nog: als God werkelijk mens geworden is, waar is God dan gebleven? Niemand wilde de kant op van twee Goden (God en Jezus) en toch wilde men ook Jezus met God aanspreken. Dus toch weer twee? Allerlei oplossingen werden aangedragen. Om maar een enkele te noemen: zou je niet kunnen zeggen dat Jezus een soort masker was dat God heeft opgezet, toen Hij zich tot de mens begaf? Jawel, maar dan hebben we in Jezus niet echt met God te maken maar met een maskerade, zij het een heilige. Hetzelfde lot onderging de idee dat Jezus Gods kracht op aarde was - mooi, maar zo bleef er opnieuw te weinig God (als persoon) in Jezus over. De meeste oplossingen waarbij een mens zich nog wat kon voorstellen, leden aan het euvel dat ze te weinig van God in Jezus overlieten en om vast te houden aan God in Jezus was alles toch begonnen. Is twee dus = een en een = twee? De leraars van de Oude kerk hebben er eeuwen over gestreden en in de loop van die strijd nog meegenomen dat de oudste christelijke traditie ook over Gods Geest als een iemand, een persoon spreekt. Zo werd de vraag dus: hoe kan 3 = 1 zijn en 1 = 3? De drie Personen warrelen de eerste eeuwen nog een poosje door elkaar maar als antwoord op de vraagstelling kristalliseerde zich in de loop der tijd de leer van de Heilige Drieëenheid uit: God is één (en niet twee of drie) maar het ene goddelijke wezen bestaat uit (of beter nog: in) de drie Personen van Vader, Zoon en Heilige Geest. Sedert dien is het tot vast onderdeel van de christelijke traditie geworden. Voor sommigen (tot op vandaag) aanleiding voor het oprichten van kolossale speculaties over God, mens en wereld, voor de Oosterse Kerk het eigenlijke mysterie van het christelijk geloof, maar voor de meeste christenen een onbegrepen, onbegrijpelijke en onvoorstelbare geloofsvoorstelling. Toen ik onder studenten eens probeerde uit te leggen wat de traditie met de drieënigheid van God bedoelde en aan de drie Personen toekwam, vroeg een meisje zich verbaasd af: drie? Maar het zijn er toch vier, er is toch ook nog een Wezen? Zulk soort misverstanden zijn onvermijdelijk. Wat de Oude Kerk met 'wezen' bedoelde is al niet duidelijk, laat staan wat 'persoon' voor hen inhield. In elk geval iets heel anders dan wij met 'persoon' bedoelen.

Vraag 51
Wie is de drie-enige God?

NAK antwoord
God is een geestelijk, volkomen en volledig onafhankelijk wezen. Hij is eeuwig, Hij is zonder begin en einde. Er is één God en Hij is de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
  
Met 'de Vader, de Zoon en de Heilige Geest' worden niet drie verschillende godheden bedoeld, maar drie personen die één God zijn.
  
  -> triniteit van God:
  
  zie vraag 61 e.v., 198

Overdenking
Vanuit de visie die verwoord is in de inleiding van hoofdstuk 3 en overdenking 6 kan ik me prima vinden in het NAK antwoord.

Vraag 52
Welke kenmerken zijn bekend van het wezen van God?

NAK antwoord
Mensen kunnen God niet alomvattend beschrijven. Er zijn echter kenmerken van God bekend: Hij is de Enige, de Heilige, de Almachtige, de Eeuwige, de Liefhebbende, de Genadige, de Rechtvaardige en de Volmaakte.

Overdenking
Vanuit de visie die verwoord is in de inleiding van hoofdstuk 3 en kan ik me prima vinden in het NAK antwoord.

Vraag 53
Wat betekent: 'God is de Enige'?

NAK antwoord
Er is maar één God. Het geloof in één God behoort tot de fundamentele belijdenissen van het Oude en het Nieuwe Testament en is derhalve ook fundamenteel voor het christelijke geloof.
  
 Noot
De leer dat er slechts één God is, wordt aangeduid als 'monotheïsme'. Monotheïstische religies zijn bijv. het jodendom, de islam en het christendom.

'Dit zegt de Heer, lsraëls koning en bevrijder, de Heer van de hemelse machten: Ik ben de eerste en de laatste, er is geen god buiten Mij.' Jes. 44:6
  
'Luister, Israël: de Heer, onze God, is de enige Heer[ ... ].'   Marc.1:29

Overdenking
Ik kan me goed vinden in het NAK antwoord.

Vraag 54
Wat betekent: 'God is de Heilige'?

NAK antwoord
Heiligheid hoort bij het wezen van God, bij Zijn bestaan en werkzaamheid. Heiligheid omvat majesteit, onaantastbaarheid, gescheiden zijn van het profane. Ook Gods woord en wil zijn heilig.
  
De heiligheid van God heiligt de plaats waar Hij zich openbaart.
  
Noot
'Heilig, heilig, heilig is de Heer van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van Zijn majesteit.'  Jes. 6:3

Overdenking
Ik kan me vinden in het NAK antwoord, het is een respectabele houding.

Vraag 55
Wat betekent: 'God is de Almachtige'?

NAK antwoord
God kan alles, voor Hem is niets onmogelijk. Niemand kan grenzen stellen aan Gods wil en werkzaamheid.
Uit de schepping blijkt duidelijk dat God almachtig is. Alleen door Zijn woord is alles geschapen. Alles wat bestaat, wat wij mensen waarnemen en ook wat we niet kunnen waarnemen, heeft Hij uit het niets geschapen. Vanuit Zijn almacht zal Hij ook de nieuwe schepping laten ontstaan.
Tot de almacht van God behoren ook Zijn alwetendheid en alomtegenwoordigheid.
  
  ->  nieuwe schepping: zie vraag 581
  
Noot
'Jezus zei: "Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God."' Luc.18:27
  
'Door geloof komen we tot het inzicht dat de wereld door het woord van God geordend is, dat dus het zichtbare is ontstaan uit het niet-zichtbare.' Hebr.11:3

Overdenking
Ik kan me vinden in het NAK antwoord, alleen het zinnetje :”Alleen door Zijn woord is alles geschapen”, vind ik een dwaling, wij weten er niets van hoe God heeft ‘gewerkt’.

Vraag 56
Wat betekent: 'God is de Eeuwige'?

NAK antwoord
God is zonder begin en zonder einde. Begrenzingen van tijd zijn er voor Hem niet. God is schepper van en heerser over de tijd.
  
Noot
'Nog voor de bergen waren geboren, voor U aarde en land had gebaard - U bent, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid.' Ps. 90:2

Overdenking
Ik kan me vinden in het NAK antwoord, alleen het zinnetje :”God is schepper van en heerser over de tijd”, vind ik een dwaling, het fenomeen tijd heeft een automatisch binding in de materie en is daarmee een onderdeel van de schepping.

Vraag 57
Wat betekent: 'God is de Liefhebbende'?

NAK antwoord
God presenteerde zich reeds in het Oude Verbond als de Liefhebbende doordat Hij het volk Israël uitverkoor en bevrijdde uit de Egyptische slavernij. Hij openbaarde zich aan de gehele mensheid als de Liefhebbende door Zijn Zoon tot heil van alle mensen te zenden.
Apostel Johannes schreef: 'Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop. God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem' (1 Joh. 4:16).

Noot
'Ik heb je altijd liefgehad, Mijn liefde zal je altijd vergezellen.' Jer. 31:3

'Want God had de wereld zo lief dat Hij Zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.' Joh. 3:16

Overdenking
Hoe mogen we God zien?
In Amos 2:9 staat o.a.; En toch heb ik ter wille van jullie de Amorieten uitgeroeid, die zo groot waren als ceders en zo sterk als eiken: met wortel en tak roeide ik ze uit. De oudtestamentische God.
Of zoals Jesjoea uit Nazareth ons heeft voorgehouden, dan verschijnt God geheel als een licht zonder duisternis, als een onvoorwaardelijke goedheid, als een grenzeloos begrijpen en vergeven. Zo'n God spreekt geen recht, Hij stelt niet terecht, maar Hij richt op, Hij heelt. Over de God van Jezus mag nooit anders meer worden gesproken dan als helend door een goedgunstigheid die niet veroordeelt, nooit anders meer dan als heilzaam door de aanvaarding zonder enige ontkenning, als heiligend in het doen rijpen van een steeds diepere bevestiging. Daarmee wordt niet een nieuwe geloofsleer opgebouwd, maar wel verandert ons leven dan van angst in vertrouwen, van agressie in acceptatie, van dood in leven.  Joh 8:12b “Ik veroordeel u ook niet. Ga nu maar, en zondig voortaan niet meer.”

Vraag 58
Wat betekent: 'God is de Genadige'?

NAK antwoord
God ontfermt zich liefdevol en genadig over de mensen, Hij blijft geduldig en Zijn trouw is groot (vgl. Ps. 103:8). Dat God genadig is, wordt vooral duidelijk doordat Hij zich ontfermt over de in zonde verstrikt geraakte mens en zonde vergeeft. Ook de menswording van God in Jezus Christus is een uiting van Zijn genade.
Niemand kan Gods genade voor zichzelf verdienen, het is een geschenk.

Overdenking
In de inleiding (3) kunnen we lezen;
de landbouw vereiste dat bepaalde zaken niet meer van iedereen waren. Wat valt er te oogsten, wanneer iedereen zich tevoren kan bedienen? Dus is het voortaan: 'Dit is mijn land! Dit zijn mijn planten en dat zijn mijn voorraden!' Daarvan mocht een ander niets meer nemen zonder tevoren beleefd te vragen. Het was niet eenvoudig om dat nieuwe eigendomsconcept ingang te doen vinden.
Dit was dan ook de proloog voor regels die de ‘nieuwe’ samenleving vorm gaven. Regels, zoals de Bijbel verondersteld, die letterlijk uit de lucht komen vallen ? En waar God ons dan genadig over is, als we die regels overtreden? In wat een hopeloze positie heeft God zich zelf gemanoeuvreerd! Ik geloof er niets van, het is anders, maar hoe? Ik ga opnieuw ‘even langs’ bij prof Harry Kuitert.

'Hoezo verzoening? Ik wist niet dat het oorlog was!' Zo'n uitroep lijkt mij voorde hand te liggen. In haar oprechtheid is zij tegelijk onthullend voor de stand van zaken: de spil waarom de christelijke geloofsverkondiging draait, sluit niet helemaal - of helemaal niet - bij onze emoties aan. Verzoening veronderstelt twee partijen, veronderstelt dat er tussen die twee iets is, op z'n minst een vorm van twist. Maar hebben wij twist met God? We zijn ons van geen kwaad bewust, de vergeving der zonden doet ons dan ook niet (althans zelden) een gat in de lucht springen en vrede met God is geen Groot Nieuws. Ik overdrijf enigszins, maar zeg geen onherkenbare dingen. Het enige dat rest is: wij hebben niets tegen God, maar Hij kan toch wat tegen ons hebben?
Tot zo ver Kuitert, uit zijn ‘algemeen betwijfeld christelijk geloof’.

We zien het genadig zijn van God niet goed, nogmaals dan zit Hij in de positie ons eindeloos te moeten vergeven. Maar de ‘schepping’ is langzame evolutie, die bestaat uit vallen en opstaan, niet God maar wij zitten in de positie dat we doormiddel van de woorden van Jesjoea van Nazareth (de Bergrede) de veranderingen stapje voor stapje moeten te ondergaan.

Nogmaals (uit overdenking 43)

Voor degenen die de Bergrede oprecht en bewust naleven geldt dat:
De maatstaven van de Bergrede zijn niet gemakkelijk haalbaar
maar ook weer niet totaal onhaalbaar.
Als je zegt dat het onhaalbaar is
dan ontken je de bedoeling van de Bergrede.
Als je het daarentegen weer voor iedereen haalbaar acht
dan negeer je weer de werkelijkheid van de menselijke zwakheden.
Ze zijn alleen maar haalbaar voor diegenen
die de nieuwe geboorte ervaren hebben,
waarvan Jezus aan Nicodemus uitlegde
dat het de onmisbare voorwaarde was
om het Domein van God te zien en binnen te gaan.
Want de rechtvaardigheid die Jezus in de Bergrede benoemt
is een innerlijke rechtvaardigheid.
Hoewel het uitwendig blijkt en
zichtbaar wordt in woorden, daden en relaties,
blijft het in essentie een rechtvaardigheid van het hart.

Dit is Gods genade in mijn belevenis, dat we dit aangereikt krijgen.

Vraag 59
Wat betekent: 'God is de Rechtvaardige'?

NAK antwoord
Alles wat God doet is juist; Hij maakt geen fouten: 'Trouw is God, rechtvaardig en zuiver, in Hem is geen spoor van kwaad' (Deut. 32:4). Gods rechtvaardigheid en betrouwbaarheid zijn onomstotelijk: 'Hij die u roept is trouw en doet Zijn belofte gestand' (1 Tess. 5:24).
Ook wetmatigheden, bijvoorbeeld dat de mens oogst wat hij zaait (vgl. Gal. 6:7) en dat het loon van de zonde de dood is (vgl. Rom. 6:23), zijn uitdrukkingen van Gods rechtvaardigheid.
Boven alles staat echter Gods genade.
Ook de genade is onderdeel van Zijn rechtvaardigheid. Door Jezus Christus kan de zondaar die straf heeft verdiend genade ontvangen: God rekent hem de zonden en misstappen dan niet meer aan.

Noot
'Uw woord is volkomen betrouwbaar, elk van Uw voorschriften rechtvaardig en eeuwig.' Ps.119:160

'Ja, Heer, onze God, Almachtige, Uw oordelen zijn betrouwbaar en rechtvaardig.' Openb.16:7

'[ ... ] en iedereen wordt uit genade, die niets kost, door God als een rechtvaardige aangenomen omdat Hij ons door Christus Jezus heeft verlost.' Rom. 3:24

Overdenking
We hadden al eerder vastgesteld dat God volmaakt is, vanwaar dan dit antwoord?


Vraag 60
Wat betekent: God is de Volmaakte'?

NAK antwoord
Gods werken zijn goed, Zijn wegen zijn juist. Hij handelt niet op grond van de een of andere noodzaak of dwang, maar alleen op grond van Zijn volmaakte wil. God is in Zijn beslissingen volledig vrij.
De waarheid behoort tot de volmaaktheid van God. Bij God is geen leugen, geen bedrog, geen onzekerheid en geen verschil tussen willen en doen.
De mens kan Gods volmaaktheid waarnemen in Jezus Christus, want als enige op aarde was Jezus Christus in Zijn spreken en handelen zonder zonde, zonder fouten, dus volmaakt.

'Gods weg is volmaakt, het woord van de Heer is zuiver, een schild is Hij voor allen die bij Hem schuilen.' Ps.18:31

Overdenking
We hadden al eerder vastgesteld dat God volmaakt is, vanwaar dan dit antwoord?

Vraag 61
Wat betekent: 'God is de Drie-enige'?

NAK antwoord
'God, de Drie-enige' betekent dat Vader, Zoon en Heilige Geest één God zijn. Er zijn dus niet drie goden, maar er is één God in drie personen.

Overdenking
De laatste zin zou ik als volgt schrijven;  Er zijn dus niet drie goden, maar er is één God in drie ‘verschijningen/herkennings-vormen’. Verder verwijs ik ook graag naar de inleiding van hoofdstuk 3.

Vraag 62
Waarom geloven christenen dat God drie-enig is?

NAK antwoord
Zowel in het Oude als het Nieuwe Testament staan aanwijzingen voor de drie-eenheid (triniteit) van God. Op grond van deze Bijbelse getuigenissen geloven christenen in God, de Drie-enige.

Overdenking
Ik verwijs ook graag naar de inleiding van hoofdstuk 3.

Vraag 63
Welke aanwijzingen zijn er voor de drie-eenheid van God in het Oude Testament?

NAK antwoord
In Genesis 1:26 staat een eerste verwijzing naar Gods drie-eenheid: 'Laten Wij mensen maken, die Ons evenbeeld zijn'. Het meervoud 'laten Wij; verwijst naar de werkzaamheid van één God in meerdere personen.
God verscheen in Marnre aan Abraham in de gedaante van drie mannen (vgl. Gen. 18). Dit kan eveneens worden gezien als een aanwijzing voor de drie-eenheid van God.
Dat geldt ook voor de drievoudige zegen (Aäronitische zegen) die Aäron over het volk Israël uitsprak (Num. 6:24-26).

Noot
'Moge de Heer u zegenen en u beschermen, moge de Heer het licht van Zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn, moge de Heer u Zijn gelaat toewenden en u vrede geven.' Num. 6:24-26

Overdenking
Ik verwijs ook graag naar de inleiding van hoofdstuk 3.

vraag 64
Welke aanwijzingen zijn er voor de drie-eenheid van God in het Nieuwe Testament?

NAK antwoord
Toen Jezus, Gods Zoon, bij de Jordaan werd gedoopt, scheurde de hemel open en daalde de Heilige Geest als een duif op Hem neer. De Vader getuigde vanuit de hemel: 'Jij bent Mijn geliefde Zoon, in Jou vind Ik vreugde' (Marc. 1:10-11). De Vader, de Zoon en de Heilige Geest waren dus gezamenlijk aanwezig.
De drie goddelijke personen worden ook genoemd in de doopopdracht die Jezus aan Zijn apostelen gaf: 'Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot Mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest' (Matt. 28.18-19).
Ook de zegenspreuk in 2 Korintiers 13: 13 verwijst naar de drie-eenheid van God: 'De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God [ de Vader] en de eenheid met de Heilige Geest zij met u allen:

Overdenking
Met deze vraag en misschien beter gezegd met dit antwoord vallen de schrijvers wat in herhaling met hun benadrukking van de triniteit. Ik verwijs graag naar de inleiding van hoofdstuk 3

vraag 65
Wanneer werd de leer van de drie-eenheid van God geformuleerd?

NAK antwoord
De drie-eenheid van God bestaat van eeuwigheid her. De leer van de drie-eenheid werd geformuleerd tijdens de concilies van Nicea (325 n. Chr.) en Constantinopel (381 n. Chr.).
De leer van de drie-eenheid van God behoort tot de basisovertuigingen van het christelijke geloof.

 -> concilie: zie toelichting bij vraag 33

Overdenking
Deze constatering is denk ik juist.

vraag 66
In welke verhouding staan Vader, Zoon en Heilige Geest tot elkaar?

NAK antwoord
Vader, Zoon en Heilige Geest zijn namen voor de drie goddelijke personen. Hoewel ze van elkaar te onderscheiden zijn, zijn ze toch de ene God.
In de christelijke traditie hebben de drie goddelijke personen telkens een zwaartepunt:
God, de Vader, is de Schepper van hemel en aarde.
God, de Zoon, is de Verlosser, die mens werd en Zijn leven bracht als offer voor de verlossing van de mensheid.
God, de Heilige Geest, is de schepper van het nieuwe. Hij zorgt ervoor dat het heil van God voor de mens toegankelijk wordt gemaakt en de nieuwe schepping kan worden voltooid.

 -> nieuwe schepping: zie vraag 528 e.v.

Overdenking
De verwijzing naar personen ook als dat goddelijke personen zijn is mij veel te antropomorf (menselijke gedaante hebbend). Hieruit volgt dat ik de rest van het antwoord ook niet kan delen.

vraag 67
Wat betekent het begrip 'Vader' als het wordt gebruikt met betrekking tot God?

NAK antwoord
Wanneer het begrip 'Vader' met betrekking tot God wordt gebruikt, zijn daarmee aspecten van het scheppen, de autoriteit en de zorgzaamheid verbonden. God is schepper en behoeder van hetgeen Hij heeft geschapen. In die zin mag elk mens God, die zijn schepper is, aanspreken met 'Vader'.

 -> zie ook kind van God:

 toelichting bij vraag 530

Overdenking
Het is heel begrijpelijk dat in een gebed God met Vader (Moeder kan ook prima) wordt aangesproken. Maar conclusies hieraan verbinden gaat mij veel te ver. En zeker het preciseren naar de schepper god heeft geen basis en in ieder geval niet meer dan een spraakgebruik.  

vraag 68
Wat weten we van God als de Schepper?

NAK antwoord
'In het begin schiep God de hemel en de aarde' (Gen. 1:1), het zichtbare - dus de materiële schepping - en het onzichtbare. Uit Gods scheppingsdaad is alles voortgekomen.
God heeft uit het niets en zonder voorbeeld geschapen: 'God ] ... ] die[ ... ] in het leven roept wat niet bestaat' (Rom. 4:17). Ook heeft Hij voorwerpen en levende wezens gevormd uit de door Hem geschapen materie (vgl. Gen. 2:7-8 en 19) en daar wetmatigheden in gelegd. Alles wat is geschapen, is ondergeschikt aan Hem.

Noot
'Toen maakte God, de Heer, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen. God, de Heer, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste Hij de mens die Hij had gemaakt.[ ... ] Toen vormde Hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en Hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals Hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten.'  Gen. 2:7-8 en 19

Overdenking
Over God als schepper en de schepping kunnen we uit de bijbel weinig serieuze informatie halen. Hiervoor moeten we ons wenden tot de wetenschap, die alhoewel ze beperkt weet, toch veel meer reële antwoorden aangereikt dan de Bijbel. Wat we wel lezen in de Bijbel is hoe mensen door de tijden heen hun voorstelling verhaalden over het wonder van de schepping. Maar de WAARHEID over hoe God de schepping uitgevoerd heeft en of er andere voorbeelden waren kunnen wij niet beantwoorden. Wij zijn onderdeel van de materie en dus begrenst door de materie, m.a.w. wij kunnen nooit buiten de kaders van de materie kijken in dit lichaam. Wat er voor deze schepping was kunnen wij niet weten i.v.m. de begrenzing van de materie.

vraag 69
Wat zegt de schepping ons over God?

NAK antwoord
De schepping en haar ordening getuigen van Gods wijsheid. Van de grootheid van deze wijsheid kan de mens zich geen voorstelling maken. Vol bewondering roept de psalmist uit: 'De hemel verhaalt van Gods majesteit, het uitspansel roemt het werk van Zijn handen' (Ps. 19:2).

Overdenking
Prima antwoord.

vraag 70
In welk tijdsbestek heeft God de wereld geschapen?

NAK antwoord
God heeft de wereld geschapen in zes 'scheppingsdagen'. Onder 'scheppingsdagen' worden perioden verstaan, waarvan de duur niet nader is bepaald. Een 'dag' in Gods schepping is niet gelijk te stellen aan een dag volgens onze tijdrekening.
In Genesis 2:2 staat: 'Op de zevende dag had God Zijn werk voltooid, op die dag rustte Hij van het werk dat Hij gedaan had.’

Noot
'[ ... ]voorde Heer is één dag als duizend jaar en duizend jaar als één dag.'  2 Petr. 3:8

'Duizend jaar zijn in Uw ogen als de dag van gisteren die voorbij is[ ... ].' Ps. 90:4

Overdenking
De uitspraak uit Genesis is mij veel te antropomorf. Verder wijs ik graag naar overdenking 68.

vraag 71
Wat staat er in de Bijbel over Gods schepping?

NAK antwoord
De Bijbel zegt dat op Gods woord hemel en aarde, het licht, het aanzien van de aarde, zon, maan en sterren, de planten, dieren en de mens zijn ontstaan. En alles was zeer goed (vgl. Gen. 1:31).

Overdenking
Deze constatering is denk ik juist.

 vraag 72
Bestaat Gods schepping alleen uit hetgeen de mens met zijn zintuigen kan waarnemen?

NAK antwoord
Nee, er is ook een onzichtbare schepping van God. De mysteries daarvan zijn - net als God zelf - niet door mensen te ontrafelen. De Heilige Schrift bevat echter verwijzingen naar gebieden, processen, toestanden en wezens buiten de materiele wereld.

Overdenking
Mijn veronderstelling is dat God geen deel uitmaakt van de materie. Gevolg hiervan is dat wij geen fysieke waarnemingen over God en zijn domein kunnen doen en dat is in de huidige tijd veel uitgebreider dan zintuiglijke (zichtbaar is daar een onderdeel van) waarneming. Alhoewel ik me zeer bewust ben van het bestaan buiten de materie, ben ook ik weer zeer terughoudend met ervaringen of verwijzingen daarnaar.

vraag 73
Wat hoort nog meer bij de onzichtbare schepping?

NAK antwoord
Tot de onzichtbare schepping behoren het koninkrijk waar God troont, de engelen, de onsterfelijke ziel van de mens evenals het dodenrijk.

 -> dodenrijk: zie vraag 537 e.v.

Overdenking
Over de inrichting van Gods domein wijs ik alle uitspraken, ook uit de Bijbel, af. Ondanks dat het er moet zijn, weten we er niets van. Al het gepraat over boven komt van beneden, zou Kuitert zeggen en ik sluit me daar bij aan.

vraag 74
Hoort de duivel bij de onzichtbare schepping?

NAK antwoord 
De duivel was van oorsprong een engel. In die hoedanigheid hoorde hij bij de onzichtbare schepping. Deze engel keerde zich tegen God en werd met zijn aanhang vanwege zijn ongehoorzaamheid, jaloezie en leugens verstoten uit de hemel en de nabijheid van God.

 -> het kwaad: zie vraag 217 e.v.

Noot
'Immers, God heeft zelfs engelen die gezondigd hadden niet gespaard maar hen in de Tartarus geworpen.' 2 Petr. 2:4

'Denk ook aan de engelen die hun oorspronkelijke positie ontrouw werden en de hun toegewezen plaats verlieten: tot het oordeel op de grote dag houdt Hij hen met onverbreekbare boeien in de onderwereld gevangen.' Jud.6

Overdenking
Het begrip duivel is een antropomorf hersenspinsel. Als je niet wilt erkennen dat wij onvolmaakt zijn en nog een hoop moeten leren, is het makkelijk een ander de schuld te geven.

vraag 75
Wat zijn engelen?

NAK antwoord
Engelen zijn door God geschapen geestelijke wezens. Ze horen bij de onzichtbare schepping. Ze kunnen, wanneer God dat wil, bij uitzondering voor de mensen zichtbaar worden.

Overdenking
Engelen in de ‘vorm’, zoals hier wordt voorgesteld, zijn hersenspinsels.

 vraag 76
Wat is de taak van de engelen?

NAK antwoord
Het is de taak van de engelen God te aanbidden, Zijn opdrachten uit te voeren en Hem zo te dienen.
Gods liefde voor de mensen blijkt onder andere uit het feit dat Hij engelen ook mensen laat dienen. Uit Matteüs 18: 10 kan worden afgeleid dat vooral 'geringen' kunnen rekenen op bescherming van de engelen.

Noot
'Ik ben Rafaël, een van de zeven engelen die in de nabijheid van de troon van de Heer verkeren.[ ... ] Mijn aanwezigheid hadden jullie niet aan mij te danken, God heeft het zo gewild. Prijs Hem, loof Hem elke dag.'  Tob. 12:15 en 18

'Waak ervoor ook maar een van deze geringen te verachten. Want Ik zeg jullie: hun engelen in de hemel aanschouwen onophoudelijk het gelaat van Mijn hemelse Vader.'  Matt.18:10

Overdenking
Het is naïef om te denken dat Gods domein als een groot paleis (koninklijk bedrijf) voorgesteld moet worden, het is beter te zeggen dat je het niet weet dan onzin te praten.

vraag 77
Moeten engelen worden aanbeden?

NAK antwoord 
Nee, want engelen handelen altijd volgens de wil van God: daarom komt niet aan de engelen dank of eer toe, maar alleen aan God.

Overdenking
Zouden we hersenspinsels moeten aanbidden?

vraag 78
Waarom moet men zich bezighouden met het onzichtbare?

NAK antwoord 
De mens is een eenheid van geest, ziel en lichaam (vgl. 1 Tess. 5:23). Het lichaam is sterfelijk en hoort dus bij Gods zichtbare schepping. Ziel en geest zijn onsterfelijk en horen dus bij Gods onzichtbare schepping. Aangezien ziel en geest ook na de dood voortbestaan, is het belangrijk dat men zich bezighoudt met het onzichtbare.
De houding die de mens op aarde tegenover God aanneemt, zal uitwerkingen hebben op zijn bestaan aan gene zijde. Dit inzicht kan ertoe bijdragen, de verzoekingen van de duivel te weerstaan en een God welgevallig leven te leiden.
Apostel Paulus maakt duidelijk wat het onzichtbare zijn betekenis verleent: 'De geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft. Wij richten ons niet op de zichtbare dingen maar op de onzichtbare, want de zichtbare dingen zijn tijdelijk, de onzichtbare eeuwig' (2 Kor. 4:17-18). Door zich bezig te houden met het onzichtbare kan de mens hetgeen hem overkomt beter plaatsen.

Overdenking
Als je gelooft dat naast de materiele wereld ook een immateriële wereld bestaat en dat in deze immateriële wereld zich Gods domein bevindt en dat de wij de mogelijkheid hebben dit doel te bereiken dan is het wijs je daar mee bezig te houden.
Maar hoe?
Voorstellingen zoals we die uit de Bijbel kennen berusten grotendeels op menselijke fantasie. Veelal praat men elkaar na en worden fantasie en werkelijkheid vermengd. Waarin de werkelijkheid steeds meer verdrongen wordt door de fantasie, een soort Disneyland waar alles groots en mooi is en het leven één groot feest. In werkelijkheid hebben we opdrachten gekregen die we nauwelijks oppakken, omdat we het te moeilijk vinden. Ik kan niet geloven dat alleen door een ‘uitverkiezing’ en roepen van Heere Heere alles goed komt.

Stellen we ons wel eens de vraag: wat is Godsplan?
Als we naar de schepping kijken. Waarvan we in het heden weten dat we dat maar voor een deel kunnen zien en maar voor een deeltje kunnen begrijpen.
Kijkend naar dat onvoorstelbare bouwwerk dat in deze hoedanigheid maar tijdelijk zal bestaan, maar ook weer zolang dat elke voorstelling moeilijk is. En daar tussen leven wij, ik vraag me dan altijd af wat is Godsplan?
Wat is de zin van ons bestaan?
Waartoe zijn we hier?
Wat is de zin van de ‘eventuele tussenvorm’ die we hier op aarde tijdelijk vervullen?
Wat komt er dan?
Is dat het uiteindelijke doel?
Is dat weer in de materie? Dus tijdelijk of buiten de materie, mogelijk ‘eeuwig’.
Zijn we dan weer individuen?

vraag 79
Hoe moet men zich bezighouden met het onzichtbare?

NAK antwoord
Met moet zich bezighouden met het onzichtbare door zich tot God te wenden en Hem te aanbidden.
Zich bezighouden met het onzichtbare in de vorm van geestenbezwering of communicatie met doden (spiritisme) is echter tegen de wil van God (vgl. Deut. 18:10-11; 1 Sam. 28).

Noot
Als 'spiritisme' (Latijn 'spiritus'« 'geest') worden uitingen van geestenbezwering aangeduid, vooral van geesten van overledenen.

'Er mag bij u geen plaats zijn voor[ ... ] waarzeggers, wolkenschouwers, wichelaars, tovenaars, bezweerders, en voor hen die geesten raadplegen of doden oproepen. Want de Heer verafschuwt mensen die zulke dingen doen[ ... ].' Deut.18:10-12

Overdenking
Ja, dat is een goede vraag. In overdenking 78 heb ik daar al een beeld van geschetst. Met de geplaatste noot kan ik persoonlijk niets en verwijs dit soort ‘praterij’ naar het rijk der fabelen.

 vraag 80
Welke positie neemt de mens in de schepping in?

NAK antwoord
De mens hoort zowel bij de zichtbare als de onzichtbare schepping, aangezien hij een materiële natuur (lichaam) en een immateriële natuur (ziel en geest) heeft.
Van alle schepselen heeft God derhalve alleen de mens een vooraanstaande plaats gegeven en de mens daarbij in een nauw verband met zichzelf gebracht: 'God zei: "Laten Wij mensen maken die Ons evenbeeld zijn, die op Ons lijken; Zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt" God schiep de mens als Zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij de mensen' (Gen. 1:26-27).

Noot
Het begrip 'materieel' is afgeleid van het Latijnse 'materie' en betekent 'stof, inhoud'. Met 'materieel' wordt hetgeen zichtbaar, stoffelijk en lichamelijk grijpbaar is, aangeduid. Is iets 'immaterieel', dan is het voor de mens onzichtbaar, niet grijpbaar, geestelijk.

Overdenking
Het lijkt er sterk op dat wij hier op aarde de enige wezens zijn die over een ‘verre’ toekomst kunnen nadenken. Verder zijn er nog meer eigenschappen die uniek zijn t.o.v. andere levende wezens op aarde. Maar het lijkt me alweer knap aanmatigend om te spreken van een aparte plaats in de schepping. Als we buiten de aarde kijken, voor zo ver als dat kan, moeten er miljoenen plaatsen zijn waar vergelijkbaar leven kan zijn als hier op aarde. Nemen wij dan een status aparte in of zijn we maar een onderdeel van...?

vraag 81
Wat betekent een evenbeeld van God te zijn?

NAK antwoord
God heeft door Zijn woord alles gemaakt en de mens bij zijn naam genoemd. God spreekt de mens aan en heeft hem lief. De mens kan naar Gods woorden luisteren en Zijn liefde beantwoorden.
Aangezien God de mens aanspreekt, Zich om hem bekommert en hem deelgenoot maakt van goddelijke kenmerken zoals liefde, verstand en onsterfelijkheid is de mens het evenbeeld van God.
God is onafhankelijk, dus volledig vrij.
Hij heeft ook Zijn evenbeeld, de mens, de mogelijkheid gegeven eigen beslissingen te nemen. Deze vrijheid impliceert dat de mens verantwoordelijkheid draagt voor zijn handelen (vgl. Gen. 2:16-17).

Noot
'Hij hield hem het volgende voor: "Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven."' Gen. 2:16-17

Overdenking
Ik vind de idee van een evenbeeld van God te zijn een volstrekt onmogelijk idee. Het is een beslist aanmatigende gedachte. In het gekke idee van een boom waarvan we niet mogen eten en dat het gevolg dan is dat de dood dan zijn intrede doet is eveneens onhoudbaar. Alles in de schepping heeft een beperkte levensduur en dan is er ineens de mens die eeuwig leeft maar het verpest met het eten van een appel! Laat ik nog maar eens de woorden van John Stott in herinnering brengen:
Als wij de bijbel lezen, moeten we niet denken dat;
de oude volken letterlijke verhalen vertelden,
die wij dan symbolisch moeten uitleggen,
nee, zij vertelden in symbolische zin en
wij zijn vaak zo stom om de verhalen letterlijk te nemen!

vraag 82
Zijn man en vrouw in gelijke mate Gods evenbeeld?

NAK antwoord
Ja, man en vrouw zijn in gelijke mate Gods evenbeeld. In die zin zijn ze wat hun wezen betreft gelijk.

Overdenking
Zie overdenking 81

vraag 83
Betekent 'evenbeeld' dat God en de mensen hetzelfde wezen en dezelfde gedaante hebben?

NAK antwoord
Nee. Dat de mens naar Gods evenbeeld is geschapen, betekent niet dat er op basis van de persoonlijkheid van de mens uitspraken kunnen worden gedaan over Gods wezen en gedaante.

Overdenking
Zie overdenking 81

vraag 84
Hoe is de verhouding van de mens tot zijn schepper?

NAK antwoord 
De mens is in zijn bestaan afhankelijk van God.
Het is de mens mogelijk gemaakt God, zijn schepper, te herkennen, Hem lief te hebben en te prijzen. In die zin is de mens georiënteerd op God, of hij nu in Hem gelooft of niet.

Overdenking
Graag wil ik de eerste zaligspreking in herinnering brengen:
 Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen (Statenvertaling). Of,
 Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel. (NBV)

Wat wordt er bedoeld met; arm van geest of nederig van hart zijn?
 
Onder  "arm" kan in beide testamenten een brede reeks aan betekenissen gelezen worden. Het Oude Testament gebruikt vijf verschillende woorden uit de Hebreeuwse taal, terwijl het Nieuwe Testament er twee vanuit de Griekse taal gebruikt. Deze zeven zijn echter in een groot aantal Nederlandse woorden vertaald. Behalve dat ze armoede beschrijven, komen ze ook voor in een verband die duidt op onderdrukking, nederigheid, weerloos zijn, lijden, behoeftig zijn, zwak, mager, laag, afhankelijk en in sociaal opzicht minderwaardig.

Arm van geest heeft ook niet te maken met het gewoon 'arm' zijn in economische zin. Sommigen hebben gemeend dat Luk. 6:20: "Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God" (dus zonder 'van geest'), aangeeft waarom het werkelijk gaat en dat Matteüs deze uitspraak vergeestelijk heeft. De rijken zouden er dan 'automatisch' slecht aan toe zijn (Luk. 6:24 en 25). Toch is dit eveneens niet bijbels te funderen. Arm zijn, in economische zin, is geen voorwaarde om geestelijk gezegend te worden (zie ook Spr. 30:8) terwijl rijkdom niet noodzakelijk een beletsel is om bij de Heer te horen. Abraham, Job en Jozef van Arimathea waren 'rechtvaardigen' in bijbelse zin en tegelijk rijk in materiële zin.

Ook Jezus was, in zekere zin, arm van geest. Niet in de zin dat Hij van zichzelf wist dat Hij geestelijk bankroet was, dat zeker niet. Wel in de zin dat Hij zich afhankelijk wist van de Vader."Ik kan van Mijzelf niets doen" (Joh. 5:30, 5:19 en Joh. 8:28). Zie verder ook Joh. 14:10. “Geloof je niet dat ik in de Vader ben, en dat de Vader in mij is? Wat ik tegen jullie zeg, zeg ik niet op eigen gezag, maar op gezag van de Vader die in mij woont en door mij werkt.”
Wat een belangrijke les ligt hierin voor iedere christen!

 vraag 85
Welke taak heeft de mens in de zichtbare schepping?

NAK antwoord
God heeft de mens leefruimte toegewezen en hem de opdracht gegeven de aarde onder zijn gezag te brengen, namelijk deze in te richten en te bewaren (Gen. 1:26-28; Ps. 8:7).

Noot
Hij zegende hen en zei tegen hen:
"Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rond kruipen."  Gen.1:28

Overdenking
De mens heeft inderdaad een leefruimte toegewezen gekregen. Een heel klein plekje ten opzichte van de grote kosmos. Misschien maar beter ook dat het een klein plekje is, anders hadden we nog meer schade aan de schepping kunnen toebrengen. Want zulke goede rentmeesters zijn we niet.
Wees vruchtbaar en word talrijk is tot op de dag van vandaag wel erg letterlijk genomen en dan neem ik dat de individu nog niet eens kwalijk maar religies met aan het hoofd grote intellecten neem ik dat wel kwalijk. Besturen is meer dan eens gedane uitspraken, al of niet van God, klakkeloos navolgen.
De urbanisatie of verstedelijking heeft grote gevolgen voor de mens die van nature wel het vermogen heeft zich aan te passen maar niet in het huidige tempo.
In een uitgevoerde test werd dit goed zichtbaar. Een toneelspeler ging op straat doen of hij onwel werd. De vertoning werd op afstand gefilmd. Twee maal in verschillende omgevingen, eenmaal in een dorpje en eenmaal in een grote stad op een druk plein tijdens verplaatsingen van grote groepen naar hun werk ‘s morgens. In het dorpje in een klein straatje schoten van diverse plaatsen mensen te hulp, zij bekommerden zich om hun medemens. Terwijl de vertoning in de grote stad een heel ander beeld gaf. Tientallen keken gauw een andere kant op en liepen door. En het duurde geruime tijd voordat iemand vroeg wat er aan de hand was. Blijkbaar is het zo dat als we in de massaliteit komen, van het voorbeeld, de mens de complexiteit niet aan kan dat hij de zorg voor ieder in zo’n omgeving aankan. De ontwikkeling van de urbanisatie, helpt niet om aan de opdracht van ‘je broeders hoeder te zijn’ te voldoen. Zomaar een voorbeeld over het slechte rentmeesterschap. 

vraag 86
Hoe dient de mens zich als evenbeeld van God in de schepping te gedragen?

NAK antwoord
In de omgang met de schepping is de mens verantwoording schuldig aan God, de Schepper. Hij mag vrij, maar niet willekeurig met de schepping omgaan. Als Gods evenbeeld dient hij al het leven en de leefruimte zo te behandelen, als het een goddelijk wezen betaamt: met wijsheid, goedheid en liefde.

Overdenking
Met de vraag kan ik eigenlijk niet goed uit de voeten. Zoals ik al eerder schreef geloof ik niet in het sprookje van het beeld en gelijkenis met God. Persoonlijk kan ik ook geen feiten uit de geschiedenis ontlenen die dat rechtvaardigen. Dat laat niet weg dat ik wel degelijk geloof dat wij een opdracht hebben ons gedrag onder controle te houden en de kwaliteit verder te ontwikkelen.

vraag 87
Mochten de eerste mensen onbeperkt doen wat ze wilden?

NAK antwoord
Nee. God gaf Adam en Eva in de tuin van Eden als Schepper en Heer en ook als wetgever het gebod niet te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Daarmee ging Hij na hoe de mensen met de vrije wil omgingen die hen als evenbeeld van God was gegeven. Tegelijkertijd waarschuwde Hij hen voor de gevolgen van het overtreden van dit gebod.

 -> evenbeeld van God: zie vraag 81

Overdenking

vraag 88
Hoe kwam het tot de zondeval?

NAK antwoord
Door de invloed van het kwaad, dat als slang tot hen kwam, raakten de eerste mensen in verzoeking. Ze schonden het door God gegeven gebod. Hierdoor werd de mens een zondaar.

Overdenking
Het antwoord wat niet alleen de NAK geeft maar wat vrijwel alle kerken geven over dit onderwerp vind ik infantiel. Met kinderen van de zondagsschool kun je dit verhaal met droge ogen vertellen, maar voor ‘volwassenen’ moet je met een ander verhaal komen.
Wie de inleiding aandachtig heeft gelezen begrijpt wat ik bedoel. Dat wil niet zeggen dat je het met me eens moet zijn, dat is weer wat anders. Waar ik op doel is om de dingen zo uit te leggen dat ik in m’n uitleg niet weerlegd kan worden door nuchtere feiten die de wetenschap ons heeft geleerd. Ik geloof, zeker en vast, maar niet tegen beter weten in.
Alles in de evolutie gaat (heel) langzaam, dat is heel nadrukkelijk de schepping, daar past niet het verhaal van een appel pikken in wat tot gevolg heeft dat de hele mensheid in zonde vervalt. Heden ten dagen zouden we zeggen; moet toch niet gekker worden.
Toch moeten er regels zijn, dat kan niet anders in een complexe maatschappij, die moeten nageleefd en verbeterd worden. Maar de regels zijn niet van God laten we dat nu eens anders gaan zien. En Jezus zei daarvan, van die menselijke regels, de 613 mitswot (van mensen!); dat hij zich niet geroepen voelde deze ter zijde te leggen, maar na te leven. Geen tittel of jota te wijzigen!

vraag 89
Wat is verbonden met de zondeval?

NAK antwoord
Het gescheiden zijn van God, de geestelijke dood, is verbonden met de zondeval. De mens moet voortaan een moeizaam leven op aarde leiden, dat eindigt met de lichamelijke dood (Gen. 3:16-19).

Vanaf de zondeval is de mens zondig, dat betekent verstrikt in de zonde, en derhalve niet in staat een leven zonder zonde te leiden.

 ->  geestelijke dood: zie vraag 532

'Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan, zwoegen zul je om ervan te eten. Je hele leven lang.[ ... ] stof ben je, tot stof keer je terug.' Gen. 3:17 en 19

Overdenking
Als je met vraag 88 een dispuut hebt dan wordt 89 natuurlijk ook lastig.
Het feit dat zonde, zondeval en erfzonde niet meer passen in het beeld van de ontwikkelde mens, zegt niet dat wij ten opzichte van God ontslagen zijn van tonen van een ontwikkeling in de opdrachten die Hij gegeven heeft. Ik denk daarbij aan de Bergrede. Dat we nog steeds zo slecht tonen dat we daar serieus mee bezig zijn mag je van mij zonde noemen, met dezelfde lading als met wat de kerk zonde noemt. Maar dan krijgt het wel een begrijpelijke dimensie en is het geen sprookje meer .

vraag 90
Moet de mens in de geestelijke dood blijven?

NAK antwoord
Het gescheiden zijn van God kan de mens vanuit zichzelf niet ongedaan maken. Maar ook als zondaar blijft de mens niet verstoken van troost en steun van God. God laat hem niet in de geestelijke dood. Met de menswording van God in Jezus Christus, Zijn offerdood en opstanding heeft God voor alle mensen de mogelijkheid gecreëerd uit de geestelijke dood te worden gered.
Een eerste verwijzing naar het offer van Christus kreeg de mens, toen God tegen de slang zei: 'Vijandschap sticht Ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare, zij verbrijzelen je kop, jij bijt hen in de hiel' (Gen. 3:15).

Overdenking
Met een kleine wijziging van de 2e en 3e zin uit het NAK antwoord, is het voor mij het antwoord.
De mens blijft niet verstoken van troost en steun van God. God laat hem niet in de geestelijke dood.

vraag 91
Wat betekent het dat God de mens als eenheid uit geest, ziel en lichaam heeft geschapen?

NAK antwoord
Geest, ziel en lichaam zijn aan elkaar gerelateerd, ze doordringen en beïnvloeden elkaar.
Het lichaam ontstaat door conceptie; het deelt in het wezen en de gedaante van de ouders. De ziel wordt direct door God geschapen; zo werkt God ook tegenwoordig en is Hij de schepper van elk mens.
Door geest en ziel, die in de Bijbel niet duidelijk van elkaar worden afgebakend, is de mens in staat deel te hebben aan de geestelijke wereld, God waar te nemen en met Hem verbonden te zijn.

Noot
'Ziel' en 'geest': De onsterfelijke ziel mag niet worden verwisseld met de psyche van de mens, die in de volksmond ook wel wordt aangeduid als 'ziel'. Ook het intellect moet worden onderscheiden van 'geest'.

Overdenking
Mijn indruk is dat de kerk hier iets niet goed uitlegt omdat ze zelf ook niet goed weet hoe het zit. Een beetje verwijzen naar de bijbel, niet echt uitleggen wat geest is, jammer want daar hebben we de catechismus voor.
Lichaam en niet alleen het natuurlijke is misschien wel de meest complexe samenstelling die er in de kosmos is. Dat is duidelijk, we kunnen het zien en ons er een beeld van maken.
De ziel zou volgens de kerk (algemeen) door God geschapen worden, voor iedereen apart. De vraag is wanneer dan? Bij de conceptie of bij de geboorte of er ergens tussenin misschien. We weten inmiddels dat kort na de conceptie ongeveer de helft van de vruchten sterft, vaak omdat er wat aan mankeert. Wacht God totdat ze levensvatbaar zijn? Het lijkt me nogal tegenstrijdig met de rest van de schepping, die vanaf het begin verloopt in een evolutie. Hier wordt weer een actief handelen van God verondersteld en niet één of twee keer maar een half miljoen keer per dag. Uitgaande van dat alleen de aarde dieren (de mens) met een ziel kent. Lijkt me niet in overeenstemming met anderen ervaringen in de schepping.  In Wikipedia staat; De ziel is in de meest gebruikte betekenis de niet materiele, spirituele component van mensen. Hieruit blijkt een veronderstelling; de mens, we vinden onszelf het belangrijkste, kan niet alleen een materiele component in de schepping zijn. De reikwijdte of juist de beperking, we hebben er in het geheel geen weet van. Net als het ontstaan of een einde? Aannamen worden door de kerk (algemeen), eventueel versterkt met uitspraken en profetieën, als vaststaande feiten beschouwd.  
Tenslotte de geest de NAK zegt hier eigenlijk niets over. Ze is net als de ziel een onsterfelijke component.
Opnieuw Wikipedia, vanuit religieus standpunt; naast God de Heilige Geest heeft ook de mens een geest, die zowel kan voortbestaan na de dood als in contact kan treden met God. Opnieuw een aanname die op geen elke wijze hard te maken is.
Wat dan? De kwestie is vergelijkbaar met het vroegere beeld van de aarde die men plat dacht en pas enkele eeuwen geleden kreeg men het inzicht dat de aarde rond was en niet het middelpunt van de kosmos was. De kerk verzette zich hevig tegen die gedachte omdat zij niet strookte met de teksten in de bijbel, die als heilige schrift en dus Godswoord beschouwd werd.

Zelf heb ik het gevoel dat ik met deze en een aantal vragen al langer aanhik tegen het zoeken naar een nieuwe orde. In die orde staat God uiteraard centraal, maar niet met de oude kijk op de schepping die in de bijbel uitgangspunt is.
In die nieuwe orde mag je wat mij betreft best zeggen; mijn of onze waarnemingen lijken te zeggen dat.... Dus zonder de toevoeging; God heeft gezegd, de bijbel zegt, een profeet heeft gezegd..... Nee uit eigen waarneming blijkt dat iets zus of zo lijkt te zijn. Gewoon durven zeggen; ik denk, gebaseerd op wat ik zie dat.....

Vraag 91 houdt een veronderstelling in die ik  niet echt kan delen. Ze neemt aan dat de mens een beetje wordt samengesteld. Enerzijds door de daad van de conceptie anderzijds door God in het toevoegen van de ziel of wat dat ook mag zijn. Het oude orde beeld uit de Bijbel.
Ik heb geen echt antwoord op deze kwestie, niet anders dan een veronderstelling; God heeft een plan, wij hebben een deel (misschien een klein deel) hiervan gezien, met name de zichtbare schepping (de materie) welke ongeveer 13,7 miljard jaar geleden lijkt te zijn begonnen.
De Bijbel spreekt vaak over eeuwig, ik zou dat een grote of zeer grote tijd willen noemen. In het bijzonder omdat eeuwig een oneindig stabiele situatie verondersteld, die posities zien we niet in de natuur. Alles in de materie verandert, evolueert, zelfs de allerkleinste deeltjes zoals atoomdeeltjes zijn niet stabiel. Een deel van de schepping de materie is dus van een “eeuwig” durende verandering.
Is God ook een eeuwigdurende verandering? Niet zo’n gekke vraag als je als uitgangspunt neemt dat God zichzelf als voorbeeld heeft genomen voor de schepping.
Ik denk het niet, omdat God buiten de materie staat en ook geen materiele herkomst heeft is Hij dus van een ondenkbare orde. Hetgeen inhoud dat wij in geen enkel opzicht een beeld en gelijkenis in het materiele van Hem zijn. We, maar ook in het bijzonder ik, belanden in de vraag waarom heeft God de schepping gemaakt en wat is zijn plan hiermee en welk deel kennen wij pas. Persoonlijk vind ik het heel aanmatigend dat vele kerken en religies hier een antwoord opgeven. Waar komt die wijsheid vandaan?
Wat na veel ontpellen overblijft zijn meer vragen dan antwoorden, helaas. Misschien is dat ook wel de reden dat ik er zolang tegenaan gehikt heb. Maar goed het hoge woord is er uit. Ondanks alle verzamelde kennis weten we eigenlijk maar weinig, zeker over dat wat ‘van eeuwigheids waarde’ is.
Wat zeker is dat de schepping van een nog lang niet begrepen complexiteit is en een terechte veronderstelling dat dat op een plan berust. Ons geloof en hoop zijn niet ten onrechte gebaseerd op de aanname dat wij een onderdeel van dat plan mogen zijn. Een vermoeden gebaseerd op de zingevingsvraag, die misschien al duizend generaties bestaat.
Opnieuw de woorden van Luther, vrij vertaald; als ik weet/vermoed dat God morgen een nieuwe schepping presenteert, plant ik vandaag nog een boom. Met ander woorden wat weet ik daar van, wat kan ik anders doen dan wat ik weet. Het enige wat ik weet is dat wij tot de laatste seconde goede rentmeesters moeten zijn.

 Overdenkingen bij het ‘catechismus van de NAK in vragen en antwoorden’ (28)

vraag 92
Wat gebeurt er na de lichamelijke dood van de mens?

NAK antwoord
Het lichaam van de mens is sterfelijk, terwijl geest en ziel onsterfelijk zijn. Na het sterven van het lichaam leeft de mens verder als een eenheid van ziel en geest. Zijn persoonlijkheid wordt door de dood niet ontbonden maar komt dan tot uitdrukking in ziel en geest.

Bij de opstanding van de doden worden ziel en geest verenigd met een opstandingslichaam.

 -> voortleven na de lichamelijke dood: zie vraag 531 e.v.

Overdenking
Ik kan er niets zinnigs over zeggen.

vraag 93
Wie is God, de Zoon?

NAK antwoord
God, de Zoon, is de tweede persoon van de drie-enige God. Tussen God, de Vader, en God, de Zoon, bestaat geen gradatie - ook wanneer de begrippen 'Vader' en 'Zoon' daaraan zouden kunnen doen denken. Vader en Zoon zijn in gelijke mate waarachtig God, Ze zijn in Hun wezen gelijk.

Overdenking
Eerder gaf ik al aan dat de triniteit niet een item is waar ik graag mee bezig ben, het geeft te veel een beperking aan. Een soort van God in een vakje duwen, ik kan wel leven met de gedachte dat dat ook God kan zijn, maar niet alleen maar. Verder wil ik dat eigenlijk ook niet doen, precies af kaderen wat Hij wel is, wat Hij was en wat Hij zijn zal. Mij allemaal te aanmatigend.

 Overdenkingen bij het ‘catechismus van de NAK in vragen en antwoorden’ (29)

vraag 94
Wie is Jezus Christus?

NAK antwoord
In Jezus Christus is God, de Zoon, mens geworden en tegelijk God gebleven. Hij werd in Bethlehem uit de maagd Maria geboren.

 - >  Jezus Christus, god en mens: zie vraag 103 e.v.

Noot
'In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. Jozef ging van de stad Nazareth in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Bethlehem heet, aangezien hij van David afstamde, om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, en ze bracht een zoon ter wereld, haar  eerstgeborene. Ze wikkelde Hem in een doek en legde Hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad. Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. De engel zei tegen hen: "Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: vandaag is in de stad van David jullie redder geboren.
Hij is de Messias, de Heer. Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt." En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden: "Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die Hij liefheeft."  Luc. 2:1-14

Overdenking
Als ik het leven en werken van Jezus overzie rijst bij mij vaak de vraag wie was Hij. Een profeet (Mattheus) een leraar (Lucas) en in welke mate werd Hij door God gestuurd? Als ik dat overdenk, denk ik niet in het veranderen van water in wijn, maar dan denk ik wel aan wat Hij gezegd heeft. De ‘wonderen’ die Hij ons voorgedaan heeft b.v. de beschrijving zoals ik hem genoemd heb in de inleiding over het dochtertje van Jairus. Maar zo’n voorbeeld is er ook over de knecht van Cornelius, de Romeinse hoofdman, zie aan het eind van deze overdenking. Jezus leerde ons hoe wij anderen kunnen helpen. Dat is van een andere orde dan.... {klein wonder}. De Jezus die tijdens de Bergrede had gezegd dat er geen tittel of jota aan de wet verandert kon worden, bewerkstelligde dat ‘de zondige vrouw’ werd vrijgesproken. Wat was Gods invloed op deze grote leraar? Bij grote uitzondering is nu niet Gods invloed (ingrijpen) op de schepping, bijzonder als aanvulling, te ontkennen. En ik zeg met nadruk; grote uitzondering.
Het gaat mijn competentie te boven om te bepalen of Jezus Godszoon, een profeet of een leraar was, maar ik heb voorkeur voor leraar.

Jezus leerde ons anders naar de medemens te kijken.
In Matt 8:5-13 (groot nieuws vertaling), lezen we;
Jezus geneest de knecht van een Romeins officier
Toen Jezus Kafarnaüm binnenging, kwam een Romeins officier naar hem toe die zijn hulp inriep: 'Heer, mijn bediende ligt thuis ziek op bed. Hij is verlamd en lijdt vreselijke pijnen.' 'Ik zal komen en hem beter maken,' antwoordde Jezus hem. 'Heer, wie ben ik dat u bij me thuis komt? Spreek slechts één woord en mijn bediende wordt beter. Want ik sta onder bevel van anderen, maar heb ook zelf soldaten onder me. En zo beveel ik de een: Ga, en hij gaat, en een ander: Kom, en hij komt, en tegen mijn knecht zeg ik: Doe dit, en hij doet het.'
Jezus was verbaasd over wat hij hoorde en zei tegen de mensen die hem volgde: 'Ik verzeker u: iemand met zo'n geloof ben ik in Israël nog niet tegengekomen. Ja, tallozen zullen komen uit het oosten en het westen en aan tafel zitten met Abraham, Isaak en Jakob in het hemelse koninkrijk Maar die in het koninkrijk zouden moeten wonen, worden eruit gegooid, de duisternis in. Daar zullen ze huilen en knarsetanden.' En tegen de officier zei Jezus. 'Ga naar huis; het zal gebeuren, zoals u gelooft.' En op datzelfde moment was de bediende beter.

Uitleg van Eugen Drewermann
Daarbij ging het alleen om de manier waarop Jezus zich gedraagt tegenover een Romein, een vertegenwoordiger van de militaire dictatuur , een representant van het heidendom. Maar dat brengt, zonder enige aanspraak op een oordeel over de menselijke geschiedenis, iets nieuws in de wereldgeschiedenis. In plaats van dat volkeren elkaar in Gods naam haten en bestrijden kunnen zij zich ook naar elkaar toewenden en met elkaar samenleven, de mensen kunnen in elkaar een mens zien in plaats van een vijand en tegenstander, in plaats van de verpersoonlijking van haat en bedreiging. In Jezus' ogen is de Romeinse hoofdman een mens, en meer dan dit, iemand die in nood verkeert, door zijn goede wil. Hij komt namelijk op voor een ander, die terneer ligt en zich niet kan bewegen. Het is in feite beslissend voor de hele wereldgeschiedenis hoe men iemand ziet en, meer nog, in Gods naam durft te zien: als een afgevaardigde, een stroman, een marionet van een systeem, óf als een echt mens. Dat is het voor het oog onzichtbare rechterambt dat Jezus in feite heeft uitgeoefend. Hij accepteert de Romeinse hoofdman, in tegenstelling tot de dadelijk te voorziene bezwaren van de nationale orthodoxe en vooraanstaande kringen in Israël, heel gewoon, als een mens, die naar hem toekomt.
De vraag is nu hoe wij die Romeinse kapitein en zijn dienaar zien. De vertalingen zijn op dit punt niet al te puntig. Zij spreken over de 'knecht' van de hoofdman. Maar wie een dienaar heeft, of een knecht, beweegt zich in zekere zin binnen een gegeven sociale context. De Duitse vertaling van Fridolin Stier zegt het nauwkeuriger; deze geeft: 'de jongen'. Een hoofdman heeft een jongen ter beschikking, die hij opdrachten en bevelen kan geven en die hem moet gehoorzamen. De relatie tussen de hoofdman en die jongen is er een van baas en knecht, van iemand die de bevelen geeft en degene die de bevelen opvolgt. Zo moet zich iets voltrokken hebben dat uitliep op ziekte. Er trad een verlamming op, een chronisch lijden.
Hoe zit dat dan, kunnen we ons afvragen. Wat zegt de tekst er over? Bij nauwkeurig toezien komt er heel wat aan het licht. De manier waarop de hoofdman optreedt, hoe hij spreekt, hoe hij Jezus tegemoet treedt, is zeer veelzeggend. In het verhaal lijkt het buitensporig omslachtig, zoals de militair verklaart wie hij bevelen kan geven en opdrachten. Maar de man wordt juist zo volstrekt geloofwaardig geschetst. Hij beschrijft de wereld waarin hij leeft als een wereld waarin hij zijn plaats volkomen gevonden heeft. Het is er een die draait volgens de bevelsstructuur, een ambtelijke hiërarchie, waarin de top het voor het zeggen heeft en de commando's geeft naar onderen toe. Het is een wereld die feilloos functioneert doordat elk lid zijn plaats heeft en kent in het geheel van de machtsstructuur. De wereld waarin deze hoofdman leeft is tot in het kleinste onderdeel regelbaar , beheersbaar. En daardoor functioneert alles perfect. Binnen die wereld is vanuit het perspectief van de hoofdman een alternatief niet zichtbaar. Zo is de wereld nu eenmaal en zo behoort ze te zijn. Het is immers de enige werkelijkheid die hij heeft leren kennen en die er voor hem bestaat. Binnen die wereld kent men zorg voor een medemens in nood. De bereidheid tot gehoorzaamheid van de onderhorigen gaat hand in hand met verantwoordelijkheidsbesef en de serieuze taakopvatting van de anderen. Zo grijpen die beide in elkaar: de bevelsstructuur en het vlak van de uitvoering. In die wereld gaat nooit iets verkeerd. In die wereld is alles organiseer baar, maakbaar, om het zo uit te drukken.
Dat moeten we tot zover eens op ons laten inwerken. Dat is immers beslist niet bij uitstek Romeins. Het is in zekere zin ook heel modern. En dan gaat het zelfs niet alleen om de Romeinse militaire wereld en de huidige. Waar is het in de wereld van vandaag zoals wij die kennen eigenlijk anders, in de Kerk, in onze sociale omgeving? Leven wij niet in een perfecte en correcte wereld, capabel, bevredigend?
En dan stuiten we op een zekere innerlijke tegenstrijdigheid in het wezen van deze hoofdman, die onlosmakelijk tot deze wereldopvatting behoort, zodra wij zien hoe hij Jezus benadert. De woorden die hij spreekt zijn katholieken zeer vertrouwd, doordat ze bij elke mis aan het begin van de communie gezegd worden: 'Heer, ik ben niet waard dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn knecht zal herstellen'. De Kerk zegt hier niet 'mijn knecht' maar 'mijn ziel'. Dat is een deemoedige uitspraak, schuldbewust, onderworpen, smekend haast en aangewezen op genade van een ander. Dat is de ene kant. De hoofdman weet het. Maar op het zelfde ogenblik waarop hij dit zegt Iaat hij zich ook, bewust of niet bewust, zien van een heel andere kant. Nauwelijks heeft Jezus gezegd: “Zal Ik komen en hem genezen? “ of de man Iaat zich kennen als een officier. Hij is weliswaar de man die in dit geval hulp vraagt, maar tegelijk schrijft hij voor hoe die hulp er uit moet zien, precies zoals hij, de kapitein, gewend is op te treden. Hij is tegelijkertijd degene die vraagt en die beveelt, degene die deemoedig is en superieur, verantwoordelijk en zorgzaam en onverzettelijk. Naar mijn idee vormen die beide aspecten één geheel. In psychologische termen uitgedrukt moeten we hier spreken van een dwangmatig of dwangneurotisch gedrag. Er is sprake van medelijden en van kwelling, van deemoed en van machtswil, van onderworpenheid en heerszucht, gehoorzaamheid en geldingsdrang en machtsstreven en dit alles in één persoon verenigd en tegelijk aanwezig. Wie zo voelt en denkt heeft geen enkele kans deze innerlijke tegenstellingen, deze schaduwkanten van zijn persoonlijkheid en wereldvisie zelfs maar op te merken. Misschien zegt iemand: welnu, akkoord, wij hebben hier te maken met een beroepsmilitair die liefst tweeduizend jaar geleden leefde, waarom moeten we daar zo lang bij stilstaan? Ik ben van mening dat wij dat moeten doen om in staat te zijn te begrijpen hoe onder bepaalde omstandigheden zorg en ziekte kunnen samenhangen en over welke mogelijkheden wij beschikken om in naam van God iemand te genezen. Wij kunnen ons afvragen hoe het is om als 'jongen' naast zo'n hoofdman te leven. Wat 'verlamd zijn' is weten we wel, uit eigen ervaring, althans in aanleg. ledereen heeft zijn ogenblikken van depressiviteit. We weten niet altijd precies waar onze gevoelens van terneergeslagenheid vandaan komen. Maar zo voelen wij ons, en wel in een mate die veroorzaakt dat wij het liefste in bed zouden blijven liggen. Wij komen letterlijk niet meer omhoog, wij hebben eenvoudig de kracht niet meer , we zakken in elkaar, we zijn uitgeput. Bij nauwkeuriger toezien blijkt er sprake te zijn van een verborgen conflict. Je wilt iets doen maar je bent er bang voor, je hebt in de gaten dat je het niet moet of mag doen, je snijdt jezelf de pas af. Ons geheime verlangen staat in contrast met het al even geheime niet-mogen. Wil en gebod (of verbod) komen met elkaar in conflict. Het conflict zelf is niet bespreekbaar. Of een ander geval. Wij zijn ergens tegen, we zouden de strijd willen aangaan, maar we zijn bang voor de gevolgen. Ons humeur lijdt eronder, we tonen ons geïrriteerd, we zijn boos, we willen eigenlijk ageren, maar we schrikken terug voor de overmacht van de ander. Dan keert zich de impuls tot verzet naar binnen. Dat leidt tot passiviteit, tot een soort staking. Dat ervaren wij dan als een soort verlamming. De ene mens blokkeert zo een ander, hij belichaamt een conflict en hij brengt dit teweeg zonder het te willen, bij die ander, die niet begrijpt wat zich van binnen afspeelt. Als wij ons de situatie van die jongen van deze hoofdman zo voorstellen, dan wordt hij door zijn chef werkelijk gezien als een volwassen kind, een ledenpop, een marionet, waarvan een ander de touwtjes in handen houdt. Het leven dat hij moet leven is voorgeschreven, het is een vervreemd leven dat met zijn eigen leven niet samenvalt. Alles in hem, zo valt te vermoeden, komt op den duur in verzet tegen die vervreemding. Hij zou tegen zijn chef in verzet willen komen, hij zou tegen hem willen spreken, als hij er maar toe in staat was. Mogelijk wordt hij daarin gehinderd door de sociale dwang die hem in haar macht houdt, maar meer nog door de persoon van de hoofdman zelf. Was hij maar eenvoudig een gruwelijke despoot, een tiran, dan was het nog denkbaar dat hij hem zonder schuldgevoelens frontaal attaqueerde. Maar de hoofdman is zoals het verhaal hem beschrijft, vol roerende zorg voor zijn jongen. Hij voelt zich verantwoordelijk en hij staat hem menselijk zeer na. Hij is een goede kapitein, iemand van wie men moet aannemen dat hij voor zijn jongen alleen maar het beste wenst. Het bevel van zo'n man is even verstikkend als zijn zorgzaamheid. Er is geen ontsnappen aan.

Laten we er verder eens van uitgaan dat de jongen als protestuiting, als vorm van verzet, niets anders overbleef dan verlamming. Hij beleeft die als pijnlijk, hij wil die niet echt, ze vormt een probleem voor hem, het is beslist niet wat hij eigenlijk wil. Maar hij komt met zijn conflict niet klaar. Wat moet er nu gebeuren? Hoe is een ander, een vreemde, benaderbaar, zodat hij door middel van iemand als deze hoofdman genezen kan worden? Eén ding is duidelijk, Jezus bezit de mogelijkheid door te drukken en te zeggen: “U hebt gelijk, ik heb de macht en als ik het zeg handel ik zoals het mij goed dunkt. Dus linksom of rechtsom: mij gaat het om die jongen van u. Breng mij naar hem toe.” Dan stond het ene commando tegenover het andere. Dan zou tenslotte de hoofdman alleen nog gehoorzamen, maar dan zou hij geen inzicht hebben in de situatie. Het verwonderlijke is, dat Jezus heel anders handelt dan hele generaties theologen ons hebben willen doen geloven. Zij hebben het er voortdurend over gehad dat als God de wereld van de mensen binnenkomt zoals hij dit vooral gedaan heeft in de persoon van Zijn zoon, Jezus van Nazareth, de wil van de mens die zich in tegenspraak bevindt met de goddelijke wil tenietgedaan wordt. volgens hen is wat God wil, zowel formeel als inhoudelijk, nu juist het tegendeel van de wil van de mens en de bedoeling van de mens. Maar wat Jezus in feite hier doet, voegt zich soepel naar de voorwaarden die de hoofdman stelt, tot in onderdelen toe. Hij schikt zich zelfs in de vooronderstelling dat de jongen wel genezen zal worden, zoals de hoofdman van hem verlangt. Hoe zit dat precies? Het is misschien wel voor de eerste keer in zijn leven dat deze militair ontdekt dat er nu eenmaal situaties zijn, gebieden van de werkelijkheid, die zich niet met een machtswoord of een bevel, niet met een 'ik zeg' of een 'ik wil' uit de wereld geholpen zijn. De 'staking' van zijn jongen is als het ware een bom, die heel het gebouw van zijn wereldbeschouwing opblaast. Zijn macht breekt stuk op de ziekte van die jongen. De hoofdman blijft niets anders over dan, helemaal binnen het kader van zijn wereldbeeld, een beroep te doen op een nóg hogere macht, hoewel die in zijn levenssfeer eigenlijk niet zou behoren binnen te dringen, die buiten zou moeten blijven, omdat ze van een heel ander werkelijkheidsgehalte is. Maar hij moet er een beroep op doen, hij heeft die nodig. Die uitweg die hij zoekt in hulpeloosheid wordt het beslissende keerpunt. Dat is het in feite wat Jezus met zijn hele bestaan representeert. Hij wil ons mensen uitzicht verschaffen op een andere wereld, een andere macht, waarover wij letterlijk niets te zeggen hebben. Die macht dringt in ons door als de lucht, ze dringt evenzeer tot in de kleinste uithoeken door als water, ze is in strijd met alles wat wij kennen, maar dan toch op zo'n manier dat ze ons aanvaardt en erkent en bevestigt en opricht en laat leven. En ze is daartoe in staat juist doordat ze van een zo totaal andere orde is.
Doordat de hoofdman in zijn onmacht deze macht leert zien en kennen, die heel andere levenssfeer, gebeurt er in hem iets wat zijn jongen zijn gezondheid hergeeft. Hij ontdekt dat hij als officier niet definitief en absoluut in het leven van een ander voor het  zeggen heeft. Vanuit de jongen gezien begrijpen wij hoe iemand die verlamd is en die zichzelf daarmee kwelt gezond kan worden. Plotseling dringt het in een flits tot hem door: niemand is eigendom van een ander, niemand is bezit van een ander. Pas wie dat beseft is in staat te gehoorzamen zonder zelf als mens teniet te gaan. Hij wordt zich er van bewust dat geen mens alleen middel is, als een radertje in het drijfwerk van een grote machine. Pas dan kan men werkelijk als mens leven en zelfs nuttig een dienstbaar zijn voor anderen. Wij leren zien dat ziekte als het ware het begin van de genezing kan zijn. Ziekte kan een protest zijn, een luid neen, dat de wereld tot stilstand wil dwingen. En plotseling dringt door de kieren van de wereld iets anders naar binnen, dat wij nodig hebben om weer terug te keren en de wereld weer haar plaats te laten hebben in ons leven. Het is de wonderbaarlijke geschiedenis van een macht die juist hierin haar sterkte toont, dat zij afziet van het bevel en alleen ruimte laat aan het sterkste verlangen, die de macht haar glans en glorie ontneemt, juist door deze formeel te bevestigen, die de verlamming overwint in een onzichtbare dialoog via een ander.
Welke rol spelen wij eigenlijk zelf binnen dit drietal, de jongen, de hoofdman en Jezus? Vermoedelijk zullen het wisselende rollen zijn. Nu eens zijn wij hulpeloos en we hebben er geen vermoeden van hoeveel kracht en waarheid ook in ons slechts schijnbare onvermogen liggen kan. En wij wachten op hulp, die ons ook gegeven wordt door een diepere erkenning van ons protest. Hoe vaak zijn wij niet net als die hoofdman? Wij staan tegenover elkaar, wij weten schijnbaar alles beter en dat uit pure goede wil, uit louter zorgzaamheid en verantwoordelijkheidsgevoel. En desondanks staan wij het beste in de ander in de weg. Dat is zo bij ouders tegenover hun kinderen, bij leidinggevenden tegenover ondergeschikten, bij gezagsdragers in de Kerk tegenover de gelovigen. De hele hiërarchische Pyramide kan deze effecten van die 'zorgterreur' teweegbrengen. Bevrijding daarvan komt slechts tot stand als wij leren hoe weinig we echt kunnen verantwoorden. Want andere mensen zijn levende wezens, zij zijn niet ons bezit, zij behoren tot het machtsgebied van God. Hun leven is dus niet door ons te bepalen. Wat in het leven van anderen in orde is stemt overeen met de macht die gewild heeft dat wij er zijn. En hoe meer wij terugtreden, hoe meer een ander tot leven komt en hoe meer wij daar uiteindelijk zelf bij winnen. Vaak - het is niet te veel gezegd: hoe zouden we anders christenen kunnen heten? - kunnen wij voor elkaar zoiets zijn als Jezus zelf, als wij heel gewoon niet alleen formeel in hem geloven, in de rechter van Israël, de rechter van de volken, de Messias van de eindtijd, maar even vol nederige eerbied als hij geloven dat het leven van ieder mens een kans in zich bergt voor God, en dat Hij, genadiger, groter en machtiger is dan wij in onze stoutste dromen durven te denken.

vraag 95
Welke verwijzingen naar de geboorte van Jezus staan in het Oude Testament?

NAK antwoord
In het Oude Testament staat onder andere de belofte van de profeet Jesaja: 'De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren, en men zal Hem de naam Immanuël geven' (Jes. 7:14).
De profeet Micha voorzegde de geboorteplaats van Jezus: 'Uit jou, Bethlehem in Efrata, te klein om tot Judàs geslachten te behoren, uit jou komt iemand voort die voor Mij over Israël zal heersen. Zijn oorsprong ligt in lang vervlogen tijden, in de dagen van weleer' (Micha 5:1).
Jesaja beschreef Jezus met benamingen die Zijn uniekheid onderstrepen: 'Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven; de heerschappij rust op Zijn schouders. Deze namen zal Hij dragen: Wonderbare Raadsman, Goddelijke Held, Eeuwige Vader, Vredevorst' (Jes. 9:5).

 ->  lmmanuë/ ('God met ons'):

zie vraag 115

Noot
'[ ... ] zond God Zijn Zoon, geboren uit een vrouw en onderworpen aan de wet [ ... ].' Gal.4:4

 ->  zie ook vraag 4

Overdenking
De vraag vind ik niet zo’n relevante vraag. Wie zaten uiteindelijk te wachten op Jezus? Twee of misschien nog een paar?  Wat heeft het aan het werk van Jezus veranderd?

vraag 96
Wie was de wegbereider van Jezus?

NAK antwoord
Johannes de Doper was de wegbereider van Jezus. Deze door God beloofde bode van Jezus (vgl. Mal. 3:1) riep op boete te doen en kondigde de komst van Jezus Christus, de Verlosser aan: 'Ik doop jullie met water ten teken van jullie nieuwe leven, maar na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om Zijn sandalen voor Hem te dragen. Hij zal jullie dopen met de Heilige Geest en met vuur' (Matt. 3:11).
In de Bijbel is Johannes de Doper de eerste die Jezus nadrukkelijk als Zoon van God aanduidt en dat ook aan het volk verkondigt.

Noot
'Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes. Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven. Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht[ ... ].'  Joh.1:6-8

'En dat heb ik gezien, en ik getuig dat Hij de Zoon van God is.'  Joh.1:34

Overdenking
Valt niet zoveel aan toe te voegen.

vraag 97
Hoe noemde Johannes de Doper Jezus Christus?

NAK antwoord
Toen Jezus bij Johannes kwam, zei Johannes: 'Daar is het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt: De volgende dag sprak Johannes de Doper met twee van zijn leerlingen en zei toen hij Jezus voorbij zag komen opnieuw: 'Daar is het Lam van God: De twee mannen gingen daarop met Jezus mee en werden Zijn leerlingen (vgl. Joh. 1:29 en 36-37).

Overdenking
Valt niet zoveel aan toe te voegen.

Vraag 98
Wat betekent hier 'Lam van God'?

NAK antwoord
De aanduiding 'lam' stelt Jezus Christus voor als de Verlosser en is een verwijzing naar Jesaja 53:7: 'Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed Zijn mond niet open. Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid'. Lammeren behoren in het Oude Testament van oudsher tot de meest begeerde offerdieren. Het beeld van het geslachte 'Lam van God' is een verwijzing naar de offerdood van Jezus Christus.

Overdenking

Agnus Dei,                                         Lam Gods,
qui tollis peccata mundi,                 dat wegneemt de zonden der wereld,
miserere nobis.                                 ontferm U over ons.
Agnus Dei,                                         Lam Gods,
qui tollis peccata mundi,                 dat wegneemt de zonden der wereld,
miserere nobis.                                 ontferm U over ons.
Agnus Dei,                                         Lam Gods,
qui tollis peccata mundi,                 dat wegneemt de zonden der wereld,
dona nobis pacem.                           geef ons de Vrede.

De tekst van het Agnus Dei, die gebaseerd is op Johannes 1:29 waarin Johannes de Doper Jezus aanwijst als het Lam Gods. Deze betekenis heeft voor mij een grote symbolische waarde, minder een letterlijke betekenis.

vraag 99
Welke betekenis heeft de offerdood van Jezus voor ons?

NAK antwoord
Met zijn offerdood baant de Zoon van God een weg zodat de zondaar uit de geestelijke dood kan worden gered en het eeuwige leven kan verkrijgen: 'En hierin is Gods liefde ons geopenbaard:
God heeft Zijn enige Zoon in de wereld gezonden, opdat we door Hem zouden leven. Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden (1 Joh. 4:9-10).

 ->  geestelijke dood: zie vraag 89 en 532

Overdenking
Vraag 98 was een aanloopje naar deze vraag. In de overdenkingen 88 en 89 heb ik er al op geantwoord, ik zie het hele gebeuren van de zonde toch wat anders dan waar de kerken aan vasthouden. Maar het symbool van een “grote” uit de geschiedenis die ons kracht geeft, door middel van het eten van zijn lichaam vind ik versterkend, prima dus.

vraag 100
Wat betekent: Jezus Christus is Gods 'eniggeboren Zoon'?

NAK antwoord
Gods 'eniggeboren Zoon' betekent dat Jezus Christus, Gods Zoon, de enige is en eeuwig is.
De Zoon van God is niet een schepsel zoals de mens en ook niet te vergelijken met de engelen, die een 'begin' hebben:
Hij is zonder begin en einde, Hij is God en op die manier in Zijn wezen gelijk aan de Vader en de Heilige Geest. Hij is er derhalve altijd al geweest - dus voor de schepping - verbonden met de Vader en de Heilige Geest (pre-existentie).

Noot
Het begrip 'pre-existentie' is afgeleid van de Latijnse woorden 'prae' en 'existentia', die 'voor' en 'bestaan' betekenen. Met betrekking tot Jezus Christus betekent pre-existentie dat de Zoon van God van eeuwigheid her is, er dus altijd is geweest, al voor de schepping en voor Zijn menswording.

Overdenking
Een gezochte vraag.

vraag 101
Wat houdt het in dat de Zoon van God als 'Woord' ('Logos') wordt aangeduid?

NAK antwoord
God heeft alles door het woord geschapen (“God zei”, Gen. 1:3) en op een zinvolle wijze geordend. In die zin is het woord de oorsprong waar alles uit voortkomt.
De aanduiding 'woord' ( = Grieks 'logos') wordt in het eerste hoofdstuk van het evangelie volgens Johannes tegelijkertijd voor de Zoon Gods gebruikt. Zo wordt erop gewezen dat God, de Zoon, ook schepper is, evenals God, de Vader, en God, de Heilige Geest.

Noot
'In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.
Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.[ ... ] Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben Zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.'  Joh.1:1-3 en 14 ,

Overdenking
Geen serieuze vraag

vraag 102
Wat betekent: 'Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond'?

NAK antwoord
In Johannes 1:14 wordt gezegd dat de Zoon van God (het 'Woord') 'mens' is geworden. Hij werd geboren in Bethlehem, groeide op in Nazareth en genoot daar een opleiding tot timmerman. Hij stierf in Jeruzalem: op Golgota werd Hij gekruisigd.

Overdenking
Beeldspraak uit een andere wereld, hieruit volgt dat we hier geen letterlijke vragen over kunnen stellen.

 vraag 103
Was Jezus Christus als mens gelijk aan andere mensen?

NAK antwoord
Ja, Jezus Christus was wat Zijn menselijke natuur betreft gelijk aan andere mensen. In Zijn mens-zijn had Hij een lichaam en behoeften die daar bij horen. Hij had honger toen Hij in de woestijn was en had dorst toen Hij bij de Jakobsbron kwam. Hij was blij met wie zich verblijdde op de bruiloft van Kana. Hij had verdriet met wie verdriet had en huilde toen Zijn vriend Lazarus was gestorven. Eveneens huilde Hij toen Hij voor Jeruzalem stond en de mensen in Hem niet Gods Zoon zagen. Hij ondervond pijn toen de soldaten Hem sloegen.
Hij onderscheidde zich echter van de mensen doordat Hij zonder zonden op de wereld kwam en nooit zondigde. Hij was God, de Vader, gehoorzaam tot aan Zijn dood aan het kruis.

Overdenking
Niets aan toe te voegen. Eigenlijk moet ik zeggen dat ik in feitelijke zin, zoals het gesuggereerd wordt, niet veel weet van deze werkelijke feiten.

vraag 104
Was Jezus op aarde uitsluitend mens?

NAK antwoord
Nee, Hij was op aarde in gelijke mate mens en Gods Zoon, dus waarachtig God.
Jezus Christus is waarachtig mens en waarachtig God: Hij heeft twee naturen, een menselijke en een goddelijke.

Overdenking
Het NAK antwoord berust op een veronderstelling die de meeste christelijke kerken hanteren.

De Twee naturen leer (uit het algemeen betwijfeld christelijk geloof, van Harry Kuitert)
Wat is de Twee naturen leer nu precies en wat wilde men ermee? Gezien vanuit de bedoeling die men ermee had is ze minder ingewikkeld dan men het voorstelt. Ze is indien niet ontworpen dan toch bedoeld als afweer, als een soort van tegen-model tegen dat van de verklede prins. Het grote bezwaar tegen die voorstelling- dat voelde men heel goed aan -was, dat het mens-zijn van Jezus een schijnkwestie wordt, het is maar een omhulsel, het is eigenlijk God die daar rondloopt. Maar hoe kon men uit de handen van die wat al te fantastische voorstelling van zaken blijven en tegelijk eruit overhouden wat men niet kwijt wilde: God is, in de persoon van Jezus mens geworden?

Wie in termen van de verklede prins denkt, heeft op dit punt geen problemen: Jezus is eigenlijk God en daar gaat het toch om. Maria is dan de Moeder Gods en zo ontluikt allengs in de Oude kerk de Mariadevotie. Maar waar blijft dan het mens-zijn dat Jezus toekomt? Als je dat serieus neemt, is Maria niet de moeder van God, maar van de mens Jezus en wordt de vraag dus hoe een mens tegelijk God kan zijn. Want dat laatste wilden alle partijen tot elke prijs volhouden. Niet alleen omdat de volksvroomheid dat eiste: als Jezus niet God is, mag Hij niet aanbeden worden. Maar ook omdat de essentie van de christelijke geloofstraditie ermee staat en valt: in Jezus Christus ontmoeten wij God Zelf. Hoe verder?

Ik spaar de lezer de ingewikkelde denk-exercities van de Twee naturen leer, die moeten aantonen dat in één persoon wel degelijk twee naturen verenigd kunnen zijn zonder dat ze in elkaar opgaan (de goddelijke hoeft de menselijke niet op te slokken) maar ook zonder dat er twee afzonderlijke personen ontstaan. Ze loopt vast in haar eigen vooronderstellingen. Dat zal ik eerst duidelijk maken. Daarna dat we er minder aan hebben dan meestal wordt voorgesteld.

Een onoplosbaar probleem voor de Twee naturen leer wordt gevormd door de twee ikken die we moeten aannemen, een goddelijk en een menselijk ik. Dat loopt uit op twee personen in Jezus. Als dat niet de bedoeling is (en dat is het natuurlijk niet) kunnen we zeggen: het ik van Jezus wordt ingenomen door het ik van God, maar dan is Jezus als mens geen eigen persoon meer maar een 'onthoofd' persoon. We zijn dan wel bij één persoon uitgekomen maar van twee zelfstandige naturen is geen sprake meer; de goddelijke heeft de menselijke dan toch weer (als bij de verklede prins) als een kleed om zich heen geslagen. Het probleem is onoplosbaar: we offeren hetzij de eenheid van de persoon op (twee naturen worden twee personen) of de tweeheid van de naturen (een van de naturen moet wijken om de ene persoon te handhaven). Het is legpuzzel-theologie geworden, maar dan van een legpuzzel die niet kloppend te maken valt. Dat is de prijs geweest die men moest betalen om aan de verklede prins te ontkomen.

De Twee naturen leer is alleen al op deze gronden voor ons onhanteerbaar. Dan heb ik het nog niet gehad over de terminologie waarvan ze zich bedient. Wij gebruiken die termen (natuur/persoon) in een heel andere betekenis dan de kerkvaders, trouwens reeds toentertijd gaf de (verschillende) invulling ervan aanleiding tot een volslagen langs elkaar heen redeneren van de theologische richtingen. Bovendien kunnen we met de beste wil van de wereld niet van iemand eisen dat hij zich zover in de geschiedenis van de theologie verdiept, dat hij in gewoon Hollands kan na vertellen wat althans in die tijd met die termen werd bedoeld. De problemen zijn onoplosbaar.

Is dat erg? Helemaal niet. Het is een door ons zelf geschapen probleem, waaraan we ons vertillen. De Twee naturen leer is een poging tot verantwoording, een poging weliswaar van eerbiedwaardige kerkvaders, maar met behulp van hun eigen vooronderstellingen en in termen van hun tijd ondernomen. Mislukt zo'n poging dan leggen we haar getroost terzijde. We zijn niet veroordeeld tot het kiezen tussen één persoon (maar geen twee naturen meer) of twee naturen (maar niet meer één persoon).

Incarnatie als overbrugging

Waar komt die fixatie op de Twee naturen, verenigd in één persoon, vandaan en wat wilde men er eigenlijk mee bereiken? Ik heb al gezegd wat men uit de voorstelling van de verklede prins niet kwijt wilde: God is, in de persoon van Jezus, mens geworden. De klassieke christelijke traditie heeft daar de term Incarnatie voor gemunt, menswording Gods. Zowel de voorstelling van de verklede prins als die van de Twee naturen gaan op dat basisgegeven van de traditie terug, het zijn allebei incarnatie-opvattingen. Ze werken haar alleen in een verschillende richting uit.

De gnostiek dacht zich de menswording in als een soort vermomming: als mens vermomd gaat God de strijd tegen het Kwaad aan en Hij overwint. De verlossing neemt de vorm van een drama aan. De klassieke kerkelijke traditie had een ander beeld van de verlossing voor ogen en gebruikt dus ook andere terminologie. De vervreemding moest toch door Jezus worden overwonnen? Welnu, de leer van de Twee naturen zoekt de oplossing in de persoon van Jezus zelf: als in Hem God en mens weer bij elkaar komen is er eigenlijk aan alles voldaan. Meer hoeft niet, met de vereniging van de twee naturen is het karwei van de overbrugging- als ik het zo zeggen mag- geklaard. God en mens weer samen in die éne persoon van Jezus Christus - wat wil een mens nog meer dan dit wonder van genade?

Wat blijft over? Een verklede prins! Het sprookje is bekend en komt in velerlei versies voor: een sjofel geklede, onaanzienlijke jongeman, die bij zijn entree in het dorp hoogstens een meewarige glimlach oogstte, ontpopt zich in een crisissituatie - al dan niet via een heldendaad die niemand achter hem had gezocht - als een verklede prins. Was Jezus, volgens de christelijke geloofstraditie, eigenlijk zo'n verklede prins, je zag het er niet aan af (vandaar dat mensen zich konden vergissen) maar Hij was de Zoon van God?

Ook hier weer een punt waar ik lang over heb zitten nadenken en ik zeker niet de wijsheid in pacht heb, maar ik praat niet de fantasieën die door de algemene christelijke kerken verkondigd worden na. 

vraag 105
In welke passages in de Heilige Schrift staat dat Jezus Christus ook altijd waarachtig God is?

NAK antwoord
Alleen als waarachtig God kon Jezus Christus zeggen:'[ ... ] en de Vader en Ik zijn één' (Joh. 10:30) en op deze wijze uitdrukken dat Hij in Zijn wezen gelijk was aan Zijn Vader.
Bij Jezus' doop in de Jordaan was een stem uit de hemel te horen: “Dit is Mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde” (Matt. 3: 17). Ook bij de verheerlijking van Jezus liet God, de Vader, blijken dat Hij de Zoon van God is: “Dit is Mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde. Luister naar Hem!” (Matt. 17:5). Uit de woorden van Jezus “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (Joh. 14:9) blijkt eveneens dat Hij God is.

Overdenking
Een suggestieve vraag, uitspraken uit de Bijbel gebruiken voor de bewijsvoering. Ik verwijs dan naar de uitspraken van John Stott in de inleiding.


vraag 106
Uit welke daden blijkt dat Jezus Christus waarachtig God is?

NAK antwoord
De wonderen die Jezus Christus verrichtte, tonen aan dat Hij waarachtig God is. De natuur was aan Hem ondergeschikt, Hij stilde de storm en liep over het Meer van Galilea. Hij bewees heer over leven en dood te zijn door zieken te genezen en doden tot leven te roepen. Hij vermenigvuldigde broden en vissen, voedde daarmee duizenden mensen en veranderde water in wijn: Zijn werkzaamheid overtrof alles wat mensen kunnen. Hij was heer over de zonde, regelmatig vergaf Hij zonden.
 ->  Jezus' wonderen: zie vraag 140 e.v.

Noot
'[God] is geopenbaard in een sterfelijk lichaam[ ... ].' 1 Tim. 3:16

'Jezus Christus is de ware God, Hij is het eeuwige leven.' 1 Joh. 5:20

Overdenking
Over Jezus als over God spreken. De eerste aanhangers ontdekten iets van God in Jezus en toen de Oude kerk erover ging nadenken, vertaalden ze dat 'iets van God' in 'de goddelijke natuur'. Waarom zouden we hen in dat laatste moeten volgen? 'Iets van God' is op zichzelf genomen, niet bevredigend, dat is waar. In alle mensen zit iets van God. Het wordt al wat beter als we - voorlopig - zeggen: vergeleken bij andere mensen is God, volgens het christelijk geloof, op een unieke manier in Jezus aanwezig geweest. (Kuitert, ABCG, blz 139)

vraag 107
Wat betekent de naam 'Jezus'?

NAK antwoord
De naam 'Jezus' betekent: 'de Heer redt'.
Toen de engel Gabriël de geboorte van Jezus aankondigde, gaf hij tevens aan hoe het kind moest heten. Tegen Maria zei hij: “Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet Hem Jezus noemen” (Luc. 1:31). Ook Jozef werd verteld hoe het kind moest heten: “Geef Hem de naam Jezus, want Hij zal Zijn volk bevrijden van hun zonden” (Matt. 1:21).
Zo blijkt reeds uit de naamgeving dat Jezus de beloofde Redder en Verlosser is.

Overdenking
weinig belangrijk

vraag 108    
Waaraan is te herkennen dat Jezus Christus de Verlosser is?

NAK antwoord
In Zijn daden openbaarde Jezus Christus zich als de door God gezonden Verlosser (Heiland):'( ... ) blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt' (Matt. 11:5). Dat Jezus Christus de Verlosser is, blijkt vooral uit het feit dat Hij de wil van God verkondigde en Zijn leven gaf ter verlossing van de mensen, dus om hen te bevrijden van zonden en schuld.

Overdenking
Het begin van het NAK antwoord maakt me wat kriebelig. De ‘wonderen’ worden weer eens verheerlijkt en opgehemeld. Wat hebben wij daar aan? Wij durven te bidden om een fietssleuteltje terug te krijgen dat we zelf ‘kwijt gelegd’ hebben en elders op de wereld vindt het grootste onrecht plaats. Wat is dan het wonder? Wat een kleine geesten zijn we dan. Terwijl we ‘alles’ hebben willen we ook nog het ‘wonder’ en die ander dan? Gewoon maar, ellendig doodgaan?
Dat brengt mij op de gelijkenis van de arme Lazarus en de rijke man. Met de gelijkenis is Jezus niet zo zeer de verlosser maar ons grote voorbeeld, de leraar. Verwonder je over het echte ‘wonder’ van het voorbeeld.

Aangepaste versie van college-notities
Lc 16:19-31, NBV
19 Er was eens een rijke man die gewoon was zich te kleden in purperen gewaden en fijn linnen en die dagelijks uitbundig feestvierde. 20 Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt met zweren. 21 Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van de tafel van de rijke man; maar er kwamen alleen honden aanlopen, die zijn zweren likten. 22 Op zekere dag stierf de bedelaar, en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd begraven. 23 Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. 24 Hij riep: "Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen." 25 Maar Abraham zei: "Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn. 26 Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie naar ons kan oversteken." 27 Toen zei de rijke man: "Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, 28 want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen." 29 Abraham zei: "Ze hebben Mozes en de Profeten: laten ze naar hen luisteren!" 30 De rijke man zei: "Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen." 31 Maar Abraham zei: "Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat."'

indeling
‒ vers 19-21 rijk en arm uitgangssituatie
‒ vers 22-31 vormen een apart geheel, vormen hiernamaals + Abraham (als acteur)
‒ de dialoog vindt plaats tussen de ‘rijke’ en Abraham (stamvader van het Joodse volk en zelf ook een rijke!!)
‒ er wordt 2x gevraagd om Lazarus (God is mijn hulp) te sturen, 1e keer om de kloof te overbruggen, 2e keer om zijn broers op hun levensstijl te wijzen
‒ e.e.a. bied kijk op hier(numaals) en hiernamaals
‒ uit de tekst kan geen info verkregen worden t.a.v. het hiernamaals

bespreking
‒ vers 19-21; contrast tussen ‘rijke’ (geen naam) en arme Lazarus (God is mijn hulp), rijkdom wordt uitgeduid door purperen gewaad en elke dag feest, de tegenstellingen zijn max. getypeerd,
‒ ‘aan de poort (deur) van zijn huis’? komen we op terug.
‒ ‘aan de zijde van Abraham’ en ‘in de schoot van Abraham’, betekent ongeveer met Abraham aan tafel liggen,
‒ dit verhaal is een Joods verhaal; Abraham de vader van het Joodse volk, heeft dus een bijzondere plaats bij God,
‒ vers 24 ‘rijke’ stierf en werd begraven, uiteraard met alle egards,
‒ in het verhaal worden de rollen tussen het hiernumaals (hier) en het hiernamaals (daar) omgedraaid; eten hier = water daar, arm hier = rijk daar, binnen hier = buiten daar (inclusief kloof),
‒ samenvatting verhaal (door Abraham) in vers 25,
‒ waarom omkering in het verhaal, met een 'bovendien' in het verhaal vers 26,
‒ in het 'hier' kon de rijke door de poort (de deur) van zijn huis naar de arme maar verzuimde dat met gevolg dat deze in het 'daar' dicht is. Hij heeft in het 'hier' niets gedaan aan de verbetering van de wereld, in het 'daar' zijn de zaken omgekeerd,
‒ waarom scene in het 'daar', aanwijzing op verantwoording,
‒ verhaal voor iedereen op deze manier? nee,
‒ Jezus spreekt rijke aan m.b.t. de arme, m.a.w. geen boodschap voor de arme; moraal van het verhaal, de rijke had door de poort gemoeten om de arme te helpen, zo niet dan in het 'daar' grote kloof,
‒ het schokeffect is bedoeld om de luisteraars (lezers) via een beeld uit het 'daar' een zicht te geven op hoe het hier moet 
‒ vers 31 climax van de situatie, het huidige Nederlands zouden wij zeggen:"het is ar honderd keer gezegd dus " dit is om te prikkelen, het is om de luisteraars aan het luisteren te krijgen broers in vers 28, zijn zij in de buurt van de lezers???
‒ rede van getal 5 ?,  5 broers + rijke + Lazarus = 7, volle getal (4+3, 4windstreken + hemel-aarde-onderwereld, totale kosmos in de oude wereld), zij zijn allen Abrahams kinderen, dus broers,
‒ de kern van de boodschap van Mozes en de profeten is altijd zo geweest Joods verhaal Abraham + kinderen + profeten.

context
‒ vers 16 Vooruit blik op het verhaal
‒ vers 17 belang van wet
‒ vers 18 vrouw beeld van het verbond, huwelijk beeld van het verbond
‒ wie wet en profeten verstoot pleegt feitelijk echtbreuk
‒ wie evangelie los maakt van wet en profeten pleegt feitelijk echtbreuk

uit Wikipedia
Onder theologen en gelovigen bestaat verschil van mening over de betekenis van het laatste deel van de gelijkenis, dat gaat over het leven na de dood. Sommigen zien de gelijkenis als een aankondiging van het bestaan van een hemel en een hel waar de ziel van overleden direct na het overlijden terechtkomen. In het Bijbelboek Openbaringen wordt geschreven dat het Laatste Oordeel pas zal plaatsvinden na afloop van het duizendjarig rijk en dat de zielen tot die tijd rust hebben. Weer anderen zien de beschrijving van de hemel en de hel in deze gelijkenis vooral symbolisch. Zij wijzen erop dat de gelijkenis naar hun mening vooral over moraliteit tijdens het leven gaat en niet over het leven na de dood.
Naast een individuele betekenis, heeft het verhaal mogelijk ook een maatschappelijk-politieke betekenis. Volgens sommigen staat de rijke man voor de joodse geestelijke leiders. Purperen gewaden werden in Jezus' tijd gedragen door koningen, fijn linnen door priesters. Met de honden die de zweren likken zouden de heidense buurvolkeren bedoeld worden (honden worden door joden als onrein beschouwd).

Zien we het grote wonder door ons te verwonderen over de dingen die Jezus ( de grote leraar) ons voor deed. Ons wees op deze en andere grote ongelijkheden, die Joodse wetten juist afwijzen!

vraag 109
Is verlossing alleen mogelijk door Jezus Christus?

NAK antwoord
Ja, verlossing is alleen mogelijk door Jezus Christus. Alleen door Hem heeft de mens toegang tot het heil.

Noot
'Door niemand anders kunnen wij worden gered, want Zijn naam is de enige op aarde die de mens redding biedt.' Hand.4:12

Overdenking
Waarom zou het niet van God of de Heilige Geest kunnen komen? Zij vormen met Jezus immers een triniteit!! De NAK gaat hier gewoon met de andere kerken mee in de geschiedenis van; Jezus in de rolverdeling van verlosser.

Verlossing-waarvan?
God bevrijdt, de HEERE redt en welke andere klassieke karakteristieken van God we ook gebruiken, de vraag die zich opdringt is: waarvan dan? Het getuigt van naïviteit om die vraag niet te stellen of haar niet vanuit de christelijke traditie proberen te beantwoorden. Op dit punt ligt mijn verwijt aan sommige bevrijdingstheologen in binnen- en buitenland. De vraag waarvan God de mens en zijn wereld volgens de christelijke geloofstraditie verlost, brengt ons bij de pointe van het Christendom. Want zoals het in alle religies gaat, zo gaat het ook in het Christendom: het heil van God (het heil van de christelijke religie) wordt bepaald door wat men als het grote onheil ziet. Voor het christelijk geloof is dat de zonde waardoor de mens schuldenaar voor God is geworden. Ik kom op beide termen niet weer terug, maar noem ze hier nog eens als sleutelwoorden voor onheil in christelijke zin. Het heil van God, het echte, definitieve, eeuwige heil van God dat de christelijke traditie door de eeuwen heen meesleept op haar tocht, is de verlossing van zonde en schuld en daarmee de opheffing van de vervreemding tussen God en mens.
Andere vormen van onheil worden door het Christendom allerminst ontkend: ziekte, lijden, dood staan bovenaan. Maar ook uitbuiting, onrecht en onderdrukking staan hoog op de ranglijst, ze zijn volgens de christelijke traditie zelfs uit den Boze. Sedert de zeventiger jaren van onze eeuw (vorige, pgs) zijn sommige christenen daarop zo gefixeerd, dat ze in de opheffing van armoede, in politieke bevrijding en maatschappelijke gelijkheid het eigenlijke heil van God willen zien. Dat kan soms zover gaan, dat God een ander woord wordt voor een rechtvaardige samenleving.
Dat gaat mijns inziens te ver. Bovendien kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat we op die manier van de nood een deugd maken. Het is nu eenmaal niet eenvoudig om vol te houden dat de oer-kwaal van mensen bestaat in iets wat ze niet onmiddellijk kunnen zien en de opheffing ervan niet in iets wat onmiddellijk (liefst tastbare) zoden aan de dijk zet. De verleiding wordt groot het christelijk heil te verdunnen tot maatschappelijk heil, want daarmee krijg je althans als christelijke kerk nog een voet aan de grond. Maar niet meer de voet waar het om begonnen was. Maatschappelijk heil is ook heil, zelfs heil van God. Maar dan heil dat wij, als we zouden willen, elkaar kunnen verschaffen. Christenen worden daar ook door de christelijke geloofsverkondiging voor geroepen. Maar het heil waarvoor de christelijke traditie in het leven is geroepen is eerste aantekening - juist heil dat wij elkaar niet kunnen verschaffen, omdat dat buiten ons vermogen ligt: de opheffing van onze vervreemding van de Schepper, bron van de vervreemding van elkaar als mensen. Wat (in logische orde) eerst is, komt dus eerst: eerst de oer-vervreemding weg, anders blijven we wie we zijn en komt er van maatschappelijk heil ook niets meer terecht.
Een tweede kenmerk van het heil van christelijke geloofstraditie: het overstijgt wat ik het contextuele heil noem. Dat is er ook, heil voor zwarten, voor onderdrukte vrouwen, voor uitgebuite mijnwerkers. Maar opnieuw, het is heil met een tekort. Niet alleen omdat we het elkaar geven of juist onthouden, maar ook omdat het heil is voor een bepaalde groep of een bepaalde maatschappelijke laag van een bevolking. Het definitieve, eeuwige heil is een en hetzelfde voor zwarten, vrouwen, mannen, blanken, armen en rijken - daarin deel je of je deelt er niet in. Maar het overstijgt de groepen, het is universeel heil.
Ik bedoel het ook weer niet al te schoolmeesterachtig. Dood en lijden zijn, net als de vuile handen, ook universeel. Daarom staan ze in de christelijke traditie vlak bij het eigenlijke onheil van schuld en zonde en om diezelfde reden kan de verlossing dan ook voorgesteld worden als het gered worden van de dood of het getroost worden over alle lijden. Maar lijden, ook het lijden aan de dood, begint volgens de traditie bij het begin van alle onheil en dat is en blijft de verbroken relatie met God. (Kuitert, ABCG, blz 115)

 

vraag 110
Wat wordt verstaan onder de 'titels' van Jezus?

NAK antwoord
Met 'titels' worden namen en aanduidingen voor de Zoon van God bedoeld, waarmee de Heilige Schrift verschillende kenmerken van Zijn uniciteit uitdrukt.

Overdenking
Persoonlijk heb ik geen behoefte het anders uit te drukken.

vraag 111
Wat betekent de titel 'Christus'?

NAK antwoord
Het woord 'christus' komt oorspronkelijk uit het Grieks (christos') en betekent 'gezalfde'.
In de tijd van het Oude Testament werden koningen gezalfd met olie (vgl. Ps. 20:7). Deze handeling betekende een afzondering voor hun heilige dienst. Jezus wordt de 'Gezalfde' genoemd omdat Hij de Heer over alles is, de mensen met God verzoent en de wil van God verkondigt.
De titel 'Christus' is dusdanig nauw met Jezus verbonden, dat het een eigennaam is geworden: Jezus Christus.

Overdenking
Persoonlijk heb ik geen behoefte het anders uit te drukken.

vraag 112
Wat betekent de titel 'Messias'?

NAK antwoord
Het woord 'messias' komt uit het Hebreeuws en betekent eveneens 'gezalfde'. De overtuiging dat Jezus van Nazaret de Christus, de door Israël verwachte Messias is, wordt in het Nieuwe Testament met nadruk beleden.

Overdenking
Persoonlijk heb ik geen behoefte het anders uit te drukken.

vraag 113
Wat betekent de titel 'Heer'?

NAK antwoord
In het Oude Testament komt de aanduiding 'heer' vooral voor wanneer het gaat over God. In het Nieuwe Testament wordt deze titel ook op Jezus Christus toegepast. De aanduiding 'Heer' geeft de goddelijke autoriteit van Jezus Christus weer en gaat dus veel verder dan een respectvolle aanspreekvorm. Wanneer Jezus 'de Heer' wordt genoemd, gebeurt dat ook om daarmee uit te drukken dat Jezus God is.

Overdenking
Adonai = letterlijk mijne Heren (Hebreeuws). Deze meervoudsvorm wordt enkelvoudig gebruikt bij 't spreken tot/over God. Omdat de Joden de geschreven naam van God (J.H.V.H.) niet mogen uitspreken, spreken zij steeds in plaats daarvan het woord Adonai: Heer.

"YHVH" is het Hebreeuwse woord dat vertaald wordt als "HEER". Deze titel wordt in het Oude Testament vaker aangetroffen dan enige andere naam voor God (ongeveer 7.000 keer). Deze naam wordt ook vaak het "Tetragrammaton" genoemd, wat "de vier letters" betekent. YHVH vindt zijn oorsprong in het Hebreeuwse woord "zijn" en is de bijzondere naam die God aan Mozes openbaarde bij de brandende struik. "Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: 'IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd.' Ook zei hij tegen Mozes: 'Zeg tegen hen: De HEER heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. En hij heeft gezegd: Zo wil ik voor altijd heten, met die naam wil ik worden aangeroepen door alle komende generaties.'" (Exodus 3:14-15). Daarom staat YHVH voor het absolute wezen van God; de bron van alles, zonder begin en zonder einde. Hoewel sommigen YHVH uitspreken als "Jehova" of "Jahweh", weten geleerden eigenlijk niet wat de juiste uitspraak van het woord is. De Joden spraken deze naam na ongeveer 200 na Christus niet meer uit, uit vrees voor het gebod in Exodus 20:7: "Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan" (de rabbijnen gebruiken tegenwoordig meestal "Adonai" in plaats van YHVH).

Wekelijks worden meer vragen behandeld, dit is maar een klein deel van de 750 vragen en antwoorden

vraag 114
Wat betekent de titel 'Mensenzoon'?

NAK antwoord
Wanneer 'mensenzoon' als titel wordt gebruikt, wordt daarmee niet de zoon van een mens bedoeld, maar een hemels wezen dat over de mensen regeert en oordeelt.
In Jezus' tijd werd in vrome joodse kringen de 'mensenzoon' verwacht, aan wie God de wereldheerschappij zou overdragen. Volgens Johannes 3:13 openbaart Jezus zich als deze mensenzoon, die uit de hemel is neergedaald. In die hoedanigheid heeft Hij de volmacht zonden te vergeven en zalig te maken (vgl. Matt. 9:6).

Noot
'De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.' Luc.19:10

Overdenking
Het Bijbelboek Daniël bevat enkele visioenen die betrekking lijken te hebben op de oorlogen tussen het Seleucidische en het Ptolemeïsche Rijk (tussen Syrië en Egypte). Deze worden gepresenteerd als de aanloop naar het einde van de geschiedenis, en een visioen (Daniël 7) eindigt ermee dat vier wereldrijken, gesymboliseerd door vier dieren, ten einde komen. Daarna luidt het, in een moderne Nederlandse vertaling van het originele Aramees:

Ik zag dat er tronen werden neergezet en dat er een oude wijze plaats nam. Zijn kleed was wit als sneeuw, zijn hoofdhaar als zuivere wol. Zijn troon bestond uit vuurvlammen, de wielen uit laaiend vuur. Een rivier van vuur welde op en stroomde voor hem uit. Duizend maal duizenden dienden hem, tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem. Het hof nam plaats en de boeken werden geopend. ... In mijn nachtelijke visioenen zag ik dat er met de wolken van de hemel iemand kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de oude wijze en werd voor hem geleid. Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te gronde gaan. (Daniël 7.9-14)

In Joodse interpretaties werd de Mensenzoon door sommigen als de Messias geïdentificeerd. De beroemde rabbijn Rabbi Akiva (begin tweede eeuw n.Chr.) is een van de joodse geleerden die het visioen van het door de Mensenzoon te vellen oordeel toeschreef aan de Messias. De woorden voor 'mensenzoon' worden in de betreffende passage niet genoemd, maar rabbi Akiva's uitspraak heeft betrekking op het visioen als geheel, waarin sprake is van 'tronen' (meervoud) die worden opgericht, vandaar dat de 'David' waarnaar hij verwijst als interpretatie van de mensenzoonfiguur wordt opgevat. Hij werd van repliek gediend door rabbi Yose de Galileeër. Het is duidelijk dat de identificatie Mensenzoon=Messias in het Jodendom door sommigen wel en door anderen niet werd aanvaard.

De waarheidsbepaling laat ik aan u.

vraag 115
Zijn er nog andere titels van Jezus?

NAK antwoord
Ja, de Heilige Schrift noemt andere titels van Jezus: 'Immanuël' - 'dienaar van God' - 'zoon van David'.
De Hebreeuwse naam 'Immanuel' betekent 'God met ons'. Jezus Christus draagt de titel 'Immanuél' omdat God in Hem onder de mensen is en hun Zijn hulp aanbiedt.
De aanduiding 'dienaar van God', is in de Heilige Schrift te vinden voor opvallende personen die in dienst van God staan. Wanneer Jezus wordt aangeduid als 'dienaar van God; is dat een verwijzing naar Zijn dienen en lijden voor de mensen.
'Zoon van David' is in het Nieuwe Testament een aanduiding voor Jezus Christus. Reeds aan het begin van het evangelie volgens Matteüs wordt geschreven: 'Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham' (Matt. 1:1). Dat betekent dat in Jezus Christus de beloften in vervulling zijn gegaan die aan David werden gegeven (vgl. 2 Sam. 7; Hand. 13:32-37).

Overdenking
Ik heb geen behoefte hier iets aan toe te voegen.

vraag 116
Op welke wijze heeft Jezus Christus Zijn goddelijke opdracht vervuld?

NAK antwoord
Jezus Christus handelde als koning, priester en profeet.

Bij een koning wordt gedacht aan heersen en regeren. De priester in de oudtestamentische tijd was werkzaam om de mens met God te verzoenen. Een profeet verkondigt de goddelijke wil en voorzegt komende gebeurtenissen. Dit alles heeft Jezus Christus op volmaakte wijze verwezenlijkt.

Overdenking
Ik had de vraag anders gesteld; Op welke wijze heeft Jezus Christus Zijn opdracht vervuld?

vraag 117
Wat betekent: 'Jezus Christus - de koning'?

NAK antwoord
Bij Zijn intocht in Jeruzalem openbaarde Jezus zich als koning van de vrede en rechtvaardigheid. Ook voor Pilatus, een vertegenwoordiger van de wereldmacht Rome, gaf Jezus aan dat Hij koning en getuige van de waarheid was.
Jezus' koningschap heeft echter geen betrekking op aards gezag en uit zich niet in uiterlijk machtsvertoon. Het koningschap van Jezus Christus blijkt uit de volmacht waarmee Hij handelde en de kracht waarmee Hij tekenen en wonderen verrichtte.
De koninklijke waardigheid van Jezus Christus wordt ook benadrukt in de Openbaring van Johannes: Jezus Christus is 'heerser over de vorsten van de aarde' (Openb. 1:5).

Noot
'Pilatus zei: "U bent dus koning?" "U zegt dat Ik koning ben," zei Jezus. "Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat Ik zeg." Joh.18:37

Noot
Belangrijke koningen in de geschiedenis van het volk Israël:
• koning Saul
• koning David
• koning Salomo
• koning Hizkia

Overdenking
Met benoemen van Jezus - de Koning, wordt in meerdere beeldspraken gedaan. Zie ook inleiding 2 en overdenking 114

vraag 118
Wat betekent: 'Jezus Christus - de priester'?

NAK antwoord
De belangrijkste taak van de priester in de oudtestamentische tijd was God offers te brengen en Hem zo genadig te stemmen. Jezus Christus is een priester die boven alle anderen staat, Hij is de ware hogepriester. Hij heeft Zijn zondeloze leven geofferd zodat de mensen uit de geestelijke dood kunnen worden gered en het eeuwige leven kunnen verkrijgen.
Hogepriesters in de oudtestamentische tijd hadden de taak de zonden van de mensen voor de troon van God te brengen. Daartoe betraden ze eenmaal per jaar - op Grote Verzoendag - biddend de heiligste ruimte van de tempel (het 'Allerheiligste'). Jezus Christus hoefde niet met God te worden verzoend zoals de hogepriesters van het Oude Verbond: Hijzelf is de Verzoener en vergeeft zonden.

 ->  offerdood van Jezus: zie vraag 98 e.v., 177 e.v.

Noot
Belangrijke priesters in het Oude Testament:
• Melchisedek
• Aäron
• Eli
• Sadok

Overdenking
Ik zie Jezus meer een profeet (Lucas), in religieus verband een persoon die boodschappen van een godheid doorgeeft, of leraar (Mattheus), door God gestuurd. In al z’n werk. Persoonlijk geef ik de voorkeur voor de ‘betiteling’ van de grote leraar, door God gezonden.

vraag 119
Wat betekent: 'Jezus Christus - de profeet'?

NAK antwoord
God heeft Mozes beloofd: 'Ik zal in hun midden profeten laten opstaan zoals jij. Ik zal hun Mijn woorden ingeven, en zij zullen het volk alles overbrengen wat Ik hun opdraag' (Deut. 18:18). Met deze profeet wordt Jezus Christus bedoeld.
Als profeet verkondigt Jezus Christus de wil van God. Hij wijst de weg die ten leven leidt en openbaart toekomstige gebeurtenissen. In Zijn afscheidsrede belooft Hij de Heilige Geest. In het boek Openbaring onthult Hij het verloop van de heilsgeschiedenis tot aan de nieuwe schepping.
Zijn uitspraken zijn eeuwig geldig: 'Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar Mijn woorden zullen nooit verdwijnen' (Marc. 13:31).

Noot
'Want het zal een tijd zijn van enorme verschrikkingen, zoals er sinds het ontstaan van de wereld tot nu nooit geweest zijn en er ook niet meer zullen komen. En als die tijd niet verkort zou worden, dan zou geen enkel mens worden gered; maar omwille van de uitverkorenen zal die tijd worden verkort.'  Matt. 24:21-22

Noot
'Dan zullen er tekenen zijn aan de zon en de maan en de sterren, en op aarde zullen de volken sidderen van angst voor het gebulder en het geweld van de zee; de mensen worden onmachtig van angst voor wat er met de wereld zal gebeuren, want de hemelse machten zullen wankelen. Maar dan zullen ze op een wolk de Mensenzoon zien komen, bekleed met macht en grote luister. Wanneer dat alles staat te gebeuren, richt je dan op en hef je hoofd, want jullie verlossing is nabij!'
Luc. 21:25-28

Noot
Belangrijke profeten in de geschiedenis van het volk Israël:
• Mozes
• Samuël
• Elia
• Elisa
• Jeremia
• Jesaja
• Johannes de Doper

Overdenking
Ik hou het op overdenking 118

vraag 120
Waar wordt geschreven over de persoon en de werkzaamheid van Jezus Christus?

NAK antwoord

In het Nieuwe Testament wordt in de evangeliën volgens Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes verslag gedaan van het leven en de daden van Jezus Christus. De evangelisten (schrijvers van de evangeliën) wilden echter geen biografie van Jezus schrijven: ze verkondigen veeleer het geloof dat Jezus van Nazareth de Messias is.

 -> Messias: zie vraag 112

Overdenking
In overdenking 118 heb ik al aangegeven hoe Mattheus en Lucas Jezus zien, bij Marcus vindt je de terugkerende vraag; wie was Jezus en bij Johannes ontbreekt de chronologische lijn, maar is meer op de inhoud van Jezus woorden ingericht. Bij Johannes is Jezus; het licht, de enige Zoon, profeet en leraar, de waarheid en het leven.
De ‘apocriefen’ Nag Hamadi boeken geven op hun eigen manier het leven en de daden van Jezus weer. Te denken valt aan het Thomas evangelie en de allegorie:

Handelingen van Petrus en de twaalf Apostelen

Deze allegorie wordt aangeduid met; NHC VI.1 (Nag Hammadi Codices, boek VI, hoofdstuk 1).
Het lezen en bestuderen van dit stuk heeft mijzelf diep geraakt en heeft mij letterlijk een “gaudium evangelii” (de vreugde van het evangelie) gegeven.
 
Zelf ben ik altijd op zoek naar;
- hoe heeft God het bedoeld,
- welke stappen wil hij ons laten maken,
- hoe zijn de woorden uit de Bergrede bedoeld, is voor mij een zeer belangrijke aanwijzing,
- wat wilde Jesjoea van Nazareth (Jezus) ons vertellen en wat is daar van bewaard gebleven, en nog vele van dit soort vragen.

Ongeveer 20 jaar geleden kocht ik de twee delen met de NHC, de eerste uitgave was van 1994. Buiten het Thomas evangelie, ben ik verre weg het meest geraakt door de allegorie met de bovenstaande tekst.  Om de tekst goed te begrijpen heeft ze uitleg nodig en hedendaagse woorden, daarom heb ik het gewaagd de originele Nederlandse vertaling te herschrijven in hedendaags en eenvoudig Nederlands.
[ aanwijzing ] Let goed op de lagen die in het verhaal zitten. 
De allegorie in het Koptisch begint wat stamelend vanwege de beschadigingen aan de gevonden boekdelen. Lang nadat Jezus was gestorven en ten hemel was gevaren vertelt, ‘Petrus’ het volgende verhaal.
De apostelen en ik besloten om te vluchten want het was gevaarlijk geworden. Ondanks dat het gevaarlijk was waren we niet bang want we waren één van hart.  We spraken af dat we samen naar een eiland zouden varen om de opdracht van de heer daar uit te voeren, “de verlossing van de mens”.  Op een geschikt moment gingen we met een boot de zee op, het was alsof de heer de boot voor ons had gereserveerd, want de zeelui wachtten op ons en waren buitengewoon vriendelijk. ”We hadden nu een dag en een nacht gevaren en er stak een storm op, de heer leidde het zo dat we de storm in de rug hadden en kwamen we aan in een kleine stad op een eiland”.  Op deze wijze moesten we de stormen van het leven meemaken. Het was een beetje vreemd eiland, met een ietsje vreemde plaatsnamen. En ik, Petrus, vroeg naar de naam van deze stad bij inwoners op de kade. Eén van hen zei: ‘de naam van deze stad is Woonplaats, dat wil zeggen Vesting van het Verduren’.  Dat betekent eigenlijk dat ons leven, onze woonomgeving, vaak met moeite tot stand komt, dat we veel moeten verduren in ons leven. En nadat we met onze bagage aan land waren gegaan, ging ik in de stad onderdak zoeken.  Er trad een heel vreemd uitgedoste man op ons af.  De man had een linnen doek om zijn middel gebonden en deze was omgord met een gouden gordel.  Er was ook een zweetdoek over zijn borst geknoopt, die ook over zijn schouders hing, en hoofd en handen bedekte.  Ik (Petrus)dacht wat betekent dit?  Na enige overdenking wist ik; ‘de gouden gordel was het teken van goddelijkheid en de zweetdoek liet ons denken aan de overledene (Jezus)’. Ik staarde de man aan, omdat hij zo mooi was van postuur en voorkomen. Op vier plaatsen van zijn lichaam waren (de) kruiswonden te zien:  de zolen van zijn voeten, een deel van zijn borst, de palmen van zijn handen en zijn gezicht.  Hij hield een boekomslag zoals die van mijn boeken in zijn linkerhand.  Een staf van storaxhout (waar medicinale hars uit komt) droeg hij in zijn rechterhand.  Zijn stem weergalmde terwijl hij langzaam sprak en in de stad riep:  'Parels! Parels!'  En dat was niet de roep van een koopman die “aarebeien, verse aarebeien” door de straten schalt, zeker niet.  Terwijl ik naar hem keek, dacht ik dat hij een inwoner van de stad was, riep hij opnieuw: 'Parels! Parels!', het was meer een oproep, meer van “mensen ik heb iets prachtigs voor jullie, leer van mij”.   Ik sprak hem aan: ‘mijn broeder en metgezel!’  Hij antwoordde me toen: ‘je hebt juist gesproken, mijn broeder en metgezel. Wat wil je van mij?”  Ik zei hem: ‘ik vraag je naar onderdak voor mijzelf en ook voor mijn broeders, omdat we hier vreemdelingen zijn’.  Hij zei me: ‘om deze reden heb ook ik zelf daarnet gezegd “mijn broeder en metgezel”, want ik ben hier ook een vreemdeling net als jij’.  En nadat hij dit gezegd had, riep hij weer: ‘Parels! Parels!’  De rijke lui van die stad hoorden zijn stem.  Ze kwamen uit hun dure woningen te voorschijn.  Sommigen keken slechts vanuit de deur van hun huis naar buiten.  Anderen hingen uit hun hoogste raam te kijken.  En ze zagen niet dat het ook voor hen bedoeld was, maar ze vroegen zich af of ze iets aan hem konden verdienen.  Hij droeg geen zak op zijn rug, noch een bundel in zijn kleed en zweetdoek. En omdat ze hem minachten, groetten ze hem niet eens.  Hij, maakte zichzelf niet aan hen bekend.  Zij keerden terug naar hun eigen rijkdommen en zeiden: ‘deze man drijft de spot met ons’ en ze waren zich niet bewust van zijn eeuwige rijkdommen. En de armen  van de stad  hoorden ook zijn stem, en zij kwamen naar de man toe die parels verkoopt en zij zeiden: ‘neem  alsjeblieft de moeite ons de parel te tonen, zodat we die tenminste met onze eigen ogen kunnen zien. Want wij zijn arm en we hebben niet het geld om een parel te betalen.  Maar laat hem ons tenminste zien opdat we onze vrienden kunnen vertellen dat wel met onze eigen ogen een parel hebben gezien.'  Hij  antwoordde hun echter, met: ‘als dat mogelijk is, kom dan naar de stad waar ik woon, zodat ik die parel niet alleen aan jullie zal tonen, maar je die ook voor niets zal geven’. Maar toen de armen van die stad dit hoorden begrepen ze het niet en zeiden: ‘omdat we bedelaars zijn, weten wij maar al te goed dat niemand zomaar een parel aan een bedelaar schenkt, want meestal krijgen we alleen brood en soms wat geld.  De enige gunst die we van je vragen is dat je ons de parel toont.  Dan zullen we trots tegen onze vrienden zeggen dat we met eigen ogen een parel hebben gezien.  Want zoiets is nog nooit vertoond onder de armen, en vooral niet onder bedelaars als wij.'  Hij antwoordde hun echter: ‘Als het mogelijk is, komen jullie dan zelf naar mijn stad, zodat ik jullie niet alleen parels zal laten zien, maar jullie die ook voor niets zal geven’.  De arme bedelaars verheugden zich over de man die geeft om niet, maar ze gingen niet met hem mee.  De mensen vroegen mij, Petrus, naar de moeilijkheden die ze op hun  weg naar die stad zouden ontmoeten.  Ik vroeg naar de ontberingen en  moeilijkheden van die weg.  Maar ik was mij van mijn opdracht als uitlegger bewust en ik wendde me tot de man die de parel aanbood: ‘ik wil graag je naam weten en de moeilijkheden van de weg naar jouw stad kennen.  Want we zijn vreemdelingen en dienaren van God.  Het is noodzaak dat we in iedere stad het woord van God op vredige wijze verspreiden’.  Hij antwoordde en zei: “mijn naam is; Lithargoël”  [voor de lezers uitgelegd, het is een samenvoeging van; lithos (Grieks) = steen, archos (Grieks) = wit blinkend, el (Hebreeuws) = is een goddelijk persoon, m.a.w. een goddelijke parel].  Lithargoël ging verder, en zei: ”en nu wat de weg naar de stad betreft, waarover je me vroeg, daarover kan ik het volgende zeggen:
- Niemand is in staat die weg te gaan, behalve degene die alles wat hij bezit verzaakt en iedere dag onderweg van rustplaats tot rustplaats niets eet en drinkt. 
- Want talrijk zijn de rovers en de wilde dieren op die weg. 
- Wie op deze weg brood meeneemt, zal door de zwarte honden gedood worden vanwege dat  brood. 
- Wie een kostbaar werelds kostuum draagt, zal door de rovers omgebracht worden vanwege dat kostuum. 
- Wie water met zich draagt, zal door de wolven verscheurd worden vanwege dat water, waarnaar ze zo dorstten. 
- Wie behoefte heeft aan vlees en verse groenten, zullen door de leeuwen gedood vanwege dat vlees. 
- En als hij aan de leeuwen weet te ontkomen, dan zullen de stieren hem vertrappen vanwege die verse groenten’.
Toen hij me dit gezegd had, zuchtte ik en zei: “groot  zijn de moeilijkheden op deze weg!  Als Jezus ons maar de kracht kon geven die weg met hem te gaan!”  Hij keek me vragend aan waarom mijn gezicht droevig stond en ik zo zuchtte. En Hij sprak: “waarom zucht je toch, als je inderdaad deze ‘Jezus’ kent en in hem gelooft?.  Hij is een grote macht in het geven van kracht. Want ook ik geloof in de Vader die hem gezonden heeft”. Ik antwoordde: “Wat is de naam van de plaats waar je heen gaat, van jouw stad?”  Hij zei: “de naam van mijn stad is: ‘Negen Poorten’. Laten we God loven nu we ons er rekenschap van geven dat de tiende sfeer de verhevenste is.”    
 ‘Dat doet me aan de hemel denken’, dacht ik (een voorstelling uit die tijd); ‘de hemel heeft tien sferen met een poort voor elke sfeer en voor de volgende sfeer moet je door die poort.
 Bij elke poort staat een wachter die waakt over die volgende hemelsfeer en ons vraagt naar het wachtwoord en dat is; 
 ‘in de naam van de verlosser geloven’, in alle eenvoud; geloven in de verlosser. Waarbij de tiende sfeer God zelf is.
 Hierna ging ik in vrede van hem weg. 

Toen ik (Petrus) op het punt stond mijn vrienden te roepen, zag ik de golven en tegen de grote hoge muren beuken die de oevers van de stad omgeven.  Ik was verwonderd over de grootse dingen die ik zag.  Dan zag ik een oude man zitten en vroeg hem of de naam van deze stad inderdaad ‘Woonplaats van het Verduren’ was.  Hij zei me: “jawel, Woonplaats van het Verduren.  Die naam klopt want we wonen hier omdat we geduldig verduren.” Ik zei: “de mensen hebben terecht de stad zo genoemd, want voor allen die hun beproevingen geduldig verdragen worden zulke steden gebouwd en wordt hiermee een kostbaar koninkrijk opgebouwd, omdat zij te midden van verraad en de benardheden standhouden.  En zo zal een stad worden bereid voor iedereen die de last van zijn geloofsjuk verdraagt.  En hij zal tot het Koninkrijk van de Hemel worden gerekend”.  Ik (Petrus) haastte me om mijn vrienden te gaan roepen zodat we naar de stad konden gaan die Lithargoël ons gewezen had.  Verbonden in het geloof lieten we alles achter, zoals hij ons gezegd had. We ontsnapten aan de rovers omdat ze bij ons geen gewaden van hun gading vonden.  We vermeden de wolven omdat zij geen water bij ons vonden waarnaar ze zo dorstten.  We ontliepen de leeuwen, omdat ze geen verlangen naar vlees in ons troffen.  We ontkwamen aan de honden en de stieren omdat ze vlees noch verse groenten bij ons vonden. Een grote vreugde kwam over ons en de zorgeloze vrede van onze Heer.  We rustten uit voor de eerste poort van de stad met de negen poorten, en we spraken met elkaar over alles wat niets met de verstrooiingen van deze wereld van doen had.  Integendeel, we bleven standvastig ons bezinnen op het geloof. Terwijl we zo de valkuilen van deze weg, die we ontlopen hadden,  zaten te bepraten, kwam plotseling Lithargoël, die er anders uitzag, naar ons toe lopen.  Hij leek op een geneesheer, want hij droeg een zalfdoos onder zijn arm en een jonge leerling droeg een tas vol geneesmiddelen achter hem aan.  En we herkenden hem niet.
Ik (Petrus) nam het woord en zei tegen hem: “we zouden graag willen dat u ons een dienst bewees, want we zijn vreemdelingen hier.  Zou u ons naar het huis van Lithargoël willen brengen, voordat de avond valt?”  Hij zei: “in alle oprechtheid zal ik u dat wijzen. Maar ik ben er verbaasd over dat jullie die goede man kennen.  Hij maakt zich niet zomaar aan iedereen bekend, want hij is zelf de zoon van een grote koning.  Rust een beetje uit terwijl ik verder ga om een zieke man te genezen. Daarna kom ik weer terug”.  Hij spoedde zich heen en keerde weldra weer terug. Hij zei tegen mij: “Petrus!” en ik schrok want hoe kon deze man weten, dat ik Petrus heette?  Ik zei tegen de Verlosser: “hoe kent u mij, want u noemt mij bij mijn naam?”  Daarop antwoordde Lithargoël: “ik wil je vragen wie jou de naam Petrus gegeven heeft?” Ik zei: “het was Jezus, de Zoon van de levende God. Hij gaf mij deze naam. Hij antwoordde: “ik ben het! Herken me Petrus!”
Hij maakte zijn doek los, waarin hij zich voor ons gehuld had en onthulde ons dat hij het werkelijk was, zodat wij ons nog meer bewust waren van onze opdracht. We mochten de stad nog niet in ondanks de moeitevolle weg die we waren gegaan.  We krijgen de opdracht anderen deze weg te wijze en hen daarbij te helpen.  We wierpen ons ter aarde en aanbaden Hem.  Hij strekte Zijn hand uit en beduidde ons op te staan;  “we zijn immers wezensgelijken”, zei Hij.   In alle nederigheid spraken we met Hem.  Onze hoofden waren gebogen in het bewustzijn van onze onwaardigheid, toen we zeiden: “Wat u wenst zullen we doen. Maar geef ons te allen tijde de kracht te doen wat U wenst.” Hij overhandigde ons nu de zalfdoos en de tas uit de handen van de jonge leerling.  Hij droeg ons het volgende op: “ga naar de stad vanwaar jullie gekomen zijn, die Woonplaats van het Verduren genoemd wordt. Onderricht allen die in mijn naam geloven, dat ook ik de moeilijkheden van het geloof heb doorstaan.  Ik zal jullie je beloning geven.  Geef aan de armen van die stad wat ze nodig hebben om van te leven tot ik hun iets veel beters geef waarvan ik jullie al gezegd heb, dat ik het voor niets zal geven.” Ik zei tot Hem: “Heer, U heeft ons geleerd om de wereld en al haar goederen te verzaken.  We hebben daar omwille van U afstand van gedaan.  Maar waar we nu zorg om hebben is het voedsel voor één enkele dag.  Waar zullen we al het benodigde eten vandaan halen, dat U ons vraagt voor de armen te verzorgen?”  De Heer antwoordde en zei: “ach Petrus, begreep je maar de gelijkenis die ik je heb verteld! Begrijp je dan niet dat mijn naam, die je onderwijst, waardevoller is dan alle rijkdommen en dat Gods wijsheid goud, zilver en kostbare edelstenen overtreft?”  Hij gaf mij de medicijnbeurs en zei: “genees alle zieken van die stad die in mijn naam geloven.”  Ik schroomde een tweede keer een tegenwerping tegen hem te maken.  Ik stootte Johannes aan: “Voer jij deze keer het woord!'  Johannes zei: “Heer, tegenover U zijn we schuchter vele woorden te spreken.  Maar U bent het die ons vraagt deze geneeskunde uit te oefenen, hoewel we niet tot dokter zijn opgeleid.  Hoe zullen we dan weten hoe we lichamelijke ziekten moeten genezen, zoals U ons opgedragen heeft? Hij antwoordde hun: “je hebt juist gesproken, Johannes, want ik weet dat de artsen van deze wereld louter de ziekten van deze wereld genezen.  De geneesheren van de ziel daarentegen genezen het hart.  Genees daarom eerst het lichaam, opdat zij, vanwege de geneeskrachten waarmee hun lichamen werden genezen zonder gebruik te maken van wereldse medicijnen, mogen geloven dat jullie ook in staat zullen zijn, hun zielsziekten te helen. Maar de rijken van die stad, zij die mij niet eens groetten, maar die zwelgen in hun welstand en trots zijn, pap niet met hen aan, opdat jullie niet door hun voorliefde worden besmet.  Want velen in de gemeenten hebben voorkeur voor de rijken en zij zijn zondig en zij stimuleren anderen ook te zondigen.  Maar oordeel hen rechtvaardig, opdat jullie missie verheerlijkt mag worden, en ook mijn naam in de gemeenten mag worden verheerlijkt.'  De discipelen antwoordden en zeiden: “ja, waarlijk dit is wat ons te doen staat!”
Wij wierpen onszelf ter aarde en aanbaden hem. 
Hij liet ons opstaan en ging van ons heen, in vrede.   
 Amen

vraag 121
Hoe betrad de Zoon van God het menselijke bestaan?

NAK antwoord
De Zoon van God werd als mens in Bethlehem geboren uit de maagd Maria. Zijn geboorte wordt beschreven in de evangeliën volgens Mattheüs en Lucas. Jezus werd geboren in de tijd dat Herodes in Juda als koning heerste en Augustus in Rome keizer was.
Jezus heeft daadwerkelijk geleefd; Hij is dus een persoon uit de wereldgeschiedenis en niet een personage uit de wereld van de fantasie en sagen.

Overdenking
Jezus is naar alle waarschijnlijk gewoon geboren en getogen in Nazareth. Al het later bedachte vertoon rondom zijn geboorte is nergens voor nodig en maakt voor zijn werkzaamheid hier op aarde niets uit, het voegt feitelijk niets toe waar hij geboren is. Het enige wat dan niet klopt zijn de profetieën, lekker belangrijk.

vraag 122
Wat ging vooraf aan de geboorte van Jezus?

NAK antwoord
De engel Gabriel bracht de maagd Maria de boodschap: 'Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet Hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal Hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan Zijn koningschap zal geen einde komen' (Luc. 1:31-33).
De engel legde Maria ook uit dat ze door de Heilige Geest zwanger werd: 'De Heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God' (Luc. 1:35).

Overdenking
Niets, gewoon een conceptie.

vraag 123
Wie waren de ouders van Jezus?

NAK antwoord
Maria was de biologische moeder van Jezus. Jozef nam Jezus aan als zijn zoon. Daarom wordt Jozef ook genoemd in de stamboom van Jezus.

Noot
'Hij was, zoals algemeen werd aangenomen, de zoon van Jozef. die de zoon was van Eli[ ... ].'  Luc. 3:23

Overdenking
Jozef en Maria.

vraag 124
Wat is overgeleverd over de geboorte van Jezus?

NAK antwoord
Keizer Augustus had een volkstelling verordineerd. Daartoe moest een ieder 'zijn' stad, de plaats van herkomst van zijn familie, opzoeken. Jozef, een nazaat van David, ging daarom met Maria naar de 'stad van David: Bethlehem. Ze kregen daar geen onderdak. Maria bracht haar zoon in een stal ter wereld want zij legde Hem in een voederbak:'[ ... ] ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde Hem in een doek en legde Hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad' (Luc. 2:7).
Uit deze gebeurtenissen blijkt dat God in armoedige omstandigheden mens werd.

Overdenking
Een onnodig nep verhaal.

vraag 125
Wat gebeurde er gelijktijdig met de geboorte van Jezus?

NAK antwoord
Er verschenen engelen die aan herders die op de velden bij Bethlehem bezig waren hun kudde te hoeden, de blijde boodschap verkondigden: '[ ... ] vandaag is in de stad van David jullie redder geboren. Hij is de Messias, de Heer' (Luc. 2:11; vgl. Micha 5:1).
In het evangelie volgens Mattheüs staat dat ook een ster verwees naar de geboorte van Jezus. Wijze mannen (magiërs) uit het oosten waren de ster gevolgd en naar Jeruzalem gekomen om de 'pasgeboren koning' te aanbidden: “Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk Zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om Hem eer te bewijzen” (Matt. 2:2). Ze werden door koning Herodes naar Bethlehem gestuurd'( ... ] en nu ging de ster die ze hadden zien opgaan voor hen uit, totdat hij stil bleef staan boven de plaats waar het kind was (Matt. 2:9).
Deze gebeurtenissen verwijzen naar de uniciteit van de geboorte van de Zoon van God.

Noot
Oriëntaalse geleerden die zich bezighielden met het uitleggen van dromen en de stand van de sterren werden 'magiërs' genoemd.

Overdenking
Knap bedacht, maar wel met een paar foutjes.

vraag 126
Wat gebeurde er na de geboorte van Jezus?

NAK antwoord
Aangezien koning Herodes geloofde dat er in Bethlehem een koning was geboren die hem eenmaal van zijn troon zou stoten, stond hij het kind naar het leven. Hij liet alle jongetjes van twee jaar en jonger in Bethlehem ombrengen (vgl. Matt. 2:16-18).

vraag 127
Hoe behoedde God het kind Jezus?

NAK antwoord
Jozef, de man van Maria, werd door een engel van de Heer in een droom aangespoord met zijn vrouw en kind naar Egypte te vluchten (vgl. Matt. 2:13-14). Na de dood van koning Herodes trokken ze naar Nazareth in Galilea,

vraag 128
Wat is bekend over de kinderjaren van Jezus?

NAK antwoord
In Lucas 2:40 staat dat Jezus opgroeide, wijsheid bezat en dat Gods genade met Hem was (vgl. ook Luc. 2:52). In Lucas 2:41-49 wordt beschreven dat de twaalfjarige Jezus een gesprek met Schriftgeleerden voerde, zij 'stonden versteld van Zijn inzicht en Zijn antwoorden'.

Noot
'Jezus groeide verder op en Zijn wijsheid nam nog toe. Hij kwam steeds meer in de gunst bij God en de mensen.'  Luc. 2:52

Overdenking
Meer als het NAK antwoord is niet beschreven en weten we dus eigenlijk niet.

vraag 129
Wat ging er vooraf aan het leraarschap van Jezus?

NAK antwoord
Jezus liet zich in de Jordaan dopen door Johannes de Doper. Direct na de doop door Johannes daalde de Heilige Geest zichtbaar op Jezus neer. In een stem vanuit de hemel verkondigde God, de Vader: “Jij bent Mijn geliefde Zoon, in Jou vind Ik vreugde'”(Luc. 3:22). Hier werd bekend gemaakt dat Jezus de Zoon van God is.

Overdenking
Niets aan toe te voegen.

vraag 130
Waarom liet Jezus zich door Johannes dopen?

NAK antwoord
Jezus was zonder zonden. Toch liet Hij zich door Johannes, die doopte tot boetedoening, in de Jordaan dopen. Uit deze doop - een uitdrukking van boetedoening - blijkt dat Hij zich vernederde en aan zich liet voltrekken, wat voor de zondaren gold.

Noot
'Jezus antwoordde: "Laat het nu maar gebeuren, want het is goed dat we op deze manier Gods gerechtigheid vervullen."' Matt. 3:15

Overdenking
Hiermee toont Jezus zich een echte leraar, doet voor wat er gedaan moet worden.

vraag 131
Wat gebeurde er na de doop van Jezus?

NAK antwoord
Jezus werd door de Geest naar de woestijn meegevoerd 'om door de duivel op de proef gesteld te worden' (Matt. 4:1). Jezus bleef daar veertig dagen lang en de duivel stelde Hem meerdere keren op de proef. Jezus weerstond de verzoekingen en wees de duivel af. Daarna kwamen er engelen om voor Hem te zorgen (vgl. Matt. 4:11).

Overdenking
De werkelijkheid zal ongetwijfeld anders zijn gegaan, maar de symboliek is duidelijk.

vraag 132
Welke betekenis heeft de verzoeking van Jezus?

NAK antwoord
Door de verzoeking te weerstaan, bewees Jezus, nog voor het begin van Zijn publiekelijke  werkzaamheid, overwinnaar over de duivel te zijn.
De eerste mens, Adam, had de verzoeking van de duivel niet weerstaan. Adam werd een zondaar en met hem alle mensen. Jezus bleef daarentegen zonder zonde. Daarmee schiep Hij de voorwaarde zodat alle zondaren weer tot God kunnen komen.

 -> erfzonde: zie vraag 482

Overdenking
Willen staan in de leer en de wil van God (de Vader) is een proces van vallen en opstaan. Dit staat niet gelijk aan verzocht worden door de duivel (naar mijn opvatting is de duivel een hersenspinsel). Tijdens onze ontwikkeling maken we fouten en tonen we onvolkomenheden. Maar dat is iets anders dan wat de christenheid ‘zonden’ noemt. Deze fouten moeten we niet toewijzen aan een persoonlijkheid buiten ons maar aan ons zelf wijten of het tolereren/accepteren.

vraag 133
Op welke leeftijd begon Jezus met onderwijzen?

NAK antwoord
Toen Jezus ongeveer 30 jaar was begon Hij met Zijn onderwijs in Galilea (vgl. Luc. 3:23).

Overdenking
Eigenlijk heb ik hier niets aan toe te voegen.

vraag 134
Wat staat centraal in de leer van Jezus?

NAK antwoord
Centraal in de leer van Jezus staat de verkondiging van het koninkrijk van God: 'De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws' (Marc. 1:15).

Overdenking
Logion 113 (Thomas evangelie)
Zijn leerlingen vroegen hem:
Wanneer komt het Koninkrijk? Jezus zei:
“De komst van het Koninkrijk is niet in de toekomst te verwachten:
Zij zullen niet zeggen: 'Kijk, hier is het' of 'Kijk, daar is het.'
Nee, het Koninkrijk is al uitgebreid op de aarde en de mensen zien het niet”.

Lucas 17:20-21
Toen de Farizeeën Jezus vroegen wanneer het koninkrijk van God zou komen, antwoordde hij hun: “De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, 21 en men kan niet zeggen: "Kijk, hier is het!" of: "Daar is het!" Maar weet wel: het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.”

Ook hier logion 113 en Luc. 17:20-21, de andere betekenis van; denk nou niet in termen van de dat de hemel aan de andere kant van het kristallen meer ligt, maar besef dat het binnen je bereik ligt en ga zien door anders te kijken/zoeken.

Vraag 135
Wat betekent 'koninkrijk van God'?

NAK antwoord
Het 'koninkrijk van God' is niet een staatkundig gebied, geen politiek territorium. Met 'koninkrijk van God' wordt aangegeven dat God onder de mensen aanwezig is en regeert.

In de persoon van Jezus Christus, de Zoon van God, is het 'koninkrijk van God' naar de mensen toe gekomen (vgl. Luc. 17:21). Jezus Christus regeert, Hij schept rechtvaardigheid, Hij schenkt genade, Hij richt zich tot de armen en degenen die hulp nodig hebben, Hij brengt heil.
'Koninkrijk van God' heeft ook een toekomstige betekenis - het zal beginnen met de 'bruiloft van het Lam' en zal in de nieuwe schepping eeuwig bestaan (vgl. Openb. 21:1-3).

 ->  bruiloft van het Lam:  zie vraag 566 e.v.

 ->  Vredesrijk: zie vraag 575 e.v.

 ->  nieuwe schepping: zie vraag 581

 ->  'Uw koninkrijk kome': zie vraag 635

Noot

In het evangelie volgens Matteüs wordt voor 'koninkrijk van God' het begrip 'koninkrijk van de hemel' met dezelfde betekenis gebruikt.
'Koninkrijk van God' is de aanduiding voor de aanwezigheid en de heerschappij van God onder de mensen. Het kon worden waargenomen in de tijd van Jezus.
Ook in onze tijd is het 'koninkrijk van God' aanwezig, het is waarneembaar in de kerk van Christus, waarin Jezus Christus werkzaam is - dus in woord en sacrament.
Anderzijds wordt het toekomstige 'koninkrijk van God' nog verwacht. Dit zal aanwezig zijn bij de 'bruiloft van het Lam', in het Vredesrijk en in de nieuwe schepping.

Overdenking
zie overdenking 134

vraag 136
Wat betekent 'boete doen'?

NAK antwoord
'Boete doen' betekent zich afwenden van het kwaad en zich wenden tot God. Wie boete doet, is bereid zijn gezindheid te veranderen om Gods wil te vervullen.

Overdenking
Waarvoor? Welk kwaad? (onze onvolkomenheden!) Met een deel van de laatste zin ben ik het eens; Wie  bereid zijn gezindheid te veranderen om Gods wil te vervullen.

vraag 137
Wat betekent 'evangelie'?

NAK antwoord
'Evangelie' betekent 'blijde boodschap; 'goed nieuws'. Het is de boodschap van de genade, liefde en verzoening die God de mens schenkt in Jezus Christus.

Overdenking
Niets aan toe te voegen.

vraag 138
Hoe verhoudt Jezus zich tegenover de wet van Mozes?

NAK antwoord
De wet van Mozes was voor het volk Israël in strenge mate bindend. Het vervullen van de wet werd gezien als voorwaarde voor een juiste verhouding van de mens tot God. Jezus maakte duidelijk dat Hij een hogere autoriteit bezit dan Mozes en heer over de wet is. Hij vatte de wet samen in het ene gebod: heb God lief en uw naaste als uzelf (vgl. Matt. 22:37-40).

Noot
'Denk niet dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen.' Matt. 5:17
'Hij [Jezus] antwoordde: "Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de wet en de profeten staat."  Matt. 22:37-40

Overdenking
Helemaal mee eens.

vraag 139
Wat was een van Jezus' eerste daden tijdens Zijn leraarschap?

NAK antwoord
Jezus riep Zijn leerlingen (vgl. Marc. 1: 16 e.v.): 'Hij stelde twaalf van hen aan als apostel; ze moesten Hem vergezellen, en Hij wilde hen ook uitzenden om het goede nieuws bekend te maken' (Marc. 3:14).

Noot
Leerlingen van Jezus zijn mensen die het evangelie in woord en daad navolgen.

Overdenking
Een gezochte vraag.

vraag 140
Welke wonderen verrichtte Jezus?

NAK antwoord
De Zoon van God deed verschillende wonderen: Hij genas zieken, dreef onreine geesten uit, wekte doden op en verrichtte natuur-, spijzigings- en schenkingswonderen.

Overdenking
zie overdenking 141

vraag 141
Waarom verrichtte Jezus wonderen?

NAK antwoord             
Jezus verrichtte wonderen om te laten zien dat God zich in Hem als de Almachtige en Liefhebbende barmhartig ontfermt over de lijdende mens. De wonderen openbaren de luister van Gods Zoon en Zijn goddelijke volmacht.

Overdenking
Het wonder van het geloof, dat is wat anders dan een kunstje doen, want daar kwam Jezus niet voor, hij bracht ons het wonder van het geloof. Veel mensen zien de wonderen, die Jezus deed, als een soort tovenarij, en dat staat ook wel in de bijbel, maar nogmaals daar kwam Jezus niet voor, de mensen zijn daar veel te veel op gefixeerd, ook de Bijbel verhelen. Wat ik bedoel met het wonder van het geloof leg ik uit aan de hand van een samengestelde uitleg ‘hij legde hun de handen op’ van Eugen Drewermann. Velen zullen deze uitleg als een teleurstelling ervaren, maar het is ‘wake-up call’.

De wijsgeren uit de oudheid zeiden: “Verwondering is het begin van alle wijsheid.”
En zij hadden gelijk! Galileï verwonderde zich er over hoe het kwam dat een appel die van een boom valt loodrecht op de aarde valt. En hij ontdekte dat het dezelfde krachten zijn die maken dat een appel op de grond valt en dat de planeten hun baan om de zon beschrijven en de zonnen de hunne om het centrum van het melkwegstelsel waarin zij zich bevinden.
James Watt verwonderde zich er over dat een deksel van een overkokende pan water op en neer trilt en op grond van die waarneming vond hij de stoommachine uit. Miljoenen mensen uit duizenden generaties hebben vóór Galileï appels van de bomen zien vallen, maar niemand die zich er zo over heeft verwonderd als Galileï.
Alle kennis en alle wijsheid begint met de verwondering. Het vermogen zich te verwonderen is de fundamentele eigenschap van alle onderzoekers, wetenschappers en ontdekkers. Het is dat ook van wie gelooft. Alleen volstrekt afgestompte geesten houden op met zich te verwonderen. Het is zelfs een onmiskenbare aanwijzing van psychische veroudering en verstening, als we er al meer toe geneigd raken de dingen om ons heen voor vanzelfsprekend te verslijten en ze daarmee hun wondergehalte te ontnemen. Want niets om ons heen is vanzelfsprekend. Elke cel aan het uiteinde van een haar herbergt meer wijsheid dan ons verstand bij machte is zich voor te stellen.

Jezus moet de wonderbaarlijke eigenschap bezeten hebben als hij met mensen sprak hun het vertrouwen over te brengen dat zij iets te zeggen hadden en hen uit te nodigen dit dan ook te zeggen - al die dingen die niemand ooit van hen heeft willen horen, die mogen zij naar voren brengen, en meedelen. Het is het wonder van het luisteren, begeleiden, aanvaarden, accepteren, bevestigen, aangrijpen wat tot uitdrukking wil komen, net zo lang tot de ander merkt en ervaart dat het toch helemaal niet van welke grond ontbloot was wat hij gevoeld en gewild heeft.
Waar wij iets dergelijks meemaken bespeuren we iets van de genade die zich uitbreidt in deze wereld. Wij kunnen alleen maar dankbaar zijn voor het fundament van ons leven, voor de vergroting van ons innerlijk, voor de openheid tegenover alles wat ons omgeeft. Als wij ooit vanuit God iets weten te zeggen dat hout snijdt, dan in ieder geval in samenhang met zulke momenten van het wonderbare, het genezende, de ontmoeting met elkaar.

In het Nieuwe Testament is zo nu en dan sprake van mensen die Jezus om een wonder vragen. Het is opvallend, dat zij dan dikwijls als antwoord krijgen: 'De Heer kon hier geen wonder doen, omdat men hem niet geloofde.' Wie elk vermogen tot verwondering heeft verleerd en is kwijtgeraakt, die kan zelfs God niet meer met een wonder van dienst zijn, zo min als men in een restaurant iemand die aan een maagkwaal lijdt nog een plezier doet met het beste diner dat op tafel gebracht kan worden. Alleen wie zich verwondert leert het wonder kennen. Die instelling van verwondering en nieuwsgierigheid, en dankbaarheid, is het die de gelovige en de onderzoeker met elkaar delen. Het is die eigenschap die ons mensen maakt.

Het is onze taak en opdracht de kleine rode draden van Gods leiding op te sporen en het kleine weefsel te ontwarren van een groeiend vertrouwen. Alles wat Jezus verlangde van hen die hij uitzond of die zich in navolging van hem op hem beriepen heeft alleen dit ene tot doel: de kudde die geen herder heeft te zoeken, vol erbarmen te zoeken wat verloren is. Onvoorstelbaar groot zal de oogst zijn aan verdriet, aan nood, aan zoeken. En er zal geen andere wég zijn dan allereerst stem te geven aan het nimmer gezegde, voelbaar te maken wat gevoelloos geworden is in de kilte van gebrek aan interesse en betweterij. Dan was er heel wat werk te verrichten, dan zal er één groot erbarmen neerdalen over de mensen in deze wereld. Mensen kunnen nog zo ziek schijnen, ze mogen nog zulke verkeerde dingen doen, geloof te schenken aan de mens is wellicht het grootste goed dat wij bezitten. Ik durf te stellen dat wie dit niet meer kan zelfs niet meer het instinct bezit Gods bestaan te wensen.

Zo is het. Religie wordt geboren uit menselijkheid. Geloof uit liefde. Vertrouwen uit goedheid. En alle piëteit uit de wijze waarop wij met elkaar omgaan, vooral de wijze waarop wij met elkaar spreken. Wij zouden, als we er alleen maar een aanvang mee maakten dit te begrijpen, veel zachter, veel vriendelijker met elkaar spreken. Dat is een spanning die in het hele evangelie hoorbaar is. Dit is het wonder dat Jezus ons gaf, om in navolging van hem ook aan de ander te schenken.

vraag 142
Welke genezingen van zieken worden vermeld in de evangeliën?

NAK antwoord
In de evangeliën staat dat Jezus blinde, verlamde, dove en melaatse mensen genas. Deze genezingen verwijzen naar het goddelijke wezen van Jezus Christus, die handelde overeenkomstig Gods toezegging aan Israël: 'Ik, de Heer, ben het die jullie geneest' (Ex. 15:26). De genezingswonderen hangen altijd nauw samen met het geloof van de betreffende mensen (vgl. bijv. Luc. 18:35-43).

Overdenking
Zie overdenking 141 en zie ook hoe de kerk meegaat in het nadruk leggen van wonderen(?).

vraag 143
Wat wordt geschreven over de uitdrijving van onreine geesten door Jezus?

NAK antwoord
In de evangeliën staat dat Jezus onreine geesten uitdreef - die volgens de voorstelling van die tijd ook de veroorzakers van ziektes waren - en zo mensen genas. Jezus Christus werd zelfs door de demonen als Heer beschouwd (vgl. Marc. 3:11).

Noot
In het Nieuwe Testament worden met 'demonen' boosaardige, antigoddelijke geesten aangeduid die volgens het antieke begrip mensen probeerden te beheersen en ziektes veroorzaakten.

Overdenking
Zie overdenking 142

vraag 144
Welke opwekkingen van doden worden in de evangeliën beschreven?

NAK antwoord
In de evangeliën worden drie gevallen beschreven waarin de Heer gestorven mensen terugriep in het leven: de dochter van Jaïrus (vgl. Matt. 9:18-26), de jongeman uit Naïn (vgl. Luc. 7:12-15) en Lazarus, de broer van Maria en Marta (vgl. Joh. 11:1-44).
De opwekkingen uit de dood maken duidelijk dat Jezus Christus ook heer over de dood is. Ze wijzen tegelijkertijd op de hoop dat ooit de doden zullen opstaan om eeuwig te leven.

Overdenking
Zie overdenking 142

vraag 145
Welke natuurwonderen worden in de evangeliën beschreven?

NAK antwoord
Jezus had macht over de wind en de zee, ze gehoorzaamden Hem ( vgl. Matt. 8:27). Er stak een storm op en toen Hij de storm toesprak, kwamen de wind en het water tot rust. Daarmee werd Jezus' macht over de elementen zichtbaar.
De heerschappij van Jezus over het natuurgeweld onderstreept dat Gods Zoon net als God, de Vader, schepper is (vgl. Joh. 1:1-3).

Overdenking
Zie overdenking 142

vraag 146
Welke spijzigingswonderen worden in de evangeliën beschreven?

NAK antwoord
In alle evangeliën wordt geschreven over het wonder dat Jezus vijfduizend mensen met vijf broden en twee vissen voedde (vgl. bijv. Marc. 6:30-44). In de evangeliën volgens Matteüs en Marcus wordt bovendien de spijziging van de vierduizend mensen beschreven (vgl. Matt. 15:32-39 en Marc. 8:1-9).
Deze wonderen verwijzen naar God die het volle Israël tijdens de tocht door de woestijn met voedsel (manna) verzorgde. Verder verwijzen deze gebeurtenissen naar het Heilig Avondmaal.

Overdenking
Zie overdenking 142

vraag 147
Welke schenkingswonderen worden in de evangeliën beschreven?

NAK antwoord
Jezus verrichtte ook wonderen waarin mensen een overvloed van aardse gaven ontvingen. Een voorbeeld voor zo'n schenkingswonder is de overvloedige visvangst van Petrus. Hij had samen met andere vissers een hele nacht gewerkt zonder iets te hebben gevangen. Op Jezus' woord wierpen de vissers hun netten opnieuw uit en ze vingen zo'n enorme school vissen dat de netten dreigden te scheuren en de boten bijna zonken (vgl. Luc. 5:1-11).
Bij de bruiloft in Kana maakte Jezus uit water wijn (vgl. Joh. 2:1-11). Ook dit is een schenkingswonder en een teken van de goddelijkheid van Jezus Christus.

Overdenking
Zie overdenking 142

vraag 148
Hoe maakte Jezus de mensen vertrouwd met Zijn leer?

NAK antwoord
Jezus predikte voor de mensen. Zijn bekendste prediking is de Bergrede die is overgeleverd in het evangelie volgens Mattheüs.  Aan het begin van de Bergrede staan de 'zaligsprekingen'.

Noot
De zaligsprekingen:
Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.
Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden.
Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten.
Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien.
Gelukkig de vredestichters, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.
Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van Mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten.'  Matt. 5:3-11

Overdenking
Uit mijn serie De Bergrede een stukje over de zaligsprekingen. 

Mattheüs 5:1-2
Toen hij de mensenmassa zag, ging hij de berg op. Daar ging hij zitten met zijn leerlingen om zich heen. Hij nam het woord en onderrichtte hen.

Mattheüs beschrijft dat Jezus een berg op ging. Het verhevene van een berg kennen we van meerdere plaatsen in het OT. Een berg als plaats van de verkondiging van Gods wil heeft een niet te verwaarlozen achtergrond in de geschiedenis van Mozes op de berg Horeb (Ex.19:24). Het is niet toevallig en kan op het vervullingskarakter van de Godsopenbaring in Jezus wijzen, wanneer hier een grote verzameling uit het volk samen met zijn discipelen mee de berg beklimt.

Statenvertaling (vanwege het herhaalde gebruik van het woord;  zalig, (Mattheus 5:3-11)
3 Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
4 Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.
5 Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.
6 Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.
7 Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.
8 Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.
9 Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
10 Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
11 Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.

In dit gedeelte spreekt Jezus negen keer het 'zalig' (gelukkig) uit. Vers 10 en 11 horen eigenlijk bij elkaar zodat er acht verschillende zaligsprekingen zijn. De eerste vraag die hier naar voren komt is: Wat wordt er bedoeld met 'zalig'? Het Griekse woord 'makarios' kan vertaald worden met 'gelukkig'. Omdat 'gelukkig zijn' een gevoelstoestand is en zeer aan schommelingen onderhevig is. Het gaat er hier meer om wat God zegt dat ze zijn: ze zijn zalig en ze zijn gezegend (ook al 'voelen' ze dit niet altijd). Een betere verklaring is daarom ook: 'gelukkig te prijzen'. Het is de blijdschap, het geluk, dat diegene bezit, die part heeft aan Gods ‘zaligheid’.

De zaligsprekingen  
De zaligsprekingen zijn geen losse reeks van spreuken, er zit volgorde in. Het is ook niet toevallig dat de zaligsprekingen beginnen met:   
Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. (Statenvertaling)
Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel. (NBV)

Wat wordt er bedoeld met; arm van geest of nederig van hart zijn?
 
Onder  "arm" kan in beide testamenten een brede reeks aan betekenissen gelezen worden. Het Oude Testament gebruikt vijf verschillende woorden uit de Hebreeuwse taal, terwijl het Nieuwe Testament er twee vanuit de Griekse taal gebruikt. Deze zeven zijn echter in een groot aantal Nederlandse woorden vertaald. Behalve dat ze armoede beschrijven, komen ze ook voor in een verband die duidt op onderdrukking, nederigheid, weerloos zijn, lijden, behoeftig zijn, zwak, mager, laag, afhankelijk en in sociaal opzicht minderwaardig.

Arm van geest heeft ook niet te maken met het gewoon 'arm' zijn in economische zin. Sommigen hebben gemeend dat Luk. 6:20: "Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God" (dus zonder 'van geest'), aangeeft waarom het werkelijk gaat en dat Matteüs deze uitspraak vergeestelijk heeft. De rijken zouden er dan 'automatisch' slecht aan toe zijn (Luk. 6:24 en 25). Toch is dit eveneens niet Bijbels te funderen. Arm zijn, in economische zin, is geen voorwaarde om geestelijk gezegend te worden (zie ook Spr. 30:8) terwijl rijkdom niet noodzakelijk een beletsel is om bij de Heer te horen. Abraham, Job en Jozef van Arimathea waren 'rechtvaardigen' in Bijbelse zin en tegelijk rijk in materiële zin.

Ook Jezus was, in zekere zin, arm van geest. Niet in de zin dat Hij van zichzelf wist dat Hij geestelijk bankroet was, dat zeker niet. Wel in de zin dat Hij zich afhankelijk wist van de Vader. "Ik kan van Mijzelf niets doen" (Joh. 5:30, 5:19) en Joh. 8:28. Zie verder ook Joh. 14:10. “Geloof je niet dat ik in de Vader ben, en dat de Vader in mij is? Wat ik tegen jullie zeg, zeg ik niet op eigen gezag, maar op gezag van de Vader die in mij woont en door mij werkt.”
Wat een belangrijke les ligt hierin voor iedere christen!

vraag 149
Wat verstaan wij onder de zaligsprekingen van Jezus?

NAK antwoord
De zaligsprekingen uit de Bergrede van Jezus staan in het evangelie volgens Matteüs. Jezus toont daarmee aan hoe men kan delen in het 'koninkrijk van de hemel' dat in Hem werkelijkheid is geworden. Mensen worden door Hem als 'zalig' (gelukkig) gekenmerkt, als ze leven zoals in de zaligsprekingen staat.

 -> koninkrijk van de hemel: zie vraag 135 en de toelichting bij vraag 135

Overdenking
zie overdenking 148

vraag 150
Hoe maakte Jezus het evangelie begrijpelijk?

NAK antwoord
Jezus sprak vaak in gelijkenissen, dus in beeldende verhalen. Deze verhalen zijn ontleend aan het dagelijks leven van de toehoorders zodat ze eenvoudig te begrijpen waren. Met de gelijkenissen veraanschouwelijkte Jezus belangrijke aspecten van het evangelie.
In de eerste drie evangeliën zijn meer dan 40 gelijkenissen overgeleverd.

Noot
'Al deze dingen zei Jezus in gelijkenissen tot de menigte; Hij sprak uitsluitend in gelijkenissen tot hen. Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet: "Ik zal het woord nemen en spreken in gelijkenissen; Ik zal bekendmaken wat sinds de grondvesting van de wereld verborgen was.'" Matt. 13:34-35

Overdenking
Het antwoord is wat mij betreft prima, alleen wat moet de noot er achter?, heeft het meerwaarde als een profeet dit voorspeld heeft? Ik denk van niet

vraag 151
Welke belangrijke aspecten van het evangelie worden in de gelijkenissen aanschouwelijk gemaakt?

NAK antwoord
In de gelijkenissen veraanschouwelijkte Jezus belangrijke uitspraken over het koninkrijk van God, het gebod van de naastenliefde, de gezindheid van de mensen en de komst van de Mensenzoon.

 ->  koninkrijk van God:  zie toelichting bij vraag 135

 ->  Mensenzoon: zie vraag 114

Overdenking
‘t Ja, waar leg je de nadruk? De algemene christenheid en dus ook de NAK legt hier vaak de accenten verkeerd.

vraag 152
Hoe legde Jezus het begin en de groei van het koninkrijk van God uit?

NAK antwoord
Jezus legde dit uit aan de hand van de gelijkenis van het mosterdzaadje. Hij liet daarmee het bescheiden begin van het koninkrijk van God en de groei ervan zien.

Noot
'"Het is weliswaar het kleinste van alle zaden, maar het groeit uit tot de grootste onder de planten. Het wordt een struik, en de vogels van de hemel komen nestelen in de takken." Hij vertelde hun een andere gelijkenis:
"Het koninkrijk van de hemel lijkt op zuurdesem die door een vrouw met drie zakken meel werd vermengd tot alle meel doordesemd was."' Matt. 13:31-33

Overdenking
‘t Is maar wat je onder het koninkrijk van God verstaat. En met name de groei. De kerk maakt de keuze over het aantal mensen wat wordt toegevoegd. Ik kies hier voor de individuele groei. Hoe kan een mens groeien door de vonk van het geloof.

vraag 153
Hoe legde Jezus uit dat met het koninkrijk van God iets wordt aangeboden wat zeer waardevol is?

NAK antwoord
In de gelijkenis van de waardevolle parel wordt gewezen op de mens die de in Jezus Christus verborgen rijkdom onderkent en aanneemt en al het andere daarvoor opgeeft. Jezus onderstreept dit op een andere plaats met de oproep: 'Zoek liever eerst het koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid' (Matt. 6:33).

Noot
'Het is met het koninkrijk van de hemel als met een schat die verborgen lag in een akker. Iemand vond hem en verborg hem opnieuw, en in zijn vreugde besloot hij alles te verkopen wat hij had en die akker te kopen. Ook is het met het koninkrijk van de hemel als met een koopman die op zoek was naar mooie parels. Toen hij een uitzonderlijk waardevolle parel vond, besloot hij alles te verkopen wat hij had en die te kopen.' Matt. 13 :44-46

Noot
'Zoek liever eerst het koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden.' Matt. 6:33

Overdenking
Eerst moet het begrip bijgebracht worden wat is het koninkrijk Gods, alvorens men kan begrijpen wat belangrijk is. De kerk laat hier een kans liggen, ze herhaalt Bijbelse teksten maar die vragen uitleg en benadrukking. 
Zie ook overdenking 134.

vraag 154 Hoe legde Jezus de liefde uit die in het koninkrijk van God heerst? NAK antwoord Jezus legde met de gelijkenis van het verloren schaap uit dat God zich om alle mensen bekommert, ook om degenen die ogenschijnlijk verloren zijn. In de gelijkenis van de verloren zoon wordt Gods liefde voor de zondaar duidelijk gemaakt.

Noot 'Jezus vertelde hen toen deze gelijkenis: "Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot hij het gevonden heeft? En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol vreugde op zijn schouders en gaat hij naar huis. Daar roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tegen hen: "Deel in mijn vreugde, want ik heb het schaap gevonden dat verdwaald was." Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben."' Luc. 15:3-7

Overdenking In Godsdomein heerst liefde, met andere woorden hoe zou daar ‘onliefde’ kunnen binnentreden? Dat gaat niet, dat verdraagt elkaar niet. Hiermee ligt dus ook de taak van het ‘waardig’ worden vast!

vraag 155 Welke gelijkenis is een oproep om naastenliefde in praktijk te brengen?

NAK antwoord Het belangrijkste gebod is God en de naaste lief te hebben. In het verhaal over de barmhartige Samaritaan legt Jezus op aanschouwelijke wijze uit wie de naaste is en dat naastenliefde betekent hulp te bieden en niet de ogen voor de nood van anderen te sluiten. -> gebod van de liefde: zie vraag 282 e.v.

Noot 'Toen vertelde Jezus hem het volgende: "Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten. Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen, liep hij met een boog om hem heen. Er kwam ook een Leviet langs, maar bij het zien van het slachtoffer liep ook hij met een boog om hem heen. Een Samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde. De volgende morgen gaf hij twee denarie aan de eigenaar en zei: "Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden.""' Luc. 10:30-35

Overdenking Helemaal mee eens!

vraag 156 Welke gelijkenissen gaan over de gezindheid van de mens?

NAK antwoord De gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar maakt duidelijk dat degene die rechtvaardig wordt gemaakt niet degene is die roemt op wat hij kan, heeft en is, maar degene die zich nederig tot God wendt en genade zoekt. De gelijkenis van de slechte dienaar roept degenen die Gods genade hebben ontvangen op anderen eveneens genadig tegemoet te treden. Wie zich bewust is van de grootheid van Gods liefde, verlangt naar verzoening met de naaste. Noot 'Met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten, vertelde Hij de volgende gelijkenis. "Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden, de een was een farizeeër en de ander een tollenaar. De farizeeër stond daar rechtop en bad bij zichzelf: "God, ik dank U dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar. Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af." De tollenaar echter bleef op een afstand staan en durfde niet eens zijn blik naar de hemel te richten. In plaats daarvan sloeg hij zich op de borst en zei: "God, wees mij zondaar genadig”. "Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar die ander niet. Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden."' Luc. 18:9-14

Noot Daarop kwam Petrus bij Hem staan en vroeg: "Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken? Tot zevenmaal toe?" Jezus antwoordde: "Niet tot zevenmaal toe, zeg Ik je, maar tot zeventig maal zeven. Daarom is het met het koninkrijk van de hemel als met een koning die rekenschap wilde vragen van zijn dienaren. Toen hij daarmee begonnen was, bracht men iemand bij hem die hem tienduizend talent schuldig was. Omdat hij niets kon terugbetalen, gaf zijn heer bevel dat de man samen met zijn vrouw en kinderen en alles wat hij bezat verkocht moest worden, zodat de schuld kon worden ingelost. Toen wierp de dienaar zich aan de voeten van zijn heer en smeekte hem: "Heb geduld met mij, ik zal u alles terugbetalen." Zijn heer kreeg medelijden, hij liet hem vrij en schold hem de geleende som kwijt. Toen deze dienaar naar buiten ging, trof hij daar een van de andere dienaren, die hem honderd denarie schuldig was. Hij nam hem in een wurggreep en beet hem toe: "Betaal me alles watje me schuldig bent!" Toen wierp deze zich voor hem neer en smeekte hem: "Heb geduld met mij, ik zal je betalen." Maar hij wilde daar niet van weten, integendeel, hij liet hem gevangenzetten tot hij de hele schuld zou hebben afbetaald. Toen de andere dienaren begrepen wat er gebeurd was, waren ze zeer ontdaan, en gingen ze naar hun heer om hem alles te vertellen. Daarop liet zijn heer hem bij zich roepen en hij zei tegen hem: "Je bent een slechte dienaar. Heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je me erom smeekte. Dan had jij toch zeker ook medelijden moeten hebben met die andere dienaar, zoals ik medelijden heb gehad met jou?" En zijn heer was zo kwaad dat hij hem in handen van de gerechtsbeulen gaf tot hij de hele schuld zou hebben terugbetaald. Zo zal Mijn hemelse Vader ook ieder van jullie behandelen die zijn broeder of zuster niet van harte vergeeft."' Matt. 18:21-35 Overdenking Helemaal mee eens, zie ook overdenking 120

vraag 157 Wat openbaarde Jezus in de gelijkenissen van de komst van de Mensenzoon?

NAK antwoord In de gelijkenissen van de komst van de Mensenzoon sprak Jezus Christus over Zijn wederkomst. In Matteüs 24:37-39 wordt een vergelijking getrokken tussen de tijd voor Jezus' wederkomst en de tijd van Noach. De conclusie is dat de wederkomst van Christus plotseling en verrassend zal plaatsvinden. De gelijkenis van de wijze en dwaze meisjes heeft dezelfde boodschap (vgl. Matt. 25: 1-13): de les die wij hieruit kunnen trekken, is om te waken en bereid te zijn voor de wederkomst van de Heer.

Noot 'Zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het zijn wanneer de Mensenzoon komt. Want zoals men in de dagen voor de vloed alleen maar bezig was met eten en drinken, met trouwen en uithuwelijken, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging, en zoals men niet wist dat de vloed zou komen, totdat die kwam en iedereen wegnam, zo zal het ook zijn wanneer de Mensenzoon komt.' Matt. 24:37-39

Noot 'Dan zal het met het koninkrijk van de hemel zijn als met tien meisjes die hun olielampen hadden gepakt en eropuit trokken, de bruidegom tegemoet. Vijf van hen waren dwaas, de andere vijf waren wijs. De dwaze meisjes hadden wel hun lampen gepakt, maar geen extra olie. De wijze meisjes hadden behalve hun lampen ook olie in kruiken bij zich. Omdat de bruidegom op zich liet wachten, werden ze allemaal slaperig en dommelden ze in. Midden in de nacht klonk er luid geroep: "Daar is de bruidegom! Kom, ga hem tegemoet." Dat wekte de meisjes en ze brachten hun olielampen in orde. De dwaze meisjes zeiden tegen de wijze: "Geef ons wat van jullie olie, want onze lampen gaan al uit." De wijze meisjes antwoordden: "Nee, straks is er nog te weinig voor ons en jullie samen. Zoek liever een verkoper en koop zelf olie." Terwijl zij op olie uit waren, arriveerde de bruidegom, en zij die klaarstonden gingen met hem naar binnen voor het bruiloftsfeest, waarna de deur gesloten werd. Enige tijd later kwamen ook de andere meisjes. Ze riepen: "Heer, heer, laat ons binnen!" Maar hij antwoordde: "Ik ken jullie werkelijk niet." Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag en op welk tijdstip Hij komt.' Matt. 25:1-13

Overdenking zie overdenking 134

vraag 158 Met welke zinnebeelden beschreef Jezus zichzelf en wat is de betekenis hiervan?

NAK antwoord In het evangelie volgens Johannes staan uitspraken van Jezus die worden aangeduid als 'zinnebeelden'. Jezus brengt hiermee Zijn wezen tot uitdrukking. Zeven markante uitspraken van Jezus beginnen met de woorden 'Ik ben'. Hij spreekt beeldend over zichzelf als 'brood dat leven geeft' (Joh. 6:35), 'licht voor de wereld' (Joh. 8:12), 'deur' van de redding (Joh. 10:9), 'Goede Herder' (Joh. 10:11) en 'wijnstok' (Joh. 15:5). Bovendien noemt Jezus Christus zichzelf' de opstanding: 'de weg, de waarheid en het leven' (Joh. 11:25; 14:6). Dat betekent dat alleen Jezus de toegang tot God, de Vader, mogelijk maakt. Hij is de oorsprong van het heil.

Overdenking Ik zou de laatste twee zinnen echt weglaten, mij te aanmatigend en helemaal niet nodig.

vraag 159 Welke leerlingen waren Jezus bijzonder toegedaan?

NAK antwoord De twaalf apostelen waren Jezus in het bijzonder toegedaan en met hen onderhield Hij een bijzondere vertrouwensband:

• Toen andere leerlingen Jezus niet begrepen en Hem niet meer navolgden, bleven de apostelen bij Hem en beleden dat Hij de Christus was (vgl. Joh. 6:66-69).

• Alleen de apostelen waren bij Hem toen Hij het Heilig Avondmaal instelde (vgl. Luc. 22:14 e.v.).

• Jezus gaf de apostelen door hun de voeten te wassen een voorbeeld van nederig dienen (vgl. Joh. 13:4 e.v.).

• Hij wendde zich tot de apostelen in Zijn afscheidsrede voor Zijn dood, die is overgeleverd in Johannes 13-16, en beloofde hun de Heilige Geest.

• Aan de apostelen gaf Hij de belofte van Zijn wederkomst (vgl. Joh. 14:3).

• Hij toonde zich na Zijn opstanding herhaaldelijk aan de apostelen (vgl. Hand. 1:2-3).

• Voor Zijn hemelvaart gaf Hij de apostelen de opdracht: “Ga dus op weg en maak alle volken tot Mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat Ik jullie opgedragen heb” (Matt. 28:19-20).

Noot 'Na Zijn lijden en dood heeft Hij hun herhaaldelijk bewezen dat Hij leefde; gedurende veertig dagen is Hij in hun midden verschenen en sprak Hij met hen over het koninkrijk van God.' Hand.1:3

Noot '[Jezus] stond tijdens de maaltijd op. Hij legde Zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van Zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die Hij omgeslagen had. [ ... ] Ik heb een voorbeeld gegeven; wat Ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen.' Joh. 13:4-5 en 15

Overdenking Waarom staat Maria van Magdala niet in het lijstje van de NAK? Beetje een ouderwetse mannenstreek, vind ik.

vraag 160 Waarmee begon de lijdenstijd van Jezus Christus?

NAK antwoord De lijdenstijd van Jezus begon met Zijn intocht in Jeruzalem: 'Toen ze Jeruzalem naderden [ ... ] stuurde Hij twee van Zijn leerlingen vooruit. Hij zei tegen hen: "Ga naar het dorp dat daar ligt. Zodra jullie er binnenkomen, zul je daar een ezelsveulen vastgebonden zien staan, dat nog nooit door iemand bereden is; maak het los en breng het hier. En als iemand jullie vraagt waarom jullie dat doen, zeg dan: "De Heer heeft het nodig'" [ ... ) Ze brachten het veulen naar Jezus en legden hun mantels op het dier en Hij ging erop zitten. Velen spreidden hun mantels uit op de weg, anderen spreidden takken met bladeren uit, die ze in het veld afhakten. Allen die voor Hem uit liepen of achter Hem aan kwamen, riepen luidkeels: "Hosanna! Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer" (Marc. 11:1-9). Ondanks de euforie wist Jezus Christus dat de stemming van het volk spoedig zou omslaan en Hij de weg naar het kruis moest gaan. Noot De lijdenstijd van Christus wordt vaak ook aangeduid met het woord 'passie', afgeleid van het Latijnse woord 'passie' dat 'het lijden' betekent.

Noot 'Juich, Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt Hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin.' Zach. 9:9

Overdenking Aan dit antwoord heb ik niets toe te voegen.

vraag 161 Welke gebeurtenissen volgden op Jezus' intocht in Jeruzalem?

NAK antwoord Jezus reinigde de tempel door de handelaren en geldwisselaars weg te jagen. Hij maakte daarmee duidelijk dat de tempel, het huis van God, heilig is en geen plaats is om handel te drijven. In Bethanië werd Jezus gezalfd met kostbare nardusolie. Dit gebeurde, zoals Hij zei, met het oog op Zijn naderende dood, want overledenen werden destijds gezalfd met kostbare olie (vgl. Marc. 14:8). Jezus had veel vijanden onder de Farizeeën en Sadduceeën, waartoe de hogepriesters behoorden. Ze wilden Hem doden. Daarom kwam Hij steeds meer in gevaar.

Noot Nardusolie: Nardus is een plant die groeit in het Himalaya-gebied (bijv. India, Bhutan, Nepal). Uit de wortel werd een welriekend sap gewonnen dat met de zalvingsolie werd gemengd. De nardusolie werd in de oudheid al naar gebieden rondom de Middellandse Zee geëxporteerd. Omdat de olie van ver kwam, was deze erg duur.

Farizeeën en Sadduceeën waren vertegenwoordigers van de bekendste religieuze groepen in het jodendom ten tijde van Jezus' werkzaamheid.

De Farizeeën probeerden de voorschriften van de wet van Mozes streng na te leven om zo door hun daden aanzien bij God te verwerven. In de evangeliën wordt deze vorm van vroomheid vaak bekritiseerd, aangezien het tot zelfingenomenheid en huichelarij kan leiden. Uit de Farizeeën is het tegenwoordige jodendom voortgekomen.

De Sadduceeën wezen het geloof in engelen en in de opstanding uit de dood af. Hiertoe behoorden vooral de welgestelde lagen van de bevolking en de priesters uit de tempel van Jeruzalem. Na de verwoesting van de tempel verdween deze tak van het jodendom. Naast Farizeeën en Sadduceeën waren de Essenen de derde belangrijke groep binnen het antieke jodendom.

Overdenking Eigenlijk snap ik de laatste zin van het antwoord niet goed, verder heb ik niets toe te voegen.

vraag 162 Wie heeft Jezus Christus verraden?

NAK antwoord Een van de twaalf apostelen, Judas Iskariot, ging voor het Pesachfeest naar de vijanden van Jezus. 'Daarop ging[ ... ] Judas Iskariot, naar de hogepriesters en zei: "Wat krijg ik van u als ik Hem aan u uitlever?" (Matt. 26:14-15). Ze boden hem 30 zilverstukken. Dat was een bedrag dat in het algemeen voor een slaaf werd betaald. Daarmee ging een woord van de profeet Zacharia in vervulling (Zach. 11: 12-13) - de Heer werd als het ware als een slaaf behandeld (vgl. Ex. 21:32).

Noot 'Ik zei tegen hen: "Als u tevreden bent, keer me dan mijn loon uit; zo niet, laat het dan maar." En ze betaalden mij mijn loon uit, dertig sjekel zilver. Toen zei de Heer tegen mij: "Breng het maar naar de smelter, dat vorstelijke loon dat zij Me waard vinden." Dus smeet ik dat zilver bij de smelter in de tempel neer[ ... ].' Zach.11:12-13

Overdenking Aan dit antwoord heb ik niets toe te voegen.

vraag 163 Hoe heeft Jezus het Heilig Avondmaal ingesteld?

NAK antwoord Ter gelegenheid van het Pesachfeest was de Heer met de twaalf apostelen samengekomen en nuttigde Hij met hen het Pesachmaal. Ook Judas Iskariot was aanwezig, die van te voren bij de vijanden van Jezus was geweest om Hem te verraden. Toen ze aanlagen voor de maaltijd stelde de Heer het Heilig Avondmaal in: 'Toen ze verder aten nam Jezus een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood en gaf de leerlingen ervan met de woorden: "Neem, eet, dit is Mijn lichaam:' En Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker met de woorden: "Drink allen hieruit, dit is Mijn bloed, het bloed van het Verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden'" (Matt. 26:26-28). Tijdens de maaltijd beschreef Jezus Zijn verrader, Judas Iskariot. Deze verliet daarop de groep. Hij ging meteen weg, 'het was nacht' (Joh. 13:30).

-> Heilig Avondmaal: zie vraag 494 e.v.

Overdenking Persoonlijk heb ik aan de teksten van Mt 26:26-28 of Lc 22:14-22 genoeg. Vanwaar de tekst in het antwoord over het verraad van Judas. Het gaat over de deelname aan het lichaam en bloed van Jezus.

vraag 164 Was gebeurde er in de olijfgaard Getsemané?

NAK antwoord Na het avondmaal ging Jezus met de elf overgebleven apostelen naar de olijfgaard Getsemané. De menselijke natuur van de Zoon van God wordt herkenbaar aan Zijn vrees voor de spoedige kruisdood. Hij knielde in deemoed neer en worstelde in gebed: “Vader, als U het wilt, neem dan deze beker van Mij weg. Maar laat niet wat Ik wil, maar wat U wilt gebeuren”: (Luc. 22:42). Jezus stelde zich volledig onder de wil van Zijn Vader - Hij was bereid om het offer te brengen. Daarop verscheen een engel die Hem kracht schonk (vgl. Luc. 22:43). De apostelen sliepen echter. Korte tijd later werd Jezus gevangengenomen. Overdenking Voor zover het over historie gaat heb ik niets toe te voegen.

vraag 165 Hoe verliep de gevangenneming van Jezus?

NAK antwoord Toen Jezus de apostelen vroeg met Hem te waken, kwam er een grote bewapende bende die door de hogepriesters was gestuurd. Judas Iskariot bracht hen bij Jezus en verraadde Hem met een kus: 'Degene die ik kus, die is het, die moet je gevangennemen' (Matt. 26:48).

Noot 'Hij liep terug naar de leerlingen en zag dat ze lagen te slapen. Hij zei tegen Petrus: "Konden jullie niet eens één uur met Mij waken? Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak."' Matt. 26:40-41

Overdenking Voor zover het over historie gaat heb ik niets toe te voegen.

vraag 166 Hoe gedroegen de apostelen zich bij de gevangenneming van Jezus? NAK antwoord Simon Petrus trok het zwaard om Jezus te beschermen en sloeg de slaaf van de hogepriester zijn rechteroor af (vgl. Joh. 18:10). Jezus hield hem echter tegen en genas de slaaf. Jezus maakte geen gebruik van Zijn goddelijke macht maar liet zich gevangennemen. Daarop lieten de apostelen Hem in de steek en vluchtten weg. Toen Simon Petrus er in deze nacht op werd aangesproken een leerling van Jezus te zijn, ontkende hij dit. Hij verloochende de Heer drie keer.

Noot 'Petrus zat buiten, op de binnenplaats. Er kwam een dienstmeisje naar hem toe, dat zei: "Jij hoorde ook bij die Jezus uit Galilea!" Maar hij ontkende dat met klem, zodat allen het konden horen: "Ik weet niet waar je het over hebt." Toen hij wilde weggaan naar het poortgebouw, zag een ander meisje hem. Ze zei tegen de omstanders: "Die man hoorde bij Jezus van Nazareth!" En opnieuw ontkende hij en zwoer: "Echt. ik ken de man niet!" Even later kwamen de omstanders naar Petrus toe, ze zeiden: "Jij bent wel degelijk een van hen, trouwens, je accent verraadt je." Daarop begon hij te vloeken en hij bezwoer hun: "Ik ken de man niet!" En meteen kraaide er een haan. Toen herinnerde Petrus zich wat Jezus gezegd had: "Voordat er een haan gekraaid heeft, zul je Mij driemaal verloochenen." Hij ging naar buiten en huilde bitter.' Matt. 26:69- 75 Overdenking Voor zover het over historie gaat heb ik niets toe te voegen.

vraag 167 Verweet Jezus de apostelen later hun gedrag?

NAK antwoord Nee, Jezus kende de menselijke zwakheden van Zijn apostelen, maar verweet ze hun niet. Hij ontmoette hen na Zijn opstanding en wenste hun vrede.

Overdenking Het juiste antwoord, zo was Jezus.

vraag 168 Wat gebeurde er na de gevangenneming van Jezus?

NAK antwoord Het Sanhedrin - de hogepriesters en Schriftgeleerden - veroordeelde Jezus vanwege godslastering tot de doodstraf. Dat Hij pretendeerde Gods Zoon te zijn, werd gezien als godslastering.

Overdenking Voor zover het over historie gaat, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen.

vraag 169 Wat deed Judas Iskariot na de veroordeling van Jezus?

NAK antwoord Nadat Jezus ter dood was veroordeeld, betreurde Judas Iskariot zijn verraad en bracht de 30 zilverstukken terug naar de hogepriesters. Zij wilden niets meer met hem te maken hebben. Daarop smeet hij het geld in de tempel, vluchtte hij weg en verhing hij zich (vgl. Matt. 27:1-5).

Overdenking Voor zover het over historie gaat, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen.

vraag 170 Hoe verging het Jezus voor Pilatus en Herodes?

NAK antwoord Nadat Jezus door het Sanhedrin - de hoogste instantie in Judea - was veroordeeld, werd Hij door de Romeinse stadhouder Pontius Pilatus verhoord. Hij was verantwoordelijk omdat de Romeinen destijds over de Joden heersten. Pilatus vond dat Jezus onschuldig was en leverde Hem over aan Herodes (bijgenaamd Antipas), de koning van de Joden. Aangezien de Romeinen de doodstraf bij Joden niet mochten voltrekken, stuurde Herodes Jezus weer terug naar Pilatus. Hij liet Jezus geselen. Het volk eiste Jezus' kruisiging en beschuldigde Hem ervan als 'koning van de Joden' tegen de Romeinse keizer verzet te hebben gepleegd. Daarop stond de doodstraf (vgl. Joh. 19:12). Pilatus meende een mogelijkheid te weten om Jezus de vrijheid te schenken: omdat ter gelegenheid van het Pesachfeest aan een veroordeelde gratie kon worden verleend, moest het volk maar beslissen of Jezus of de misdadiger Barabbas zou worden vrijgelaten. Opgeruid door de hogepriesters en de oudsten koos het volk voor Barabbas. Om aan te tonen dat hij hiervoor geen verantwoordelijkheid droeg, waste Pilatus ten overstaan van het volk zijn handen en zei: Ik ben onschuldig aan de dood van deze man” (Matt. 27:24). Nogmaals liet hij Jezus geselen en leverde Hem uit aan de soldaten om te worden gekruisigd. Noot De geboorte van Jezus valt in de regeringsperiode van Herodes 1. Toen Jezus voor Pontius Pilatus werd gebracht, regeerde in Galilea Herodes Antipas, de zoon van Herodes 1. Geselen was een lichamelijke straf en martelmethode in de oudheid waarbij mensen door hun beulen met zwepen, roedes of een rieten stok werden gepijnigd. In de evangeliën wordt verslag gedaan van de geseling van Jezus, in de Handelingen van geselingen die de apostelen moesten ondergaan.

Overdenking Ik begin met een correctie; de 2e zin in de 2e alinea van het antwoord, moet ongeveer als volgt luiden: Aangezien de Joden de doodstraf niet mochten voltrekken, stuurde Herodes Jezus weer terug naar Pilatus. Voor zover het over historie gaat, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen.

vraag 171 Hoe gedroeg Jezus zich tijdens Zijn lijdensweg?

NAK antwoord Jezus liet alle mishandelingen, vernederingen en lasteringen berustend over zich heenkomen. Toen men Hem spottend een kroon van doorntakken op Zijn hoofd zette, verdroeg Hij dit met waardigheid.

Overdenking Voor zover het over historie gaat, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen.

vraag 172 Waar eindigde de lijdensweg van Jezus?

NAK antwoord Jezus werd op Golgota aan het kruis geslagen. Met Hem werden twee misdadigers gekruisigd. Het kruis van Jezus stond in het midden. Hier ging de profetie uit Jesaja 53:12 in vervulling: de Heer werd gerekend tot de zondaars en als een zondaar behandeld. De zware lijdensweg van Jezus mondde uit in een gruwelijke doodsstrijd totdat Hij uiteindelijk na uren stierf. Noot Kruisiging was in de oudheid een gangbare wijze van terechtstelling waardoor de veroordeelde met opzet op een langzame en pijnlijke manier moest sterven. Daartoe werd hij aan een rechtopstaande paal - met of zonder dwarsbalken - gebonden of geslagen.

Overdenking Voor zover het over historie gaat, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen.

vraag 173 Wie is schuldig aan de dood van Jezus?

NAK antwoord Door de medewerking van de Romeinse stadhouder waren de veroordeling en terechtstelling van Jezus niet alleen een aangelegenheid van het Joodse volk: ook heidenen waren erbij betrokken. Alle mensen uit alle tijden zijn zondaars en laden schuld op zich. Jezus stierf voor de zonden van alle mensen. Daarom dragen uiteindelijk alle mensen schuld aan de dood van Jezus.

Overdenking Het schuldig zoals hier bedoeld wordt is van uit het oud testamentisch denken, alhoewel de Joden daar ook anders in stonden, is de ‘oergedachte’ van het eten van de appel door Eva en Adam. Zie ook overdenking 88

vraag 174 Wat waren de laatste woorden van Jezus aan het kruis?

NAK antwoord Traditioneel worden de laatste woorden van Jezus, die in de evangeliën verschillend zijn overgeleverd, in de volgende volgorde geplaatst: 'Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen' (Luc. 23:34). Jezus pleitte voor degenen die Hem aan het kruis hadden geslagen en zich niet bewust waren van de draagwijdte van hun handelen. Hier vervulde Jezus op een unieke wijze het gebod van de liefde voor de vijand (vgl. Matt. 5:44-45 en 48). “Ik verzeker je: nog vandaag zul je met Mij in het paradijs zijn” (Luc. 23:43). Jezus wendde zich tot de berouwvolle misdadiger die Hem om genade had gevraagd en Hem als Heiland had erkend. Met 'paradijs' wordt hier de plaats aan gene zijde bedoeld, waar de vromen en rechtvaardigen verblijven. “Dat is uw zoon” - “Dat is je moeder” (Joh. 19:26-27). Jezus vertrouwde de zorg voor Zijn moeder Maria toe aan apostel Johannes. Hier is de ontferming en liefde van Christus zichtbaar, die zich ondanks Zijn eigen nood inzette voor Zijn naaste.' Maria wordt in de christelijke traditie gezien als zinnebeeld van de kerk. De kerk wordt onder de hoede gesteld van het apostelambt, dat wordt gerepresenteerd door Johannes. “Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?” (Marc. 15:34). Met deze woorden uit Psalm 22 richten vrome joden zich met de dood in het vooruitzicht tot God. Enerzijds doen ze daarmee hun beklag over het gevoel van afstand tot God, anderzijds belijden ze daarmee het geloof in Gods macht en genade. Ook Jezus gebruikte deze uitspraak die mensen in doodsnood meestal hanteren. “Ik heb dorst” (Joh. 19:28). Jezus had in de doodsstrijd dorst en wilde iets drinken. Dit woord staat bovendien in verbinding met Psalm 69:22: '( ... ] ze mengden gif door Mijn eten en lesten Mijn dorst met azijn: Het wordt ook zo uitgelegd dat Jezus de beker tot op de laatste druppel leeg moest drinken, dus tot het einde moest lijden. 'Het is volbracht' (Joh. 19:30). Het was in het negende uur, dus vroeg in de middag, toen deze woorden werden uitgesproken. Jezus had Zijn offer tot verlossing van de mensen gebracht. “Vader, in Uw handen leg Ik Mijn geest” (Luc. 23:46). Daaruit blijkt dat Jezus Christus ook in het aangezicht van de dood volledig op Zijn Vader vertrouwde.

Overdenking Voor zover het over historie gaat, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen.

vraag 175 Welke gebeurtenissen gingen gepaard met de kruisdood van de Heer?

NAK antwoord Toen Jezus aan het kruis stierf, beefde de aarde en spleten de rotsen. Het voorhangsel in de tempel, dat daar het heiligste vertrek (het 'Allerheiligste') afscheidde, scheurde in tweeën. Daarmee wordt duidelijk dat door de dood van Jezus Christus de offerdienst van het Oude Verbond niet meer noodzakelijk is. Door Zijn offer is de weg naar God vrij. Toen de Romeinse centurio en zijn soldaten die Jezus aan het kruis bewaakten, merkten dat de aarde beefde, riepen ze: 'Hij was werkelijk Gods Zoon' (Matt. 27:54). Zo erkenden ook heidenen dat Jezus de Zoon van God is.

Noot Oude Verbond/ Nieuwe Verbond: God sloot op de berg Sinai een verbond met het volk Israël, de nakomelingen van Abraham, Isaak en Jakob. Het teken van dit verbond was de besnijdenis. Tot het Oude Verbond behoorde ook de wet van Mozes, waarin de wil van God tot uitdrukking kwam. Met de offerdood van Jezus werd het Nieuwe Verbond gesloten. Dit Nieuwe Verbond is niet meer alleen voor de Joden, maar voor alle mensen. Door de Waterdoop heeft men deel aan het Nieuwe Verbond.

Overdenking Voor zover het over historie gaat, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen. Wel met de gedachte dat de offerdood van Jezus het kantelpunt in de relatie tussen God en alle mensen is en niet alleen de Joden. Met de Bergrede bracht Jezus Zijn licht onder de mensen. Toen nog het meest aan de Joden, dat zei Jezus ook(...), maar ook anderen hoorde die boodschap. De zonde en de erfzonde zijn fenomenen, zie ook inleiding hoofdstuk 4, die de kerk verkeerd uitlegt omdat men niet om Genesis 1:6-12 heen kan/wil. Het wordt nog steeds als geschiedenis gezien en niet als metafoor, zie ook inleiding. Nogmaals de gedachte dat de zonde in de wereld is gekomen door één of twee schuldigen is in deze tijd geen houdbare gedachte. Hier vloeit uit voort dat de offerdood ook geen fundatie heeft.

vraag 176 Wat gebeurde er met het lichaam van Jezus?

NAK antwoord Jozef van Arimatea, een lid van het Sanhedrin, vroeg Pilatus naar het lichaam van Jezus om het te kunnen begraven. Samen met Nikodernus, die eens 's nachts naar de Heer was gekomen en door Hem was onderwezen (vgl. Joh. 3:1-2), legde hij het lichaam in een nieuw rotsgraf. Voor het graf werd een steen gerold. De hogepriesters lieten het graf door soldaten bewaken om te verhinderen dat de leerlingen van Jezus het lichaam zouden weghalen.

Noot 'De volgende dag, dus na de voorbereidingsdag, gingen de hogepriesters en de farizeeën samen naar Pilatus. Ze zeiden tegen hem: "Heer, het schoot ons te binnen dat die bedrieger, toen Hij nog leefde, gezegd heeft: "Na drie dagen zal Ik uit de dood opstaan." Geeft u alstublieft bevel om het graf tot de derde dag te bewaken, anders komen Zijn leerlingen Hem heimelijk weghalen en zullen ze tegen het volk zeggen: "Hij is opgestaan uit de dood," en die laatste leugen zal nog erger zijn dan de eerste. Pilatus antwoordde: "U kunt bewaking krijgen. Ga nu en regel het zo goed als u kunt." Ze gingen erheen en beveiligden het graf door het te verzegelen en er bewakers voor te zetten.' Matt. 27:62-66 Overdenking Voor zover het over historie gaat, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen.

vraag 177 Waarom moest Jezus lijden en sterven?

NAK antwoord God, de Zoon, werd in Jezus mens en kwam naar de wereld om de zonden van de mensen op zich te nemen. Hij bracht het offer uit vrije wil in goddelijke liefde om de mensen uit de dood te redden. De macht van de zonde is groot, maar de macht van de goddelijke liefde, die blijkt uit het feit dat Jezus Christus Zijn leven gaf, is groter.

-> redding uit geestelijke dood/ verlossing: zie vraag 89-90, 108-109, 215-216 Noot 'Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden.' Joh.15:13 Overdenking De dood is zo ongeveer de enige zekerheid die iedereen heeft, de dood slaat niemand over. Als Jezus werkelijk gekruisigd is is dat een helse doodstrijd. Maar ik kan er verder geen conclusies aan verbinden. Het zaadje was gepland, de vrucht kunnen wij in de geschiedenis lezen. Als het ons wat zegt is de vraag wat gaan we er mee doen? Want dat doen daar gaat het om. vraag 178 Welke betekenis heeft het lijden en sterven van Jezus voor de mensen?

NAK antwoord De offerdood van Jezus is de grondslag voor een nieuwe verhouding van de mens tot God. De zondige mens kan weer tot God komen.

Overdenking Naar ik hoop waren voorgaande overdenkingen duidelijk genoeg om dit antwoord als een vastgelopen antwoord te schouwen.

vraag 179 Wordt in het Oude Testament verwezen naar het lijden en de offerdood van Jezus Christus?

NAK antwoord Ja, in Jesaja 53:3-5 wordt een dienaar van God beschreven die wordt vernederd en moet lijden. Daar staat: 'Hij werd veracht, door mensen gemeden, Hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was[ ... ]. Maar Hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam. [ ... ] Voor ons welzijn werd Hij getuchtigd, Zijn striemen brachten ons genezing: Dat zijn verwijzingen naar de lijdensweg van Christus en Zijn offerdood.

Overdenking Het is de vraag of de interpretatie van Jes. 53 gezien mag worden als een profetie over het leven van Jezus. Deze interpretatie werd door de schrijvers van het nieuwe testament gedaan, maar is dat terecht of zochten zij naar een bevestiging van hun geloof en standpunten. Het boek Jesaja ontleent zijn naam aan een profeet, Jesaja, de zoon van Amos, die in Jeruzalem leefde en als profeet optrad in de periode 750-700 v.Chr. Het boek is in zijn huidige omvang een verzameling van profetische teksten die in de loop van ongeveer drie eeuwen zijn overgeleverd en uiteindelijk als één geheel op schrift zijn gesteld. Het boek bestaat uit drie hoofdverzamelingen. De eerste daarvan wordt met de profeet Jesaja zelf in verband gebracht, de tweede met een profeet uit de 6e eeuw voor Christus, die men wel aanduidt als Deutero-Jesaja (de tweede Jesaja), en de derde met profeten uit de 5e eeuw of later. In Jesaja 40-55 staat een tweede verzameling profetieën. Deze worden gewoonlijk toegeschreven aan een profeet die optrad gedurende de Babylonische ballingschap (586-539 v.Chr.) en die wordt aangeduid met de term Deurero-Iesaja, 'de tweede Jesaja'. Men veronderstelt dat hij een geestverwant is geweest van de grote profeet Jesaja. Zijn profetieën hebben betrekking op een tijd zonder hoop of perspectief. De profeet kondigt echter aan dat God het verstrooide en vertrapte volk zal bevrijden door toedoen van Cyrus, de koning van de Perzen (44:28-45:8). De terugkeer naar het eigen land wordt vergeleken met de uittocht uit Egypte: voor de tweede maal gaat het volk een nieuwe toekomst tegemoet. Een belangrijk thema in dit gedeelte is dat de God van Israël heel anders is dan andere goden. Hij heeft de wereld geschapen en bepaalt de loop van de geschiedenis: hij zal Israël in ere herstellen, en dan zal het een licht voor andere volken zijn. Dit wordt toegespitst in de profetieën over de 'dienaar van de HEER' (zie 42:1-9; 49:1-9; 50:4-9 en 52:13-53:12). In een poëtisch verheven en beeldende stijl roept de profeet zijn toehoorders op om hun apathie te laten varen en uit de ballingschap terug te keren naar Jeruzalem. Persoonlijk vind ik dit geen bewijs dat hier het lijden en de offerdood van Jezus geprofeteerd wordt.

vraag 180 Verwees Jezus zelf naar Zijn lijden en sterven?

NAK antwoord Ja, Jezus verwees meermaals naar Zijn lijden en sterven en ook naar Zijn opstanding. Nadat Petrus tegen Jezus zei dat Hij 'de door God gezonden Messias' was, verwees Jezus naar Zijn aanstaande lijden en sterven: 'De Mensenzoon zal veel moeten lijden en door de oudsten, de hogepriesters en de Schriftgeleerden worden verworpen en gedood, maar op de derde dag zal Hij uit de dood worden opgewekt' (Luc. 9:22). Op vergelijkbare wijze drukte Jezus zich uit na Zijn verheerlijking op de berg: 'De Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen Hem doden, maar na drie dagen zal Hij uit de dood opstaan' (Marc. 9:31). Voor de intocht in Jeruzalem zei Hij tegen de apostelen: ' [ ... ] de Mensenzoon zal worden uitgeleverd aan de hogepriesters en de Schriftgeleerden, die Hem ter dood zullen veroordelen. Ze zullen Hem uitleveren aan de heidenen, die de spot met Hem zullen drijven en Hem zullen geselen en kruisigen. Maar op de derde dag zal Hij worden opgewekt uit de dood' (Matt. 20:18-19). Tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën zei Jezus dat Hij na drie dagen zou opstaan. Hij verwees daarbij naar de geschiedenis van de profeet Jona: 'Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van een grote vis zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het binnenste van de aarde verblijven' (Matt. 12:40).

Overdenking Voor zover het over historie gaat, als we de evangeliën als zodanig mogen beschouwen, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen.

vraag 181 Wat staat er in de brieven van de apostelen over de offerdood van Jezus?

NAK antwoord In 2 Korintiërs 5:19 wordt de betekenis van de offerdood van Jezus als volgt beschreven: 'Het is God die door Christus de wereld met zich heeft verzoend'. In 1 Johannes 3:16 staat: 'Wat liefde is, hebben we geleerd van Hem die Zijn leven voor ons gegeven heeft: Als reactie op de dwaalleren die het mens-zijn van Jezus Christus en Zijn opstanding ontkenden, maakte apostel Paulus duidelijk 'dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, dat Hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat' (1 Kor. 15:3-4).

Overdenking Voor zover het over historie gaat, als we de evangeliën als zodanig mogen beschouwen, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen.

vraag 182 Wat is de betekenis van het kruis?

NAK antwoord Het kruis van Christus is het symbool voor de verzoening van God met de zondige mens. De dood aan het kruis was in de oudheid een teken voor een nederlaag: een oneervol einde van een geminachte mens die was verstoten uit de menselijke samenleving. Bij Jezus echter is de schijnbare nederlaag een overwinning: door Zijn dood aan het kruis heeft Hij een onvergelijkbare verlossingsdaad volbracht.

Noot 'De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God.' 1 Kor.1:18

Overdenking Alhoewel ik anders in het begrip offerdood sta, is het symbool van het kruis helder en heb ik daar ook niets aan toe te voegen.

vraag 183 Wat gebeurde er nadat Jezus was gestorven?

NAK antwoord Nadat Jezus Christus was gestorven, ging Hij naar het dodenrijk. In 1 Petrus 3:18- 20 staat dat Gods Zoon na Zijn dood aan het kruis tot degenen sprak die in de tijd van Noach ongehoorzaam aan God waren. Dat deed Hij om het heil aan te bieden: 'Ook aan de doden is het evangelie verkondigd, opdat ook zij, al zijn ze naar hun leven op aarde door de mensen veroordeeld, bij God in de geest kunnen leven' (1 Petr. 4:6). Zoals de Zoon van God zich op aarde tot de zondaren wendde, deed Hij dat nu tot de doden. Vanaf het moment dat Hij het offer heeft gebracht, is verlossing ook voor de doden mogelijk.

Noot 'Ook Christus immers heeft, terwijl Hij zelf rechtvaardig was, geleden voor de zonden van onrechtvaardigen, voor eens en altijd, om u zo bij God te brengen. Naar het lichaam werd Hij gedood maar naar de geest tot leven gewekt. Hij is naar de geesten gegaan die gevangen zaten, om dit alles te verkondigen aan hen die ten tijde van Noach weigerden te gehoorzamen, toen God geduldig wachtte en de ark gebouwd werd. In de ark werden slechts enkele mensen, acht in totaal, van de watervloed gered[ ... ].' 1 Petr. 3:18-20 Overdenking Voor zover het over historie gaat, als we de evangeliën als zodanig mogen beschouwen, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen. Voor de noot verwijs ik graag naar overdenking 175.

vraag 184 Door welke macht is Jezus Christus opgestaan?

NAK antwoord De opstanding van Jezus Christus is een daad van de drie-enige God.

• Enerzijds openbaart zich hier de macht van God, de Vader - Hij wekte Jezus op uit de doden: 'De God van onze voorouders heeft Jezus weer tot leven gewekt, nadat u Hem had vermoord door Hem aan een kruishout te hangen' (Hand. 5:30).

• Anderzijds gingen de woorden van God, de Zoon, in vervulling: 'Ik ben vrij om het [Mijn leven] te geven en om het weer terug te nemen' (Joh. 10:18).

• Tot slot wordt het handelen van God, de Heilige Geest, in de brief van apostel Paulus aan de Romeinen genoemd: 'Want als de Geest van Hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal Hij die Christus heeft opgewekt ook u die sterfelijk bent, levend maken door Zijn Geest, die in u leeft' (Rom. 8:11).

De macht van God over de dood blijkt uit het feit dat Jezus Christus uit de dood is opgestaan.

Overdenking In de Bijbel staat dit antwoord, als zodanig valt hier niets aan toe te voegen.

vraag 185 Zijn er getuigen van de opstanding van Christus?

NAK antwoord Jezus Christus is opgestaan zonder dat een mens hiervan ooggetuige was. Toch wordt in de Heilige Schrift de opstanding van Gods Zoon op veel plaatsen vermeld. Een van deze getuigenissen is het lege graf. Een ander bewijs zijn de talrijke verschijningen van de Opgestane in de veertig dagen tussen Zijn opstanding en hemelvaart. De personen aan wie Hij zich toonde en die Hem herkenden, worden concreet genoemd. De opstanding van Jezus Christus is niet een wensbeeld van Zijn aanhangers, maar een werkelijke gebeurtenis die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Noot 'Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, dat Hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, en dat Hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen. Daarna is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk, van wie er enkelen gestorven zijn, maar de meesten nu nog leven. Vervolgens is Hij aan Jakobus verschenen en daarna aan alle apostelen.' 1 Kor.15:3-7

Overdenking Voor zover het over historie gaat, als we de evangeliën als zodanig mogen beschouwen, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen. Met de noot ben ik het niet eens en ik snap de toevoeging niet.

vraag 186 Welke betekenis heeft de opstanding van Christus voor de mens? NAK antwoord Jezus Christus is opgestaan. Daardoor heeft de gelovige gegronde hoop op de eigen opstanding en het eeuwige leven: 'Maar Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen. Zoals de dood er is gekomen door een mens, zo is ook de opstanding uit de dood er gekomen door een mens. Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus allen levend worden gemaakt' (1 Kor. 15:20-22). Het geloof in de opstanding van Jezus Christus is noodzakelijk omdat door Zijn opstanding is aangetoond dat Jezus Christus de Heiland van de wereld is (vgl. 1 Kor. 15:14). -> Heiland: zie vraag 108 en 110 e.v.

Overdenking We zijn in een rondje bewijsvoering voor het offer van Jezus beland. Dit is wat de bijbel ons te vertellen heeft.

vraag 187 Welke verschijningen van de Opgestane worden in het Nieuwe Testament vermeld

NAK antwoord De opgestane Jezus verscheen meerdere keren aan Zijn leerlingen. Maria van Magdala en andere vrouwen waren de eerste getuigen van de Opgestane: 'Op dat moment kwam Jezus hun tegemoet en groette hen. Ze liepen op Hem toe, grepen Zijn voeten vast en bewezen Hem eer' (Matt. 28:9). De Opgestane liep op met de Emmaüsgangers zonder aanvankelijk door hen te worden herkend. Hij legde hen de Schrift uit en brak uiteindelijk met hen het brood, zodat zij Hem herkenden (vgl. Luc. 24:13-35). Op de avond van de dag van Zijn opstanding verscheen Jezus in de kring van Zijn leerlingen. Als Opgestane en heer over dood en zonde verleende Hij de apostelen de volmacht zonden te vergeven: 'Ontvang de Heilige Geest. Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven' (Joh. 20:19-23). Een andere keer verscheen de Heer aan enkele leerlingen bij het Meer van Tiberias en gaf apostel Petrus de opdracht de lammeren en schapen van Christus - dus alle leden van Zijn gemeente - te weiden, m.a.w. ze te verzorgen (petrinische opdracht; vgl. Joh. 21:15-17). De opgestane Heer heeft Zijn apostelen 'herhaaldelijk bewezen dat Hij leefde; gedurende veertig dagen is Hij in hun midden verschenen en sprak Hij met hen over het koninkrijk van God' (Hand. 1:3). Apostel Paulus zegt in 1 Korintiërs 15:6 dat de opgestane Jezus aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk verscheen.

-> zondevergeving, voorbeelden voor handelen met volmacht: zie toelichting bij vraag 415, vraag 644 e.v.

-> petrinische opdracht: zie vraag 457 en toelichting bij vraag 457

Noot Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. "Waarom huil je?" vroegen ze haar. Ze zei: "Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem hebben neergelegd." Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. "Waarom huil je?" vroeg Jezus. "Wie zoek je?" Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ''. Als u Hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u Hem hebt neergelegd, dan kan ik Hem meenemen." Jezus zei tegen haar: "Maria!" Ze draaide zich om en zei: "Rabboeni!" (Dat betekent 'meester')' Joh. 20:11-16

Overdenking Dit is wat de Bijbel ons te vertellen heeft. We zijn in een rondje bewijsvoering voor het offer van Jezus beland.

vraag 188 Hoe gedroegen de hogepriesters zich na de opstanding van Jezus Christus?

NAK antwoord De hogepriesters hoorden van de opstanding van Jezus Christus. Ze kochten de soldaten met geld om en zeiden: “Zeg maar: Zijn leerlingen zijn 's nachts gekomen en hebben Hem heimelijk weggehaald terwijl wij sliepen" (Matt. 28:13).

Overdenking Voor zover het over historie gaat, als we de evangeliën als zodanig mogen beschouwen, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen.

vraag 189 Wat is het opstandingslichaam van Christus?

NAK antwoord Het opstandingslichaam is ontstegen aan de eindigheid en sterfelijkheid: het is niet gebonden aan ruimte en tijd. Het opstandingslichaam van Christus is niet een lichaam dat ziek of ouder wordt en eenmaal zal sterven. Het is een verheerlijkt lichaam. In dit verheerlijkte lichaam verscheen Jezus Christus te midden van Zijn leerlingen. Hij ging door gesloten deuren, brak met de leerlingen het brood, toonde hen Zijn kruisigingswonden en at met hen. Hij maakte daarmee duidelijk dat Hij niet als 'geest' maar als Jezus Christus lijfelijk bij hen aanwezig was. 'Opstanding' betekent niet een terugkeer naar het aardse bestaan.

-> opstanding: zie vraag 535 en 559

Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar; ze hadden de deuren afgesloten [ ... ]. Jezus kwam in hun midden staan [ ... ].' Joh. 20:19 “Kijk naar Mijn handen en voeten, Ik ben het zelf! Raak Me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat Ik heb”. Daarna toonde Hij hun Zijn handen en Zijn voeten. Luc. 24:39-40 Overdenking Voor zover het over historie gaat, als we de evangeliën als zodanig mogen beschouwen, dan geldt; het enige geschrift spreekt aldus en heb ik niets toe te voegen.

vraag 190 Wat gebeurde er na de hemelvaart van Jezus Christus?

NAK antwoord Veertig dagen na Zijn opstanding werd Jezus Christus in de hemel opgenomen. Sommigen waren daarvan ooggetuige. Nadat Hij met Zijn apostelen had gesproken en hen had gezegend, werd Hij omhoog geheven en een wolk nam Hem voor hun ogen weg. Toen ze Hem nog nastaarden, stonden twee mannen in witte gewaden bij hen die zeiden: 'Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie Hem naar de hemel hebben zien gaan' (Hand. 1: 11). Noot “Ik ben bij de Vader vandaan gegaan en naar de wereld gekomen, nu verlaat Ik de wereld weer en ga Ik terug naar de Vader.” Joh.16:28 'Kijk naar Mijn handen en voeten, Ik ben het zelf! Raak Me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat Ik heb. Daarna toonde Hij hun Zijn handen en Zijn voeten. Luc. 24:39-40

Overdenking Voor zover het over historie gaat, als we de evangeliën als zodanig mogen beschouwen, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen.

vraag 191 Waar ging Jezus Christus heen toen Hij in de hemel werd opgenomen?

NAK antwoord Jezus Christus keerde terug naar Zijn Vader. Hij nam 'plaats aan de rechterhand van God' (Marc. 16:19).

Overdenking Voor zover het over historie gaat, als we de evangeliën als zodanig mogen beschouwen, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen.

vraag 192 Wat betekent: Jezus Christus zit 'aan de rechterhand van God'?

NAK antwoord Wie in de oudheid aan de rechterhand van een vorst stond of zat, had deel aan diens macht en autoriteit. Het beeld dat Jezus Christus aan de rechterhand van God zit, verwijst naar het feit dat Hij deelt in de macht en luister van God, de Vader. Deze luister wil Jezus Christus in de toekomst met de Zijnen delen. Zo bad Jezus in het hogepriesterlijke gebed: “Vader, U hebt hen aan Mij geschonken, laat hen dan zijn waar Ik ben. Dan zullen zij de grootheid zien die U Mij gegeven hebt” (Joh. 17:24). Deze bede zal in vervulling gaan wanneer Christus de Zijnen uit de doden en levenden tot zich neemt en zij dan voor eeuwig bij Hem zullen zijn.

-> wegvoeren van de bruid: zie vraag 559 e.v.

Noot 'Wij zeggen u met een woord van de Heer: wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan. Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan we in de lucht de Heer tegemoet. Dan zullen we altijd bij Hem zijn.' 1 Tess. 4:15-17

Overdenking Voor zover het over historie gaat, als we de evangeliën als zodanig mogen beschouwen, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen. Wat wel kenmerkend is dat ook hier hemelrijk als konings-huishouden wordt voor gesteld met tronen en posities zoals die in een paleis uit die tijd aanwezig waren, zie ook inleiding twee.

vraag 193 Is Jezus Christus ook na Zijn hemelvaart aanwezig op aarde?

NAK antwoord Ja, door de Heilige Geest, de derde persoon van de godheid, die wezenlijk werkzaam is in de kerk, is Jezus Christus ook na Zijn hemelvaart op aarde aanwezig. Daarmee vervult Jezus Christus Zijn belofte: “Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld” (Matt. 28:20).

-> Heilige Geest: zie vraag 197 e.v.

Overdenking Voor zover het over historie gaat, als we de evangeliën als zodanig mogen beschouwen, het enige geschrift spreekt aldus, heb ik niets toe te voegen.

vraag 194 Wat bedoelde Jezus toen Hij zei dat Hij zou terugkomen?

NAK antwoord Jezus zei tegen Zijn leerlingen: “Wanneer Ik een plaats voor jullie gereedgemaakt heb, kom Ik terug. Dan zal Ik jullie met Me meenemen, en dan zullen jullie zijn waar Ik ben” (Joh. 14:3). Jezus komt terug - ditmaal als bruidegom. Bij Zijn wederkomst als bruidegom zal Hij diegenen uit de doden en levenden tot zich nemen die de gave van de Heilige Geest hebben ontvangen en zich in de bruidsgemeente op deze gebeurtenis lieten voorbereiden. De wederkomst van Jezus Christus is nabij.

-> hoop op de toekomst: zie vraag 549 e.v.

Overdenking Mijn eerste gevoel bij dit antwoord is; hier is een vraag bij gezocht bij een vooringenomen stelling. Ik lees heel wat anders als ik Joh 13:33 tot en met Joh 14:26 lees. Op de eerste plaats is Johannes geen verteller van naakte feiten maar een verteller in symbolen. In Johannes 14 vinden we vier vertroostingen:

1. De eerste (vs. 1-3) stelt de Heer voor als Hij weggaat om zich met zijn discipelen bezig te houden en terug te komen om ze bij zich te nemen. Hetgeen niet letterlijk moet worden genomen, maar symbolisch. Hij wijst op een ontmoeting na de weg die ons gewezen is. Maar eerste handelen en je taak volbrengen. Zie ook Mt 25 14-30.

2. In de tweede (vs. 4-14) bestaat de band en de betrekkingen met Hem voor zijn discipelen zelfs dán als Hij onzichtbaar voor hun ogen is geworden.

3. De derde vertroosting (vs.15-26) is het zenden van de Heilige Geest om de afwezige Heer te vervangen.

4. In de vierde (vs. 27-31) laat Hij hun de vrede en geeft hun zijn vrede.

vraag 195 Hoe wordt de wederkomst van Jezus Christus ook nog aangeduid?

NAK antwoord De wederkomst van Jezus Christus wordt aangeduid met 'dag van de Heer: 'dag van Christus: 'toekomst van de Heer: 'openbaring van de heerlijkheid van Christus: 'verschijning; 'wederkomst van de Heer' en 'wederkomst van Christus'. Die gebeurtenis is niet het eindgericht, maar betekent dat de bruid van Christus voor de bruiloft van het Lam wordt opgehaald. 'Laten we blij zijn en jubelen, laten we Hem de eer geven! Want de bruiloft van het Lam is gekomen en Zijn bruid staat klaar.' Openb.19:7 Overdenking (een deel van overdenking 7) Maarten Luther zei hierover terecht; ”het boek openbaring is noch apostolisch (wat niets met onze kerk van doen heeft), noch apocalyptisch”, apocalyptisch = (uit het Grieks) een onthulling of een openbaring, maar in Nederlandse begrippen ook; catastrofaal.

Kuitert zei over God die zich openbaart en ik sluit me hier bij aan; Is het onzin om over openbaring te spreken? Dat zeker niet, het hangt er slechts vanaf waarvoor je het begrip wilt gebruiken. De God van het christelijk geloof is een God die Zich openbaart; dat lijkt mij een kernstuk van de christelijke traditie. Hij is geen zwijgende oergrond, geen diepe oceaan, al kunnen deze beelden hun dienst bewijzen, maar een actieve God die zichzelf niet onbetuigd laat. Volgens het christelijk geloof leren mensen God kennen doordat God Zichzelf te kennen geeft. Maar niet door op bovennatuurlijke wijze waarheden over Zichzelf te openbaren die mensen behoren te aanvaarden om christen te mogen heten. Er zijn wel christelijke waarheden over God, ik hang ze zelf aan. Maar die zijn niet uit de hemel komen vallen, het zijn van mensen afkomstige en in menselijke taal geformuleerde, op de ervaring van generaties en generaties voor ons berustende karakteristieken van God en Zijn heil. Ze zijn op geen enkele manier gegarandeerd, dragen geen goddelijk stempel of zegel waardoor je weet: dit zit goed. Zelfs het feit dat ze in de bijbel voorkomen maakt ze niet gezaghebbend, want dat de Bijbel gezag zou kunnen verlenen is zelf weer een geloofsopvatting die geen garanties kent. Ze hebben geen andere pretentie dan dat ze samenvatten wat de christenheid voor Gods werk aan mens en wereld houdt. Wil iemand dat Gods openbaring noemen, niets op tegen, maar we hebben het dan niet over een bovennatuurlijke kennisbron maar bijvoorbeeld over een waardeoordeel van christenen over hun eigen geloofstraditie.

Ik stap dus af van openbaring als fundament voor of van de christelijke geloofstraditie en geef er liever een heel andere onderbouw aan. Wel een onderbouw!

vraag 196 Welke aanwijzingen zijn er voor de wederkomst van Christus in het Nieuwe Testament?

NAK antwoord In het Nieuwe Testament wordt vooral in de brieven van de apostelen de belofte van de wederkomst van Christus bevestigd. Apostel Paulus besluit zijn eerste brief aan de gemeente in Korinthe met de groet: 'Maranata!' - dat betekent: 'Kom, Heer!' (vgl. 1 Kor. 16:22). Apostel Jakobus spoorde zijn lezers aan om geduldig te blijven tot het komen van de Heer, 'want de Heer zal spoedig komen' (Jak. 5:8). In de brief aan de Hebreeën wordt eveneens een oproep gedaan geduld te betrachten: “Nog een heel korte tijd, dan komt Hij die komen zal, Hij blijft niet lang meer weg” (Hebr. 10:37). De tweede brief van Petrus richt zich tot al degenen die bestrijden dat Jezus Christus zal wederkomen (vgl. 2 Petr. 3:9). Ook de mogelijkheid dat de vervulling van de belofte van Zijn wederkomst wordt uitgesteld, wordt in deze brief uitgesloten.

Overdenking Uit de woorden van Paulus in 1Kor 16:22, kan ik niet meer dan een wens van Paulus halen, zeker geen feit. Hetgeen ook voor de andere teksten geldt. Hierin geven christenen aan dat ze hun vurige wens steeds weer kracht willen bijzetten met gezochte Bijbelwoorden.

vraag 197 Wie is de Heilige Geest?

NAK antwoord De Heilige Geest is waarachtig God. Hij is de derde persoon van God, die met de Vader en de Zoon als Heer en God wordt aanbeden. De Heilige Geest komt voort uit God, de Vader en de Zoon. De Heilige Geest leeft eeuwig in verbondenheid met Hen en werkt net als Zij universeel.

Noot 'Universeel': De personen van de godheid werken niet in een beperkte mate of slechts op een bepaalde plaats, maar altijd en overal waar ze willen, hier en nu en aan gene zijde. Overdenking Door de vraag te stellen: “Wie is de Heilige Geest?”, ken je blijkbaar het antwoord al, anders zou je zeggen: “wat is... “.

vraag 198 Hoe openbaart de Heilige Geest zich als goddelijke persoon?

NAK antwoord De Heilige Geest openbaart zich als persoon van de triniteit van God doordat Hij - net als God, de Zoon - mensen zendt die het evangelie verkondigen. In Handelingen 13:4 staat: 'Zo werden Barnabas en Saulus uitgezonden door de Heilige Geest: Hij staat degenen die de Heer belijden tijdens verdrukkingen ter zijde:'[. .. ] vraag je dan niet bezorgd af [ ... ) wat je moet zeggen, want de Heilige Geest zal jullie op dat moment ingeven wat je moet zeggen' (Luc. 12:11-12). De Heilige Geest onderwijst de gezanten van God: 'God heeft ons dit geopenbaard door de Geest, want de Geest doorgrondt alles, ook de diepten van God' (1 Kor. 2:10).

-> triniteit: zie vraag 51, 61 e.v.

Overdenking Graag verwijs ik naar de inleiding van hoofdstuk 3.

vraag 199Hoe wordt de Heilige Geest ook genoemd?

NAK antwoord De Heilige Geest wordt ook aangeduid als 'Gods Geest: 'Geest van de Heer: 'Geest van de Waarheid; 'Geest van [Jezus] Christus: en 'Geest van Zijn Zoon'. Jezus sprak over de Heilige Geest als de Pleitbezorger.

Overdenking Zo staat het in de Bijbel, daar voeg ik niets aan toe.

vraag 200 wat betekent: 'De Heilige Geest is de Pleitbezorger'?

NAK antwoord Jezus Christus is een steun en pleitbezorger voor de Zijnen. In Zijn afscheidswoorden voor Zijn gevangenneming en kruisiging beloofde Hij de Heilige Geest als pleitbezorger: “Dan zal Ik de Vader vragen jullie een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn” (Joh. 14:16). De Heilige Geest begeleidt de gelovigen; in alle levenssituaties staat Hij hun ter zijde. Overdenking Ik had de vragen 200 tot en met 202 nooit bedacht. Ook hier geldt weer dat we iets menen te weten (het antwoord dus, ik herken een oude apostolische gedachte) en maken er een vraag bij!

vraag 201 Wat betekent: 'De Heilige Geest is de Geest van de Waarheid'?

NAK antwoord De Heilige Geest maakt duidelijk wat God welgevallig is en wat indruist tegen Gods wil. Als Geest van de Waarheid geeft Hij aan wat waarheid en wat leugen is. De Heilige Geest zorgt ervoor dat de boodschap van de offerdood, opstanding en wederkomst van Christus door de eeuwen heen bewaard blijft en wordt verspreid. Noot “Wanneer de Pleitbezorger komt die Ik van de Vader naar jullie zal zenden, de Geest van de Waarheid die van de Vader komt, zal Die over Mij getuigen.” Joh.15:26

Overdenking Ik had de vragen 200 tot en met 202 nooit bedacht. Ook hier geldt weer dat we iets menen te weten (het antwoord dus) en maken er een vraag bij! vraag 202 Wat betekent: 'De Heilige Geest is de kracht uit de hemel'?

NAK antwoord De uitdrukking 'kracht uit de hemel' geeft aan dat de werkzaamheid van de Heilige Geest een machtig ingrijpen van God inhoudt. Als 'kracht uit de hemel' (Luc. 24:49) inspireert en vervult de Heilige Geest de mens en versterkt zijn streven een God welgevallig leven te leiden en zich voor te bereiden op de wederkomst van Christus.

Overdenking Ik had de vragen 200 tot en met 202 nooit bedacht. Ook hier geldt weer dat we iets menen te weten (het antwoord dus) en maken er een vraag bij!

vraag 203 Waaraan kan worden herkend dat de Heilige Geest werkzaam is?

NAK antwoord De werkzaamheid van de Heilige Geest blijkt uit het feit dat God in Jezus Christus mens is geworden. De Heilige Geest kwam over Maria (vgl. Luc. 1:35) en zij werd zwanger. Ook is dit te herkennen aan het feit dat de Heilige Geest mensen de goddelijke waarheid doet beseffen (openbaringen en inzichten). Jezus zegt daarover: “[ ... ] de Heilige Geest die de Vader jullie namens Mij zal zenden, [zal] jullie alles duidelijk maken en alles in herinnering brengen wat Ik tegen jullie gezegd heb” (Joh. 14:26). Zo is de werkzaamheid van de Heilige Geest tegenwoordig in de prediking te beleven, vooral in het levend houden van de belofte van Christus' wederkomst. De apostelen vervullen hun taken omdat ze vervuld zijn van de Heilige Geest: 'Na deze woorden blies Hij [Jezus] over hen heen en zei: "Ontvang de Heilige Geest" (Joh. 20:22). Overdenking Voor iets wat ondefinieerbaar is en veel groter dan elke verbeelding aanreikt, maar op een bijzondere manier in mij woont en mij een buitengewoon gevoel van liefde geeft, gebruik ik het woordje GOD, met drie hoofdletters. Hoe zou ik dan deelvormen kunnen benoemen en waarom?

vraag 204 Wat is de gave van de Heilige Geest?

NAK antwoord Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de Heilige Geest als persoon van de godheid en de Heilige Geest als gave van God. De Heilige Geest als gave van God is een geschenk en een kracht die uitgaat van de drie-enige God. De gelovige die deze gave ontvangt, wordt tegelijk met de liefde van God vervuld. Gedoopte zielen die de Heilige Geest als gave van God ontvangen, worden daardoor een kind van God.

-> Heilige Geest: zie vraag 198 e.v. ""7 kind van God: zie toelichting bij vraag 530

-> Heilige Verzegeling: zie vraag 515 e.v.

Overdenking In overdenking 203 geef ik aan dat ik dat niet kan!

 

Voor de vragen over de Heilige Geest verwijs ik graag naar overdenking 203; Voor iets wat ondefinieerbaar is en veel groter dan elke verbeelding aanreikt, maar op een bijzondere manier in mij woont en mij een buitengewoon gevoel van liefde geeft, gebruik ik het woordje GOD, met drie hoofdletters. Hoe zou ik dan deelvormen kunnen benoemen en waarom?

 

vraag 205 Hoe ontvangt men de gave van de Heilige Geest?

NAK antwoord God schenkt de gave van de Heilige Geest door handoplegging en gebed van een apostel. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de gebeurtenissen in Samaria. 'Toen de apostelen in Jeruzalem hoorden dat de inwoners van Samaria het woord van God hadden aanvaard, stuurden ze Petrus en Johannes naar hen toe. Nadat ze waren aangekomen, baden ze dat ook de Samaritanen de Heilige Geest mochten ontvangen, want Deze was nog op niemand van hen neergedaald; ze waren alleen gedoopt in de naam van de Heer Jezus. Na het gebed legden Petrus en Johannes hun de handen op, en zo ontvingen ze de Heilige Geest.' Hand. 8:14-17

Overdenking Na mijn uitleg in overdenking 203, is hier niet meer zoveel over te zeggen.

vraag 206 Wordt de Heilige Geest genoemd in het Oude Testament?

NAK antwoord Ja, wanneer het Oude Testament over 'Geest van God' spreekt, wordt daarmee de Heilige Geest bedoeld. Hij wordt echter nog niet als goddelijke persoon voorgesteld.

Overdenking Na mijn uitleg in overdenking 203, is hier niet meer zoveel over te zeggen.

vraag 207 Was de Heilige Geest werkzaam in de oudtestamentische tijd?

NAK antwoord Ja, in de Heilige Schrift wordt de werkzaamheid van de Heilige Geest in de oudtestamentische tijd veelvuldig vermeld. De Heilige Geest spoorde mensen aan zodat ze werktuigen naar Gods wil konden zijn. Hij was bijvoorbeeld werkzaam in de oudtestamentisch profeten en sprak door hen. Door de Heilige Geest werden beloftes gedaan over het komen van de Messias.

Overdenking Na mijn uitleg in overdenking 203, is hier niet meer zoveel over te zeggen.

vraag 208 Werd de Heilige Geest in de oudtestamentische tijd ook geschonken als gave?

NAK antwoord Nee, in de oudtestamentische tijd vervulde de Heilige Geest sommige mensen alleen voor een bepaalde periode. Pas na de offerdood van Jezus Christus kon de Heilige Geest worden ontvangen als een sacramentele gave.

-> Heilige Geest als sacramentele gave: zie vraag 428, 440, 523 e.v. Overdenking Na mijn uitleg in overdenking 203, is hier niet meer zoveel over te zeggen.

vraag 209 Wanneer werden de beloftes over de uitstorting van de Heilige Geest vervuld?

NAK antwoord Op de vijftigste dag na Pasen, op Pinksteren, werd de Heilige Geest uitgestort over de leerlingen die in Jeruzalem waren samengekomen.

Overdenking Na mijn uitleg in overdenking 203, is hier niet meer zoveel over te zeggen.

vraag 210 Hoe voltrok de uitstorting van de Heilige Geest zich?

NAK antwoord In de Bijbel staat: 'Toen de dag van het pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, en allen werden vervuld van de Heilige Geest' (Hand. 2:1-4). De Heilige Geest vervulde de apostelen en allen die bij hen waren blijvend als gave, als kracht uit de hemel (vgl. Luc. 24:49).

Overdenking Na mijn uitleg in overdenking 203, is hier niet meer zoveel over te zeggen.

vraag 211 Ging de werkzaamheid van de Heilige Geest verder dan de tijd van de eerste apostelen?

NAK antwoord Ja, de Heilige Geest is tot op heden werkzaam. Daardoor is ook nu de aanwezigheid van God te ervaren. De Heer zelf verwees naar de toekomstige werkzaamheid van de Heilige Geest: 'De Geest van de Waarheid zal jullie, wanneer Hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid. [ ... ] Hij zal zeggen wat Hij hoort en jullie bekendmaken wat komen gaat' (Joh. 16:13).

Overdenking Na mijn uitleg in overdenking 203, is hier niet meer zoveel over te zeggen.

vraag 212 Waar is de Heilige Geest tegenwoordig werkzaam?

NAK antwoord Waar men in Jezus Christus gelooft, Hem als Heer belijdt en het leven naar Zijn wil inricht, is de Heilige Geest werkzaam.

Overdenking Na mijn uitleg in overdenking 203, is hier niet meer zoveel over te zeggen.

vraag 213 Is de Heilige Geest werkzaam in de sacramenten?

NAK antwoord Ja, alle drie de goddelijke personen zijn werkzaam in de sacramenten. Zo is de Heilige Geest als persoon van de godheid er altijd bij betrokken, wanneer de drie-enige God handelt. De drie sacramenten worden toegediend in de naam en de kracht van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Daardoor hebben de sacramenten een heil schenkende kracht.

-> sacramenten: zie vraag 472 e.v.

Overdenking Na mijn uitleg in overdenking 203, is hier niet meer zoveel over te zeggen.

vraag 214 Welke samenhang bestaat er tussen de werkzaamheid van de Heilige Geest en het apostelambt?

NAK antwoord De apostelen zijn door Jezus Christus gezonden. Door hen biedt Hij de mensen verlossing aan. Zij oefenen hun ambt uit in de kracht van de Heilige Geest. Dat uit zich in het toedienen van de sacramenten, de verkondiging van de zondevergeving, het verspreiden van het evangelie en het levend houden van de belofte van de wederkomst van Christus. Zo wordt de bruid van Christus voorbereid op de wederkomst van Jezus Christus. -> bruid van Christus {bruidsgemeente): zie vraag 387, 555, 561 e.v.

Overdenking Na mijn uitleg in overdenking 203, is hier niet meer zoveel over te zeggen.

 

 

 

Hoofdstuk 4

 

 

De op verlossing aangewezen mens   

                     

Voorwoord voor hoofdstuk 4

 

Uit overdenking 58 In de inleiding (3) kunnen we lezen; de landbouw vereiste dat bepaalde zaken niet meer van iedereen waren, het eigendomsrecht deed z’n intrede. Wat valt er te oogsten, wanneer iedereen zich tevoren kan bedienen? Langzaam groeide de mening en afspraak als ik dat stuk grond bewerk, dan is de oogst van mij. Opnieuw langzaam groeide de gewoonte op dat land verbouw ik mijn vruchten. Mogelijk dat hier ook afspraken over werden gemaakt en een ‘wet’ is gemaakt. Voortaan geldt dus: dit is mijn land! Dit zijn mijn planten en dat zijn mijn voorraden!' Daarvan mocht een ander niets meer nemen zonder tevoren beleefd te vragen. Het was niet eenvoudig om dat nieuwe eigendomsconcept ingang te laten vinden.

Als we denken aan mishandeling of moord dan is het ondenkbaar dat daar in kleine gemeenschappen, waar iedereen elkaar kent, geen afspraken of regels ontstaan, opnieuw een ‘wet’ is geboren.

In een tijd waar geen AOW was werden je ouders op hun oude dag afhankelijk van de kinderen. Als mensen in kleine groepen leven (50 - 300 personen) wordt het een regel je vader en moeder te eren, immers dat heb je van jongs af aan gedaan. Opnieuw een ‘wet’ is geboren.

Zonde en erfzonde Het voorgaande was dan ook de proloog voor regels die de ‘nieuwe’ samenleving vorm gaven. Maar dat deze regels, zoals in de Bijbel verondersteld, letterlijk uit de lucht komen vallen? En waar God ons dan weer genadig over is, als we die regels overtreden? In wat een hopeloze positie hebben wij God gemanoeuvreerd! Ik geloof er niets van, het is anders. Ik ga opnieuw ‘even langs’ bij Harry Kuitert.

Uit zijn; algemeen betwijfeld christelijk geloof (blz 142) “Hoezo verzoening? Ik wist niet dat het oorlog was!” Zo'n uitroep lijkt mij voorde hand te liggen. In haar oprechtheid is zij tegelijk onthullend voor de stand van zaken: de spil waarom de christelijke geloofsverkondiging draait, sluit niet helemaal - of helemaal niet - bij onze emoties aan. Verzoening veronderstelt twee partijen, veronderstelt dat er tussen die twee iets is, op z'n minst een vorm van twist. Maar hebben wij twist met God? We zijn ons van geen kwaad bewust, de vergeving der zonden doet ons dan ook niet (althans zelden) een gat in de lucht springen en vrede met God is geen Groot Nieuws. Ik overdrijf enigszins, maar zeg geen onherkenbare dingen. Het enige dat rest is: wij hebben niets tegen God, maar Hij kan toch wat tegen ons hebben? Tot zo ver Kuitert.

Voor de zekerheid ga ik ook bij een andere hoogleraar langs, niet om mijn eigen mening er versterkt uit te laten komen, maar voor de zekerheid.

Om de ontdekte dwaling van meerdere kanten te belichten.

Uit Bijbelse uitgangspunten over 'erfzonde', prof. dr. Willem Ouweneel Een aantal Bijbelse uitgangspunten aangaande de 'erfzonde', een term die niet als zodanig in de Bijbel voorkomt. Adam werd een zondaar doordat hij zondigde en bij zijn nazaten is het net andersom: zij zondigen doordat zij zondaren zijn. Met andere woorden: zij hebben een 'zondige natuur'.

De 'natuurlijke' zondigheid van de mens Het gaat niet om de geschapen, maar om de gevallen natuur van de mens. De Bijbel spreekt op diverse plekken over deze 'natuurlijke' zondigheid:

- "Alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht" (Genesis 8:21; vgl. 6:5).

- Kan een mens tot reinheid brengen wat onrein is? Nee, dat kan hij niet (Job 14:4)! - “Hoe kan een mens nu zuiver zijn, wie uit een vrouw geboren is, onschuldig" (Job 15:14)? - De HEER kijkt vanuit de hemel naar de mensen om te zien of er één verstandig is, één die God zoekt. Allen zijn afgedwaald, allen ontaard, geen van hen deugt, niet één (Psalm 14:2-3; 53:2-3, vgl. Romeinen 3:10).

- “Ik was al schuldig toen ik werd geboren, al zondig toen mijn moeder mij ontving" (psalm 51 :7).

- "Van de moederschoot af zijn ze van God vervreemd, van hun geboorte af dwalen die leugenaars." (Psalm 58:4). In het NT; Matteüs 7: 11; Johannes 3:6; Efeziërs 2:3; Romeinen 2:5. Alle mensen zijn zondaren De Bijbel getuigt op vele plekken dat alle mensen zondaren zijn:

- ‘Er is geen mens die niet zondigt' (1 Koningen 8:46; 2 Kronieken 6:36).

- ‘Wie zou kunnen zeggen: 'Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben vrij van zonden’ (Spreuken 20:9; vgl. vers 6)?

- ‘Ook wij waren eens onverstandig, ongehoorzaam, op de verkeerde weg, slaaf van allerlei begeerten en lusten. Ons leven stond in het teken van boosaardigheid en afgunst, we verafschuwden en haatten elkaar’ (Titus 3:3).

Erfzonde: betekenis Ouweneel benadrukt dat mensen:

- geen zondaren zijn doordat zij zondigen, maar zij zondigen doordat zij zondaren zijn.

- geen zondaren zijn doordat zij in en met Adam 'mee gezondigd' zouden hebben;

- geen zondaren zijn doordat hetgeen hun verbondshoofd Adam heeft gedaan hen 'toegerekend' wordt;

- maar zondaren zijn doordat zij met een zondige natuur geboren zijn, welke uiteindelijk teruggaat tot de eerste mens, Adam.

Erfzonde: geen ideale term Ouweneel vindt de term 'erfzonde' verre van ideaal. Om minstens drie redenen:

- De term kan suggereren alsof het om de geërfde zondige daad van Adam zou gaan in plaats van de geërfde zondige natuur.

- De term kan voorts suggereren dat het woord iets met genetische erfelijkheid te maken heeft en dat heeft het niet

- De leer van de erfzonde kan het misverstand wekken dat de verantwoordelijke mens eenzijdig om zijn natuur verworpen wordt en dat is niet zo. Hij wordt veroordeeld om zijn zondige daden (zie o.a. Romeinen 2:5v.).

Tot zo ver Ouweneel.

De problemen die ik nog niet opgelost heb, althans niet duidelijk uitgesproken zijn bij genoemde hoogleraren zijn:

- dat er een mens bestaat, die voor de zondeval, volmaakt is,

- dat de mens naar Gods beeld en gelijkenis geschapen is,

- het kwaad buiten onszelf gezocht wordt.

 

Over deze zaken moet ik nog maar eens goed nadenken. Opnieuw ga ik eerdere logica hanteren, die ik in de inleiding beschreven heb en is ook te vinden op http://paulgsmits.simplesite.com/ onder het kopje Overdenkingen. De opbouw en de logica die ik daar hanteer zijn een condensaat van jarenlage overdenkingen, studie en lezen. Zoals ik eerder vertelde wil ik m’n geloof overeind houden en de Bijbel op z’n waarde blijven zien, terwijl ik niet met tegenstrijdigheden verder wil en als het niet past, zeggen dat is dan een ingreep van God of een wonder. De beschrijvingen in het voorwoord geven een beeld van de ‘schepping’ die sterk afwijkt van de beschrijvingen in Genesis. Is dat moeilijk te begrijpen, immers de ‘Heilige Schrift’ zegt iets anders. Voor mij is het antwoord, nee. Helemaal niet zelfs, als je maar voor ogen houdt hoe het naar alle waarschijnlijkheid zit, zeker weten is immers geen optie. Niets in de ’schepping’ is onveranderlijk een constatering die wij kunnen maken op grond van bevindingen van de huidige stand van de wetenschap. Hele langzame veranderingen en soms ook hele snelle, van miljarden jaren tot milleseconden of omgekeerd. De geschiedenis van het ontstaan van de ‘schepping’ gaat voor zover we kunnen zien tot 13,8 miljard jaar terug. Alles van voor die tijd is speculatief en kan niet met waarnemingen ondersteund worden. Zonder verder alle bekende details in de schepping te beschrijven kunnen we vaststellen dat de aarde voor een deel uit sterrenstof bestaat, oude zonnen die al opgebrand zijn en ontploft. Het leven op aarde is voor zover we het met de huidige stand van de wetenschap kennen, ongeveer 3,5 miljard jaar geleden ontstaan. Alle veranderingen lijken haast niet waarneembaar, en kunnen alleen over een veel grotere tijdspanne waargenomen worden, meestal veel langer dan ons leven duurt. Daar zit ook het probleem met schrijvers uit het verleden, zij konden niet waarnemen wat wij tegenwoordig wel kunnen. Veranderingen worden dan ook vaak vermeld vanuit een plotselinge wending. Dat was meestal niet zo. Verhalen zijn dan ook wel ‘waar’ maar dan anders. Neem bijvoorbeeld het Lost Paradise uit inleiding 4.

Zoals ik in het begin van voorwoord van hoofdstuk 4 al aangaf; spelregels (voor een leefgroep) zijn langzaam ontstaan, niet bij donderslag uit de hemel komen vallen. Vaak in ons leven willen we belangrijke zaken kracht bijzetten door aan de groten in de geschiedenis te refereren en dat doe ik zelf ook steeds. Immers door z’n referentie geeft gezag aan datgene wat je zegt of bedoeld. Een uiterste referentie is God, als je weet te overtuigen dat Hij er achter staat, wat wil je nog meer. Tijdens één van de lange stagnaties van de tocht door de woestijn heeft Mozes (en mogelijk anderen) de verzamelde kennis op het gebied van de omgang tussen mensen en de natuur vastgelegd en daar de autoriteit van God aan verbonden, Exodus 20. Dat het allemaal niet van ‘leiendakje’ ging blijkt wel uit Exodus 32 - 34. Dat wetten en regels niet van (een) God hoeven te komen bewijst wel dat de volken om de Israëlieten ook wetten hadden, de Bijbel spreek hiervan; Meden en Perzen, Babyloniërs, Grieken en de Romeinen. Maar niet van God! Allemaal verkeerd bezig? Geen sprake van. Het was dezelfde elementaire behoefte om regels te hebben in grotere gemeenschappen. Conclusie het houden aan en overtreden van de wetten heeft niets met God te maken, of toch? Jezus zei: “wie dus ook maar één van de kleinste van deze geboden afschaft en anderen leert dezelfde te doen, zal in als kleinste worden beschouwd in het Koninkrijk van de Hemel. Mt 5:19. Ik kan nergens lezen dat Hij de toevoeging gaf want dit zijn de geboden van God. Die regels zijn nodig ook zonder dat God ze direct gaf. Hiermee ligt de erfzonde onderuit.

Kunnen we tegenover God zonde begaan? Niet in de zin dus als het gaat over de 10 geboden, de 613 Mitswot, of voor ons het Burgerlijk Wetboek. Dat is van deze wereld en we zijn hier verantwoording verschuldigd tegenover de gemeenschap van mensen waar we deel van uit maken.

Waarover moeten we God dan wel verantwoording afdragen? Dat is op zich redelijk eenvoudig uit te leggen. We kijken weer even naar Mt 5 - 7, de Bergrede, hiervan schreef ik eerder:

Voor degenen die de Bergrede oprecht en bewust naleven geldt dat:

De maatstaven van de Bergrede zijn niet gemakkelijk haalbaar maar ook weer niet totaal onhaalbaar.

Als je zegt dat het onhaalbaar is dan ontken je de bedoeling van de Bergrede.

Als je het daarentegen weer voor iedereen haalbaar acht dan negeer je weer de werkelijkheid van de menselijke zwakheden.

Ze zijn alleen maar haalbaar voor diegenen die de nieuwe geboorte ervaren hebben, waarvan Jezus aan Nicodemus uitlegde dat het de onmisbare voorwaarde was om het Domein van God te zien en binnen te gaan.

Want de rechtvaardigheid die Jezus in de Bergrede benoemt is een innerlijke rechtvaardigheid.

Hoewel het uitwendig blijkt en zichtbaar wordt in woorden, daden en relaties, blijft het in essentie een rechtvaardigheid van het hart.

Het gaat dus om dat wij in een tijd en omstandigheid leven, dat we Gods bedoelingen kennen. Hoe moeilijk ook we kunnen niet ontkennen dat God ons de weg gewezen heeft hoe en wat we moeten veranderen, het verzaken is voor God minstens een teleurstelling, je mag het zonden noemen. Met deze kennis kunnen we ook meteen een antwoord op de 3 voorgaande vragen geven.

- dat er een mens bestaat, die voor de zondeval, volmaakt is, het antwoord is nee, ondanks dat er paradijselijke omstandigheden zijn geweest,

- dat de mens naar Gods beeld en gelijkenis geschapen is, het antwoord is nee, alleen al de aanmatigende houding dat zouden weten wie of wat God is,

- het kwaad buiten onszelf gezocht wordt, dat kan niet, we moeten het kwaad in onze onvolmaaktheid tijdens onze ontwikkeling zoeken.

Voorbeelden uit onze tijd

Leven als een Grand Seigneur

Voor een koninklijk leven weet ik geen beter voorbeeld dan Dietrich Bonhoeffer, vertegenwoordiger van een aristocratisch christendom. Christenen mogen iets royaals van Jezus overnemen, royaal leven en royaal sterven. Wie niet bang is voor de eeuwigheid leeft als een ‘grand seigneur’, die vandaag al boven de wisselingen van het lot staat: gehuwd als was hij niet gehuwd, bezittend als niet bezittend, hij leeft, zeg maar, met een eschatologische slag om de arm. Evenals Maarten Luther King, Oscar Romero, geldt voor Bonhoeffer dat ze hun navolging moesten bekopen met de dood, slachtoffers van hun levensstijl, van de navolging met Christus (en in navolging van Christus). Moderne heiligen (1). Je moet ervoor vermoord zijn (niet hetzelfde als: je moet er eerst dood voor zijn) om het tot die status te brengen. Mensen die niet zonder vlek of rimpel waren, zulke heiligen kennen we niet. Bovendien, er zijn er veel meer, wier namen we vergeten zijn, of niet eens kennen. Maar het komt voor, bedoel ik, mensen die het profetische, priesterlijke en koninklijke in hun leven verenigen.

    1. een heilige is iemand die op een belangrijk ‘kruispunt’ een moedig besluit durft te nemen.

Kuitert over Bonhoeffer

 

vraag 215 Waarom is de mens op verlossing aangewezen?

NAK antwoord Sinds de zondeval is ieder mens een zondaar. Door het kwaad werd de mens tot de zonde verleid. Niemand kan leven zonder te zondigen, ieder mens is verstrikt in de zonde. God wil de mensen uit deze toestand bevrijden, m.a.w. verlossen. -> zondeval en gevolgen: zie vraag 88 e.v.

Overdenking Uit het voorwoord blijkt dat ik een geheel andere visie heb.

vraag 216 Wat betekent 'verlossing'?

NAK antwoord In de oorspronkelijke betekenis van het woord werd met 'verlossing' het losmaken van knopen en boeien bedoeld. Verlossing met betrekking tot het offer van Jezus betekent dat de in zonde verstrikt geraakte mens wordt bevrijd uit de boeien van het kwaad.

Overdenking Uit het voorwoord blijkt dat ik een geheel andere visie heb.

vraag 217 Waar komt het kwaad vandaan?

NAK antwoord Met het verstand is niet te begrijpen en te verklaren waar het kwaad vandaan komt.

Overdenking Het kwaad of onvolkomenheid mogen we niet ‘buiten’ ons plaatsen of in een andere persoon zoeken, maar is het onvolmaakte in ons. Uit het voorwoord blijkt dat ik een geheel andere visie heb.

vraag 218 Wat is het kwaad?

NAK antwoord Het kwaad is een vernietigende, antigoddelijke kracht.

Overdenking Uit het voorwoord blijkt dat dit het onvolkomen wezen in ons is.

vraag 219 Hoe openbaart het kwaad zich?

NAK antwoord Het kwaad openbaart zich op verschillende wijzen, bijv. in verwoesting, leugen, jaloezie en hebzucht. Uiteindelijk leidt het kwaad tot de dood.

Overdenking De eerste zin ondersteun ik maar voor de tweede zin geldt; uit het voorwoord blijkt dat ik een geheel andere visie heb, wat soms ook tot een natuurlijke dood kan leiden.

vraag 220 Bestaat het kwaad ook als persoon?

NAK antwoord Ja, het kwaad openbaart zich ook als persoon en wordt o.a. 'duivel' of 'Satan' genoemd (vgl. Matt. 4:1; Marc. 1:13). Als vijand van Christus wordt het ook aangeduid als 'antichrist'.

Overdenking Nee, er bestaan wel personen die veel kwaad naar anderen in zich hebben, maar dat heeft niet de betekenis dat het kwaad in een persoon vertegenwoordigd wordt, geen duivel of satan. Wat wij aan/met kwaad doen zit in ons en dat moeten wij bestrijden, zoals bedoeld in 2 Kor 12:7.

vraag 221 Hoe kwam het kwaad naar de mens?

NAK antwoord God gaf de mensen de mogelijkheid gehoorzaam of ongehoorzaam aan Hem te zijn. Toen de mens zich van God afwendde en ervoor koos ongehoorzaam aan Hem te zijn, openbaarde het kwaad zich. Het kwaad is dus niet door God geschapen maar wel toegelaten doordat Hij de keuze van de mens niet heeft verhinderd. Overdenking Een infantiel verhaal, op de zondagsschool kon ik dat met droge ogen vertellen, maar ik hoopte altijd dat als de kinderen groot werden ze een vergelijkbare ontwikkeling zouden meemaken als ik had meegemaakt en beter zouden weten.

vraag 222 Zal het kwaad altijd bestaan?

NAK antwoord Nee, het kwaad zal niet blijven bestaan. De macht van het kwaad is al gebroken door Jezus Christus. In 1 Johannes 3:8 staat: 'De Zoon van God is dan ook verschenen om de daden van de duivel teniet te doen.’ Na het Vredesrijk krijgt het kwaad een laatste gelegenheid om zich tegen God te verheffen. Daarna zal het volledig buiten werking worden gesteld. In de nieuwe schepping is geen plaats voor het kwaad. -> Vredesrijk: zie vraag 575 e.v.

Overdenking We gaan het zien, maar zolang we op aarde leven is volmaaktheid uitgesloten.

vraag 223 Wat wordt er in de Heilige Schrift over de zondeval geschreven?

NAK antwoord God had Adam en Eva aangezegd dat ze niet mochten eten van de boom van de kennis van goed en kwaad, die midden in de tuin van Eden stond. God wees hen ook op de gevolgen indien ze het gebod zouden overtreden:'[ ... ) wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven' (Gen. 2:17). De duivel beïnvloedde de mens en bracht Gods woord in twijfel: “Jullie zullen helemaal niet sterven [ ... ]. Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad” (Gen. 3:4-5). Adam en Eva bezweken voor de verleiding om te zondigen. Ze keerden zich tegen God, overtraden Zijn gebod en aten van de vruchten van de boom. Deze ongehoorzaamheid tegenover God wordt aangeduid als 'zondeval'.

Overdenking Dat klopt, in de Bijbel staat dat beschreven.

vraag 224 Welke gevolgen had de zondeval voor de mens?

NAK antwoord De zondeval bracht veranderingen in het leven van de mens die de mens niet ongedaan kon maken. De mens werd bang voor God en verstopte zich voor Hem. Ook de onderlinge verhouding van de mensen raakte beschadigd, evenals de verhouding van de mens t.o.v. de schepping. Sindsdien moet de mens zich met moeite in leven houden en is zijn leven aan grenzen gebonden: “( ... ] stof ben je, tot stof keer je terug” (Gen. 3:19). Een ander gevolg van de zondeval was de scheiding van de mens van God. God stuurde de mens weg uit de tuin van Eden (vgl. Gen. 3:23-24).

Noot 'Daarom stuurde Hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen. En nadat Hij hem had weggejaagd, plaatste Hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken.' Gen. 3:23-24

Overdenking Uit het voorwoord blijkt een heel ander verhaal.

vraag 225 Hoe staat God tegenover de in zonde gevallen mens?

NAK antwoord God heeft de mens ook na de zondeval lief. Ondanks de ongehoorzaamheid ontfermde God zich over hem: God maakte voor Adam en Eva kleren van dierenvellen (vgl. Gen. 3:21). De liefde van God voor de in zonde gevallen mens openbaart zich op volmaakte wijze in de zending van Jezus Christus, die de zonde overwint. 'Kortom, zoals de overtreding van één enkel mens ertoe heeft geleid dat allen werden veroordeeld, zo zal de rechtvaardigheid van één enkel mens ertoe leiden dat allen worden vrijgesproken en daardoor zullen leven. Zoals door de ongehoorzaamheid van één mens alle mensen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van één mens alle mensen rechtvaardigen worden' (Rom. 5:18-19).

Overdenking Aan Gods houding tegenover de mens is niets veranderd, voor zover we daar van kunnen spreken.

vraag 226 Hoe ontwikkelde de mensheid zich na de zondeval?

NAK antwoord Na de zondeval groeiden de zonden van de mensheid op schrikbarende wijze. Al snel sloeg Kaïn ondanks Gods waarschuwing zijn broer Abel dood (vgl. Gen. 4:6-8). In de loop van de tijd zondigden de mensen steeds meer. God besloot de mensen te straffen en liet de zondvloed komen. Alleen Noach vond genade bij God. Op Gods bevel bouwde Noach een ark die aan hem en zijn familie redding bood (vgl. Gen. 6:5-7 en 17-18). Zelfs na dit strafgericht bleven de mensen ongehoorzaam aan God. De Bijbel doet bijvoorbeeld verslag van de torenbouw van Babel. God liet de bouw van de toren mislukken door de hoogmoed en het verlangen naar roem van de bouwers: Hij zorgde ervoor dat ze elkaar niet meer verstonden (vgl. Gen. 11:1-8). Noot Kaïn zei tegen zijn broer Abel: "Laten we het veld in gaan." Toen ze daar waren, viel hij zijn broer aan en sloeg hem dood. Gen.4:8

Overdenking In de ontwikkeling van de mens is geen voor of na de zondeval, er is geen zondeval.

vraag 227 Heeft de zondeval gevolgen voor alle mensen?

NAK antwoord Ja, sinds de zondeval zijn alle mensen onderhevig aan de macht van de zonde. Zonde leidt tot scheiding van God, m.a.w. de geestelijke dood: 'Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, en zo is de dood voor ieder mens gekomen, want ieder mens heeft gezondigd' (Rom. 5:12). Bij de mens blijft de neiging om te zondigen (concupiscentie) bestaan; de mens kan niet uit eigen kracht terugkeren naar de toestand van zondeloosheid. -> geestelijke dood: zie vraag 89 e.v. Neiging om te zondigen (concupiscentie): Door de zondeval ontstond bij de mens de neiging om te zondigen. Dit wordt 'concupiscentie' genoemd. Daaruit ontstaan zondige gedachten en handelingen. Hoewel zonden worden vergeven, blijft de neiging om te zondigen bestaan.

Overdenking Nee, God was, is en blijft de mens verder helpen in zijn ontwikkeling.

vraag 228 Heeft de zondeval bovendien gevolgen voor de schepping?

NAK antwoord Ja, de zondeval van de mens heeft verstrekkende uitwerkingen op de schepping. De akker wordt vervloekt: “Je hebt [ ... ) gegeten van de boom die Ik je had verboden. Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan, zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang. Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven” (Gen. 3:17-18). Sindsdien is de van oorsprong volkomen schepping beschadigd. Ook de schepping moet dus worden bevrijd van de vloek die er op rust. Noot 'Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid[ ... ]. Maar ze heeft hoop gekregen, omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid[ ... ]. Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt.' Rom. 8:20-22 Overdenking Nee, als er geen zondeval is zijn ook geen gevolgen.

vraag 229 Wat is zonde?

NAK antwoord Zonde is alles wat in strijd is met Gods wil en indruist tegen het wezen van God, dus alle woorden, daden en gedachten die in strijd zijn met Gods wil en wezen. Ook het bewust nalaten van het goede is een zonde (vgl. Jak. 4: 17). Met elke zonde laadt de mens tegenover God schuld op zich.

Overdenking In verschillende religies is een zonde een ernstige of minder ernstige handeling tegen de morele wetten van de godsdienst. De term impliceert ongehoorzaamheid aan God en wordt gebruikt in het jodendom, christendom en islam. (Wikipedia) In het voorwoord van hoofdstuk 4 heb ik daar de nodige kanttekeningen bij gezet, maar ook aan het eind van het voorwoord aangegeven hoe het wel gezien kan worden. Ik herhaal na; ‘Voor degenen die de Bergrede oprecht en bewust naleven geldt dat: De maatstaven van de Bergrede zijn niet gemakkelijk haalbaar maar ook weer niet totaal onhaalbaar. e.v.‘ Het gaat dus om dat wij in een tijd en omstandigheid leven, dat we Gods bedoelingen (voor een deel) kennen. Hoe moeilijk ook we kunnen niet ontkennen dat God ons de weg gewezen heeft hoe en wat we moeten veranderen (aan ons zelf), het verzaken is voor God minstens een teleurstelling, je mag het zonden noemen.

vraag 230 Wat is het verschil tussen zonde en schuld?

NAK antwoord Zonde is absoluut en dus niet te relativeren. Zonde scheidt van God. Daarentegen is het aannemelijk dat God de schuld die men tegenover Hem door de zonde op zich heeft geladen, in Zijn rechtvaardigheid en barmhartigheid verschillend waardeert.

Noot Omvang van de schuld: Er bestaat een verschil in de waardering van de schuld, of iemand bijv. steelt uit honger of ter bevrediging van een verlangen naar luxe. In beide gevallen is er evenveel sprake van zonde, namelijk een overtreding van het zevende gebod. De schuld uit deze zonde die de mens daarmee op zich laadt. zal echter verschillend zijn. - God oordeelt in Zijn alwetendheid altijd rechtvaardig over de vraag in hoeverre de mens door de zonde schuld op zich heeft geladen. Bepaalde invloeden en situaties waaraan mensen zijn blootgesteld zullen een rol spelen, bijv. maatschappelijke structuren, noodsituaties en ziekelijke stoornissen.

Overdenking Ik heb sterk de indruk dat de vraag gemaakt is om het (vooringenomen) antwoord te kunnen geven, zie ook overdenking 229.

vraag 231 Hoe kan het gescheiden zijn van God worden opgeheven?

NAK antwoord Om weer in Gods nabijheid te komen, moet de zonde worden vergeven.

-> zondevergeving: zie vraag 652

Overdenking Veel begrippen rond zonde zijn bedacht na een foute veronderstelling over zonde. Zie ook overdenking 229.

vraag 232 Wie bepaalt wat zonde is?

NAK antwoord God bepaalt wat zonde is. In geen geval mag de mens dat zelf bepalen. Overdenking Veel begrippen rond zonde zijn bedacht na een foute veronderstelling over zonde. Zie ook overdenking 229.

vraag 233 Hoe kan de mens herkennen wat zonde is?

NAK antwoord Wat zonde is, dus indruist tegen de wil van God, ervaart de mens uit de Heilige Schrift:

• het schenden van de Tien Geboden (vgl. Ex. 20:20),

• geloftes breken die aan God zijn gedaan (vgl. Deut. 23:22),

• het geloof in Christus afwijzen (vgl. Joh. 16:9),

• gierigheid, jaloezie etc. Dit wordt duidelijk gemaakt in de prediking door de Heilige Geest.

Overdenking De genoemde antwoorden zijn wel een toonbeeld hoe je van God verwijderd kan raken.

vraag 234 Met welke gaven helpt God de zondige mens?

NAK antwoord God heeft de mens geweten, verstand en geloof geschonken. Als de mens deze gaven gebruikt, dan is dit de juiste beantwoording van Gods ontferming over hem.

Overdenking Het woordje zondig had niet nodig geweest in de vraag, dat maakt het antwoord niet minder.

vraag 235 Hoe moeten geweten, verstand en geloof worden ingezet?

NAK antwoord Geweten, verstand en geloof moeten op Jezus Christus zijn georiënteerd. Overdenking Mee eens.

vraag 236 Waartoe dient het geweten?

NAK antwoord Het geweten kan helpen beslissingen te nemen die overeenkomen met Gods wil. In het geweten wordt afgewogen wat goed en wat kwaad is. Bovendien beseft de mens door het geweten, als het wordt bepaald door verstand en geloof, of hij door zijn gedrag voor God en zijn naaste schuld op zich heeft geladen.

Overdenking Misschien moet je eerst de vraag stellen hoe heeft zich dat bij mij ontwikkeld?

vraag 237 Waartoe dient het verstand?

NAK antwoord Het verstand kan de mens aansporen tot een gedrag dat God welgevallig is. Verstand uit zich doordat de mens zijn handelen voor God en de naaste kan verantwoorden. Verstand is ook nodig om het evangelie te begrijpen en het geloof te kunnen belijden.

Overdenking Als we steeds weer verwonderen, zal dat een goede ontwikkeling doormaken en daar moeten we het mee doen.

vraag 238 Zijn er grenzen aan het menselijke verstand?

NAK antwoord Ja. Het menselijke verstand is in zijn begrensdheid niet in staat God in Zijn oneindigheid te begrijpen. Gods wezen en handelwijze gaan het menselijke verstand te boven (vgl. Fil. 4:7). Dientengevolge kan het verstand niet de maatstaf van alle dingen zijn. Noot 'Dan zal de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, uw hart en gedachten in Christus Jezus bewaren.' Fil.4:7 Overdenking Mee eens.

vraag 239 Wat is geloof?

NAK antwoord Geloof omvat vertrouwen, gehoorzaamheid en trouw tegenover God. Uit het geloof put de mens het vaste vertrouwen op Gods barmhartigheid en hulp. In Hebreeën 11: 1 staat: 'Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.’

Overdenking Dietrich Bonhoeffer beloofde zichzelf dat hij, eenmaal uit de gevangenis, een boek zou schrijven over wat christenen moeten geloven. Ineens valt hij zichzelf dan in de rede met 'Wat moeten we geloven? Verkeerde vraag. Wat geloven we werkelijk?!' Inderdaad, ik zal niet zeggen dat we onszelf niet kunnen of mogen aansporen om voorstellingen van de christelijke geloofstraditie vast te houden, maar alles wat verder gaat maakt van geloven een playback vertoning, een imitatie, niet je eigen stem. Dat kan niet. De traditie is voorgebakken, zonder twijfel. Ze bestaat uit woorden, beelden, voorstellingen van generaties die ons voorgingen. Maar geloven is instemmen, letterlijk.  vraag 240 Hoe komt de mens tot het geloof?

NAK antwoord Aan het begin van het geloof staat altijd God, die zich openbaart door woorden en daden. Het geloof is een geschenk van God. Waarachtig geloof berust op Gods uitverkiezende genade. Het geloof is tegelijkertijd een taak voor de mens. Of en in hoeverre de mens tot het geloof komt, hangt namelijk ook af van zijn eigen houding. De mens moet willen geloven. Daarom is het nodig om voor geloof te bidden.

Noot 'Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.' Marc. 9:24

Overdenking Wie de inleiding goed gelezen heeft ziet dat ik een geheel andere conclusie hanteer.

vraag 241 Welke taak heeft de gelovige christen?

NAK antwoord Van de mens wordt verlangd dat hij Gods woord aanneemt, erop vertrouwt en dienovereenkomstig handelt. Jezus Christus deed de oproep: '( ... ] vertrouw op God en op Mij' (Joh. 14:1). Hij beloofde dat 'iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft' (Joh. 3:16). Wat ongeloof tot gevolg heeft, omschreef Jezus met consequenties van dien: ' [ ... ] als u niet gelooft dat Ik het ben, zult u inderdaad in uw zonden sterven' (Joh. 8:24).

Noot 'Dus door te luisteren komt men tot geloof, en wat men hoort is de verkondiging van Christus.' Rom.10:17

Overdenking Naar de inhoud van de Bergrede te leven.

vraag 242 Waartoe dient het geloof?

NAK antwoord Het geloof in Jezus Christus is een voorwaarde voor het heil:

• dat God zich verzoent met de zondaar,

• dat de mens een kind van God kan worden (vgl. Joh. 1:12)

• dat de mens voor eeuwig verbonden met God kan zijn.

Noot 'Zonder geloof is het onmogelijk God vreugde te geven [ ... ].' Hebr.11:6 Overdenking Als je Gods plannen kent is dat antwoord juist, maar ik denk dat ik ze niet ken. Dan blijft de vraag, hoe kom ik tot het antwoord. Echter ik denk dat God een plan heeft met de schepping, maar ik denk dat we er nog niet veel van weten. En toch vertrouw ik Hem, ik wacht af en doe wat ik kan, Luther zei daarover; “als ik weet dat de Heer morgen komt, plant ik vandaag nog een boom”.

vraag 243 Wat wordt bedoeld met 'heilsgeschiedenis'?

NAK antwoord In de Heilige Schrift wordt het begrip 'heil' gebruikt in de betekenis van 'redding; 'bewaring' en 'verlossing'. Onder 'heilsgeschiedenis' verstaat men het handelen van God, die mensen het heil schenkt.

Overdenking Heilshistorie is een term uit de christelijke theologie waarmee men wil aangeven dat het christelijke heil de menselijke geschiedenis is binnengekomen (wikipedia), een voor-onderstelling.

vraag 244 Wat wordt bedoeld met 'heilsplan'?

NAK antwoord De gebeurtenissen vanaf de zondeval tot en met de nieuwe schepping worden aangeduid als 'heilsplan' van God. De mens kent het heilsplan van God niet in zijn volle omvang, maar kan uit het verloop van de heilsgeschiedenis opmaken hoe God de mens wil helpen.

Overdenking Voor deze overdenking verwijs ik graag naar het voorwoord bij hoofdstuk 4. vraag 245 Hoe verloopt de heilsgeschiedenis?

NAK antwoord De aard en mate van het heil zijn in de afzonderlijke fasen van de heilsgeschiedenis verschillend. Boven alles staat Gods wil om alle mensen uit alle tijden te redden.

Overdenking God heeft een plan, het is maar de vraag of je dat redden mag noemen. vraag 246 Waarop was de hoop op het heil in de oudtestamentische tijd gericht?

NAK antwoord De hoop op het heil richtte zich in het Oude Verbond aanvankelijk op redding uit aardse nood en slavernij. In de loop van de tijd richtte Israëls hoop op het heil zich echter steeds duidelijker op de verwachte Messias.

Overdenking Mee eens.

vraag 247 Waarop is het heil gebaseerd?

NAK antwoord Jezus Christus is de grondlegger van het eeuwige heil: 'En toen Hij naar de uiteindelijke volmaaktheid gevoerd was, werd Hij voor allen die Hem gehoorzamen een bron van eeuwige redding' (Hebr. 5:9). Hij is de enige bemiddelaar tussen God en de mens (vgl. 1 Tim. 2:5). In Handelingen 4: 12 staat: 'Door niemand anders [dan Jezus Christus] kunnen wij worden gered, want Zijn naam is de enige op aarde die de mens redding biedt.’ Jezus Christus is de door God gezonden Heiland, de Verlosser, die de zonde heeft overwonnen. In Hem vindt de mens heil voor de schade die de zonde aanricht. Het offer dat Jezus aan het kruis heeft gebracht, maakt de bevrijding van zonde mogelijk, evenals het opheffen van het gescheiden zijn van God.

Noot 1 'Bemiddelaar': Jezus Christus is enerzijds een 'bemiddelaar' in de zin dat Hij God en de mensen verzoent. Dat betekent dat Hij de mensen vertegenwoordigt voor God en God voor de mensen. Hij pleit voor de mensen bij God en maakt de mensen bekend wat God wil. Anderzijds is Hij een 'bemiddelaar' op de weg van het heil, Hij herstelt de relatie met God.

Noot 2 'Want er is maar één God, en maar één bemiddelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die zichzelf gegeven heeft als losgeld voor allen [ ... ].' 1 Tim. 2:5-6.

Overdenking Zoals ik al eerder geschreven heb zou voor het woordje drie-eenheid (triniteit, Vader, Zoon en Heilige Geest) één woordje willen gebruiken, n.l.: GOD, met drie hoofdletters. GOD heeft een plan met de hele schepping, ook met de aarde, ook met de mensen, ik vind het behoorlijk aanmatigend daar uitspraken over te doen.

vraag 248 Wie kan het heil verkrijgen?

NAK antwoord Het heil wordt door Jezus Christus aan alle mensen aangeboden, zowel aan de levenden als aan de doden. Overdenking zie overdenking 247 vraag 249 In welke fase van het goddelijke heilsplan leven wij?

NAK antwoord Wij leven nu in de fase van het goddelijke heilsplan, waarin de bruidsgemeente bijeen wordt gebracht en voorbereid op de wederkomst van Christus. De apostelen schenken hiervoor het heil door de verkondiging van Gods woord en het toedienen van de sacramenten. -> bruidsgemeente: zie vraag 455, 557, 561 e.v.

Overdenking zie overdenking 247

vraag 250 Hoe kan het heil tegenwoordig worden verkregen?

NAK antwoord Niemand kan vanuit zichzelf het heil ontvangen. De mens ontvangt het heil door in Jezus Christus te geloven en aan te nemen wat Jezus Christus voor het heil van de mens heeft gegeven: de sacramenten en Gods woord. -> sacramenten: zie vraag 472 e.v.

Overdenking zie overdenking 247

vraag 251 Welk heil ervaart de bruidsgemeente bij de wederkomst van Christus?

NAK antwoord De bruidsgemeente zal reeds bij de wederkomst van Christus door de bruiloft in de hemel voor eeuwig met God worden verbonden. Overdenking zie overdenking 247 vraag 252 Wanneer is het heilsplan van God verwezenlijkt? NAK antwoord Volgens de Heilige Schrift is het heilsplan van God verwezenlijkt met de nieuwe schepping.

Overdenking zie overdenking 247

vraag 253 Waarop is de uitverkiezing door God gebaseerd?

NAK antwoord Uitverkiezing berust altijd op de wil van God. Niemand kan de beslissing van God beïnvloeden.

Overdenking Op kortzichtigheid. Ik geloof niets van een uitverkiezing.

vraag 254 Waarom kiest God zielen uit?

NAK antwoord God roept individuen of groepen uit de mensheid omdat Hij met hen een bepaalde bedoeling heeft. Hij geeft ze daarmee ook verantwoordelijkheid.

Overdenking Ik geloof niets van een uitverkiezing.

vraag 255 Zijn er voorbeelden van uitverkiezing in het Oude Testament?

NAK antwoord Ja, in de schepping is de goddelijke uitverkiezing al zichtbaar: God heeft de mens van al Zijn schepselen uitverkoren en hem de opdracht gegeven de aarde onder zijn gezag te brengen. In het Oude Testament zijn veel voorbeelden te vinden van uitverkiezing:

• Noach werd uitverkoren om de ark te bouwen.

• Abraham, Isaak en Jakob waren uitverkoren zodat door hen alle volken op aarde zouden worden gezegend.

• Mozes was uitverkoren om het volk Israël uit de Egyptische slavernij te leiden en Jozua was uitverkoren om het volk naar het beloofde land te brengen.

• Ook het volk Israël werd uitverkoren: 'Want u bent een volk dat aan de Heer, uw God, is gewijd. U bent door Hem uitgekozen om, anders dan alle andere volken op aarde, Zijn kostbaar bezit te zijn. Het is niet omdat u talrijker was dan de andere volken dat Hij u lief kreeg en uitkoos - u was het kleinste van allemaal! Maar omdat Hij u liefhad' (Deut. 7:6-8).

Overdenking Aldus het Oude Testament.

vraag 256 Zijn er voorbeelden van uitverkiezing in het Nieuwe Testament?

NAK antwoord Jezus verkoos uit de kring van Zijn leerlingen de apostelen en zond ze uit met de opdracht te onderwijzen en te dopen. Daarmee is de uitverkiezing tot volk van God niet meer beperkt tot Israël, maar worden allen die in Jezus Christus geloven daarbij betrokken - Joden en heidenen. Zo is het volk van het Nieuwe Verbond door God uitverkoren (vgl. 1 Petr. 2:9). Petrus werd uitverkoren voor een bijzondere opdracht in de kerk, de petrinische opdracht.

-> petrinische opdracht: zie toelichting bijvraag 457 noot Als 'heidenen' werden sinds de oudtestamentische tijd alle nietIsraëlitische volken aangeduid, dus mensen die niet de God van Abraham, maar andere goden dienden. Ook in de nieuwtestamentische tijd werden niet-Joden aangeduid als 'heidenen', of ze nu waren gedoopt of niet. Overdenking Aldus het Nieuwe Testament.

vraag 257 Heeft iemand recht op uitverkiezing door God?

NAK antwoord Nee, niemand heeft recht op Gods uitverkiezing want deze is gebaseerd op Gods vrije keuze. Uitverkiezing is niet met het menselijke verstand te begrijpen. Overdenking Ik geloof niets van een uitverkiezing.

vraag 258 Wat betekent uitverkiezing vanuit het perspectief van het evangelie?

NAK antwoord Vanuit het perspectief van het evangelie is uitverkiezing een geschenk van Gods liefde. De mens heeft de vrije keuze dit geschenk aan te nemen of af te wijzen. Uitverkiezing door God betekent niet dat van te voren is vastgelegd hoe de mens handelt.

Overdenking Ik geloof niets van een uitverkiezing.

vraag 259 Waartoe leidt het aannemen van de uitverkiezing?

NAK antwoord God verkiest mensen tot hun eigen heil en ook tot dat van anderen. Wanneer God iemand uitverkiest, is daar een opdracht en verantwoordelijkheid aan verbonden. Het in geloof aannemen van de uitverkiezing betekent: Jezus Christus, de grondlegger van het heil, consequent navolgen, dus het leven op het evangelie oriënteren. Dat trekt goddelijke zegen aan. Uitverkiezing heeft ook invloed op de toekomst: wanneer Jezus Christus zijn Vredesrijk sticht, zal het koninklijke priesterschap aan alle mensen de blijde boodschap van het heil in Christus verkondigen. Degenen die deelhebben aan de eerste opstanding zijn daartoe uitverkoren.

-> heil: zie vraag 243 e.v.

-> koninklijk priesterschap: zie vraag 577

-> eerste opstanding: zie vraag 574 en 575

Overdenking Ik geloof niets van een uitverkiezing.

vraag 260 Wat is zegen?

NAK antwoord Zegen is een uiting van Gods ontferming die niemand kan verdienen. Te worden gezegend, betekent het goede van God te ontvangen. Zegen bevat goddelijke kracht en is de belofte dat God hulp en begeleiding schenkt. Het tegenovergestelde van de zegen is de vloek. Het betekent het goede van God te ontvangen.

Overdenking Het Hebreeuwse woord voor 'zegen' is in het Grieks vertaald met eulogia en in het Latijn met benedictio, letterlijk 'het goed zeggen' (wikipedia).

vraag 261 Hoe wordt zegen verkregen en hoe ontplooit zegen zich?

NAK antwoord God schenkt Zijn zegen dikwijls door mensen die Hij daartoe opdracht heeft gegeven. Niemand kan zichzelf zegenen. Zegen ontplooit zich wanneer deze in geloof wordt aangenomen. Of de zegen een permanente uitwerking heeft, is ook afhankelijk van de instelling en de levenswandel van de gezegende. Zegen is een geschenk van God dat telkens weer kan worden vernieuwd. Zegen kan zich behalve over de rechtstreeks gezegende ook uitstrekken over toekomstige generaties.

Overdenking Deze vraag komt voort uit de wens tot. Maar dat betekent dat God miljoenen keren per dag aan het ingrijpen is. En dat geloof ik niet.

vraag 262 Hoe openbaart Gods zegen zich in de schepping?

NAK antwoord God heeft Zijn schepselen gezegend en in al het leven de wet van de vermenigvuldiging gelegd. Hij heeft de schepping aan de mens toevertrouwd en hem gezegend voor de daarmee verbonden taak. Deze zegen van God werd door de vloek van de zonde weliswaar in zijn werking beperkt, maar niet opgeheven. God vernieuwde de zegen na de zondvloed. Wat deze zegen omvat, wordt duidelijk in de belofte van God: 'Zolang de aarde bestaat, zal er een tijd zijn om te zaaien en een tijd om te oogsten, zal er koude zijn en hitte, zomer en winter, dag en nacht' (Gen. 8:22). Het Nieuwe Testament getuigt van deze zegen in de schepping: 'Land dat de overvloedige regen opneemt, en nuttige gewassen oplevert aan wie het bewerken, ontvangt Gods zegen' (Hebr. 6:7). Deze zegen komt alle mensen ten goede. Noot 'Hij laat Zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.' Matt. 5:45 Overdenking Deze vraag komt voort uit de wens tot. Maar dat betekent dat God miljoenen keren per dag aan het ingrijpen is. En dat geloof ik niet. vraag 263 Hoe wordt zegen in het Oude Verbond waargenomen? NAK antwoord De belofte van de zegen is een bestanddeel van het verbond dat God met Israël heeft gesloten. In het Oude Verbond was de zegen van God vooral waarneembaar in aards welzijn. Hiertoe behoorden bijv. de overwinning op de vijanden, een lang leven, rijkdom, talrijke nakomelingen en de vruchtbaarheid van het land. Abraham was een door God gezegend man: 'Ik zal je tot een groot volk maken, Ik zal je zegenen, Ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn. Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou bespot, zal Ik vervloeken. Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij' (Gen. 12:2-3). Deze zegen reikte ver over de belofte van persoonlijk welzijn heen en stelde Abraham in staat ook een zegen voor anderen te worden.

-> Oude Verbond: zie toelichting bij vraag 175

Overdenking Deze vraag komt voort uit de wens tot. Maar dat betekent dat God miljoenen keren per dag aan het ingrijpen is. En dat geloof ik niet.

vraag 264 Wat waren voor de Israëlieten de consequenties bij het aannemen of afwijzen van Gods zegen?

NAK antwoord De zegen van God hing voor de Israelieten af van het feit of ze alleen God dienden en of ze Zijn geboden gehoorzaamden of niet. Wanneer het volk ongehoorzaam aan God was, was daaraan een vloek verbonden. De beslissing daarover had het volk in eigen hand: 'Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen zegen en vloek. Zegen, als u gehoorzaam bent aan de geboden van de Heer, uw God, zoals ik ze u vandaag voorhoud. Vloek, als u Zijn geboden niet gehoorzaamt en afwijkt van de weg die ik u vandaag wijs' (Deut. 11:26-28).

Overdenking Deze vraag komt voort uit de wens tot, bevestiging van eerdere vragen. Maar dat betekent dat God miljoenen keren per dag aan het ingrijpen is. En dat geloof ik niet.

vraag 265 Van wie gaat de zegen in het Nieuwe Verbond uit?

NAK antwoord De goddelijke zegen in het Nieuwe Verbond gaat uit van Jezus Christus. -> Nieuwe Verbond: zie toelichting bij vraag 175

Overdenking Deze vraag komt voort uit de wens tot, bevestiging van eerdere vragen. Maar dat betekent dat God miljoenen keren per dag aan het ingrijpen is. En dat geloof ik niet.

vraag 266 Hoe zegende Jezus?

NAK antwoord Jezus zegende door Zijn woord, Zijn wonderen en Zijn levenswandel. Hij legde kinderen zegenend de handen op en vergaf zondaren. Dat Hij Zijn zondeloze leven gaf als offer voor de verzoening van alle mensen is de grootste zegen.

-> offerdood van Jezus: zie vraag 90, 99, 177 e.v.

Overdenking Deze vraag komt voort uit de wens tot, bevestiging van eerdere vragen. Maar dat betekent dat God miljoenen keren per dag aan het ingrijpen is. En dat geloof ik niet.

vraag 268 Wat behelst deze geestelijke zegen?

NAK antwoord Deze zegen omvat o.a. • de uitverkiezing voordat de wereld werd gegrondvest (vgl. Ef. 1:4),

• de verlossing en vergeving van zonden (vgl. Ef. 1:7),

• inzicht in de wil van God (vgl. Ef. 1:9),

• de bestemming om erfgenaam te zijn van de komende luister (vgl. Ef. 1:11),

• inzicht in de goddelijke waarheid van het evangelie (vgl. Ef. 1:13),

• de verzegeling met de gave van de Heilige Geest (vgl. Ef. 1:13).

Overdenking Op punt 1 na ben ik het met de andere punten eens. Het wringt een beetje met het vorige antwoord, maar hier kan ik me in vinden.

vraag 269 Hoe wordt zegen verkregen en hoe dient men ermee om te gaan?

NAK antwoord Veel goddelijke zegeningen worden voor de gelovigen in de eredienst toegankelijk gemaakt. Ook het offer brengt zegen - dit is een fundamentele ervaring van de christen. De mens wordt opgeroepen om voor de zegen van God te bidden en zijn levenswandel dusdanig in te richten dat hij het ook waardig is deze zegen te ontvangen. De gelovige bewijst zijn dankbaarheid voor de zegen van God door een levenswandel die wordt gekenmerkt door ontzag voor God en gehoorzaamheid in het geloof.

-> offer en zegen: zie vraag 738

Overdenking Deze vraag komt voort uit de wens tot, bevestiging van eerdere vragen. Maar dat betekent dat God miljoenen keren per dag aan het ingrijpen is. En dat geloof ik niet.

Als je serieus nadenkt over je geloof, loop je wel eens ergens tegenaan.

Mark Rutte zei laatst: ‘wie in de arena komt, loopt littekens op’. Alleen met stevige worstelingen kom je aan je antwoorden. Misschien is het zo dat wij wel eens nagedacht hebben over schuld, kruisdood, vergeving en verzoening. Sommige van ons twijfelen misschien aan de kruisdood of aan de kruisdood als bloedoffer. Apostel Paulus heeft aan de basis van de christelijke kerk (want die bestond in zijn tijd nog niet) de verzoeningsleer geïntroduceerd. Uit de evangeliën kunnen we dit niet halen evenals de vele apocriefe boeken uit de tijd van de evangeliën (na chr. dus). Sommigen spreken totaal niet over een kruisdood.
Als we  b.v. de kruisdood, althans in de bedoeling van de zondelast die Jezus op zich nam, over boord zetten valt er een belangrijke peiler onder het hele bouwwerk weg! Toch vind en vond ik dit het onderzoeken waard, zelf had ik me hier al diverse gedachten overgevormd. De belangrijkste peiler die ik onder de onderzoeken die ik uitvoer plaats is dat ik niets weggooi maar soms iets in een ander daglicht plaats, vervang of zo als ik pas las herijk. Als je dingen weggooit hou je al snel niets weer over en wat geloof je dan nog? En toch moet je ook je vragen als kritische christen een vorm kunnen geven, of scherpe vragen van anderen pareren. Hiervoor moet je zelf ook die vragen gesteld hebben en antwoorden gegenereerd hebben.

Zo las ik laatst in; FLUITEN IN HET DONKER, in gesprek met Harry Kuitert, het volgende:

 HERIJKEN

Het loslaten van de kerkelijke Christus heeft nogal wat consequenties. Als Jezus niet Gods zoon is, wat blijft er dan nog over van de inhoud van het christelijk geloof? Dan kunnen alle dogma's toch net zo goed de prullenbak in? Allerminst, zegt Kuitert. 'Dat denken veel gelovigen wel, omdat hen niet geleerd is de bijbelverhalen in termen van betekenis te lezen. Zweren bij "echt gebeurd", dat is ze bijgebracht en het is niet eenvoudig om daarvan af te stappen. Toch kan dat wel. Ook Jezus in een andere geloofsverpakking dan het kerkelijke harnas, heeft zijn betekenis.' Vooral niet weggooien dus, die dogma's. Herijken is een beter plan. Op basis waarvan? Eigen inzicht. Mag dat dan? Daar moet hij om lachen. Het is een bekende vraag uit orthodoxe hoek waar heilig ontzag voor de traditie en angst voor de vrijheid hand in hand gaan. Zoals Kuitert eens schreef: 'Het moet van iemand mogen, anders mag het niet.' 'Voor literaire teksten is het heel gewoon om af te gaan op je eigen oordeel, maar niet in de kerk, want "bij ons is alles verboden, behalve wat mag, en dat moet", zoals ooit een rooms-katholieke cabaretier zei. Vrijheid op godsdienstig gebied is een hachelijke kwestie. Zelf nadenken en vertrouwen op je eigen oordeel zijn geen deugden die in de orthodoxe wereld gecultiveerd worden. Dat vereist bijna een heropvoeding. Dogma's zijn mensenmerken dus is het geen heiligschennis om eraan te sleutelen.'
Herinterpretatie van de dogma's dus. Om te beginnen het leerstuk van de verzoening. Een leerstuk dat verrassend genoeg voor Kuitert een van de belangrijkste noties in het geloof blijft. 'Het aanbieden van vergeving wordt al gauw gemakzucht, maar aan het idee van verzoening hecht ik grote waarde. Noties over schuld en verantwoordelijkheid wil ik graag overeind houden. Er zijn dingen die zo erg zijn dat ze bedekt moeten worden. Dat we er een constructie als de verzoening bijhalen, toont de ernst van schuld aan. Leven als staan voor het aangezicht van God wil zeggen dat we verantwoordelijk zijn voor wat we doen of laten, en dat we onszelf niet van de verantwoordelijkheid kunnen ontslaan.
 Verantwoordelijkheid die we niet waarmaken is schuld.'
Schuld blijft wat Kuitert betreft dus recht overeind, maar de verzoening krijgt een andere invulling. Voor een andere kijk moeten we volgens Kuitert te rade gaan bij het jodendom, waarvan de christelijke verzoeningsleer immers is afgekeken. 'Wil je er iets mee kunnen, dan moet je terug naar de oorsprong. Bij de joden was verzoening een ritueel. Vergeven ben je niet zomaar. Het heeft wel wat voeten in de aarde, omdat het echt ergens over gaat. Elk jaar werd daarom op Grote Verzoendag een zondebok de woestijn ingestuurd. Die bok bracht niet echt de verzoening tot stand, maar drukte het geloof erin uit. Het is een ritueel van plaatsbekleding: de bok draagt symbolisch het kwaad weg, waardoor het volk weer als rein geldt. De christelijke verzoeningsleer komt uit de koker van de apostel Paulus. Hij borduurde denk ik voort op het hem bekende joodse ritueel en gaf Jezus daarin een sleutelrol: de rol van zondebok. Met zijn verkondiging van de verzoening wilde Paulus aan niet-joden duidelijk maken dat zij zich voortaan, net als de joden, verzoend mochten weten met God.'
De kerk heeft volgens Kuitert het ritueel veel te ver doorgevoerd. Het rnetaforische karakter is in het vergeetboek geraakt, waardoor de kruisdood de loodzware lading van een heus bloedoffer kreeg - iets waar mensen tegenwoordig totaal niet meer mee uit de voeten kunnen. Hij pleit dan ook voor terugkeer naar de oorsprong: de verzoening als ritueel spel tussen God en mens. Op Goede Vrijdag verklaren christenen schuldig te staan voor God en op Pasen mogen ze zich vergeven weten. Om het oneerbiedig te zeggen: we spelen dus eigenlijk verzoeninkje.
Maar als het niet meer is dan spel, ook al is het een serieus spel, wat is dan nog de waarde? De akte van verzoening vindt dan immers niet echt plaats? 'Dat was in het jodendom niet anders. Daar hoeft de bok ook niet te sterven, omdat God niet werkelijk vermurwd hoeft te worden. Hij wordt niet goedgunstig door het offer, maar Hij is goedgunstig en daardoor kunnen gelovigen hun religieuze spel van rituelen en metaforen opvoeren.' Een heel serieus spel, stelt Kuitert met nadruk. Zonder berouw en bekering geen vergeving. De menselijke verantwoordelijkheid staat centraal. In de klassieke opvatting is de mens een nietswaardige zondaar die bij het kruis een stap opzij zet en een ander in zijn plaats laat sterven. Maar wie de oorspronkelijke betekenis van het verzoeningsritueel serieus neemt, neemt juist de verantwoordelijkheid voor zijn doen en laten op zich in het vertrouwen dat God genadig is. Daarmee haalt Kuitert de spanning van de klassieke verzoeningsleer af. Mensen die daar allang niets meer mee konden beginnen, worden van een last bevrijd.