Handelingen van Petrus en de twaalf Apostelen

Handelingen van Petrus en de twaalf Apostelen

Deze allegorie komt uit de Nag Hammadi geschriften en wordt aangeduid met; NHC VI.1 (Nag Hammadi Codices, boek VI, hoofdstuk 1).
Het lezen en bestuderen van dit stuk heeft mijzelf diep geraakt en heeft mij letterlijk een “gaudium evangelii” (de vreugde van het evangelie) gegeven.
 
Zelf ben ik altijd op zoek naar;
- hoe heeft God het bedoeld,
- welke stappen wil hij ons laten maken,
- hoe zijn de woorden uit de Bergrede bedoeld, is voor mij een zeer belangrijke aanwijzing,
- wat wilde Jesjoea bin Josef (Jezus) ons vertellen en wat is daar van bewaard gebleven, en nog vele van dit soort vragen.

Ongeveer 20 jaar geleden kocht ik de twee delen met de NHC, de eerste uitgave was van 1994. Buiten het Thomas evangelie, ben ik verre weg het meest geraakt door de allegorie met de bovenstaande tekst.  Om de tekst goed te begrijpen heeft ze uitleg nodig en hedendaagse woorden, daarom heb ik het gewaagd de originele Nederlandse vertaling te herschrijven in hedendaags en eenvoudig Nederlands.
[ aanwijzing ] Let goed op de lagen die in het verhaal zitten. 
De allegorie in het Koptisch begint wat stamelend vanwege de beschadigingen. Lang nadat Jezus was gestorven en ten hemel was gevaren vertelt, Petrus het volgende verhaal.
De apostelen en ik besloten om te vluchten want het was gevaarlijk geworden. Ondanks dat het gevaarlijk was waren we niet bang want we waren één van hart.  We spraken af dat we samen naar een eiland zouden varen om de opdracht van de Heer daar uit te voeren, “de verlossing van de mens”.  Op een geschikt moment gingen we met een boot de zee op, het was alsof de heer de boot voor ons had gereserveerd, want de zeelui wachtten op ons en waren buitengewoon vriendelijk. ”We hadden nu een dag en een nacht gevaren en er stak een storm op, de heer leidde het zo dat we de storm in de rug hadden en kwamen we aan in een kleine stad op een eiland”.  Op deze wijze moesten we de stormen van het leven meemaken. Het was een beetje vreemd eiland, met een ietsje vreemde plaatsnamen. En ik, Petrus, vroeg naar de naam van deze stad bij inwoners op de kade.  Eén van hen zei: ‘de naam van deze stad is Woonplaats, dat wil zeggen Vesting van het Verduren’.  Dat betekent eigenlijk dat ons leven, onze woonomgeving, vaak met moeite tot stand komt, dat we veel moeten verduren in ons leven. En nadat we met onze bagage aan land waren gegaan, ging ik in de stad onderdak zoeken.  Er trad een heel vreemd uitgedoste man op ons af.  De man had een linnen doek om zijn middel gebonden en deze was omgord met een gouden gordel.  Er was ook een zweetdoek over zijn borst geknoopt, die ook over zijn schouders hing, en hoofd en handen bedekte.  Ik (Petrus) dacht wat betekent dit?  Na enige overdenking wist ik; ‘de gouden gordel was het teken van goddelijkheid en de zweetdoek liet ons denken aan de overledene (Jezus)’. Ik staarde de man aan, omdat hij zo mooi was van postuur en voorkomen. Vier plaatsen van zijn lichaam waren (de) kruiswonden te zien:  de zolen van zijn voeten, een deel van zijn borst, de palmen van zijn handen en zijn gezicht. Hij hield een boekomslag zoals die van mijn boeken in zijn linkerhand.  Een staf van storaxhout (waar medicinale hars uit komt) droeg hij in zijn rechterhand.  Zijn stem weergalmde terwijl hij, langzaam sprak en in de stad riep:  'Parels! Parels!'  En dat was niet de roep van een koopman die “aarebeien, verse aarebeien” door de straten schalt, zeker niet.  Terwijl ik naar hem keek, dacht ik dat hij een inwoner van de stad was, riep hij opnieuw: 'Parels! Parels!', het was meer een oproep, meer van “mensen ik heb iets prachtigs voor jullie, leer van mij”.   Ik sprak hem aan: ‘mijn broeder en metgezel!’  Hij antwoordde me toen: ‘je hebt juist gesproken, mijn broeder en metgezel. Wat wil je van mij?”  Ik zei hem: ‘ik vraag je naar onderdak voor mijzelf en ook voor mijn broeders, omdat we hier vreemdelingen zijn’.  Hij zei me: ‘om deze reden heb ook ik zelf daarnet gezegd “mijn broeder en metgezel”, want ik ben hier ook een vreemdeling net als jij’.  En nadat hij dit gezegd had, riep hij weer: ‘Parels! Parels!’  De rijke lui van die stad hoorden zijn stem.  Ze kwamen uit hun dure woningen te voorschijn.  Sommigen keken slechts vanuit de deur van hun huis naar buiten.  Anderen hingen uit hun hoogste raam te kijken.  En ze zagen niet dat het ook voor hen bedoeld was, maar ze vroegen zich af of iets aan hem konden verdienen.  Hij droeg geen zak op zijn rug, noch een bundel in zijn kleed en zweetdoek. En omdat ze hem minachten, groetten ze hem niet eens.  Hij, maakte zichzelf niet aan hen bekend.  Zij keerden terug naar hun eigen rijkdommen en zeiden: ‘deze man drijft de spot met ons’ en ze waren zich niet bewust van zijn eeuwige rijkdommen. En de armen  van de stad  hoorden ook zijn stem, en zij kwamen naar de man toe die parels verkoopt en zij zeiden: ‘neem  alsjeblieft de moeite ons de parel te tonen, zodat we die tenminste met onze eigen ogen kunnen zien. Want wij zijn arm en we hebben niet het geld om een parel te betalen.  Maar laat hem ons tenminste zien opdat we onze vrienden kunnen vertellen dat wel met onze eigen ogen een parel hebben gezien.'  Hij  antwoordde hun echter, met: ‘als dat mogelijk is, kom dan naar de stad waar ik woon, zodat ik die parel niet alleen aan jullie zal tonen, maar je die ook voor niets zal geven’. Maar toen de armen van die stad dit hoorden begrepen ze het niet en zeiden: ‘omdat we bedelaars zijn, weten wij maar al te goed dat niemand zomaar een parel aan een bedelaar schenkt, want meestal krijgen we alleen brood en soms wat geld.  De enige gunst die we van je vragen is dat je ons de parel toont.  Dan zullen we trots tegen onze vrienden zeggen dat we met eigen ogen een parel hebben gezien.  Want zoiets is nog nooit vertoond onder de armen, en vooral niet onder bedelaars als wij.'  Hij antwoordde hun echter: ‘Als het mogelijk is, komen jullie dan zelf naar mijn stad, zodat ik jullie niet alleen parels zal laten zien, maar jullie die ook voor niets zal geven’.  De arme bedelaars verheugden zich over de man die geeft om niet, maar ze gingen niet met hem mee.  De mensen vroegen mij, Petrus, naar de moeilijkheden die ze op hun  weg naar die stad zouden ontmoeten.  Ik naar de ontberingen en  moeilijkheden van die weg.  Maar ik was mij van mijn opdracht als uitlegger bewust en ik wendde me tot de man die de parel aanbood: ‘ik wil graag je naam weten en de moeilijkheden van de weg naar jouw stad kennen.  Want we zijn vreemdelingen en dienaren van God.  Het is noodzaak dat we in iedere stad het woord van God op vredige wijze verspreiden’.  Hij antwoordde en zei: “mijn naam is; Lithargoël”  [voor de lezers uitgelegd, het is een samenvoeging van; lithos (Grieks) = steen, archos (Grieks) = wit blinkend, el (Hebreeuws) = is een goddelijk persoon, m.a.w. een goddelijke parel].  Lithargoël ging verder, en zei:”en nu wat de weg naar de stad betreft, waarover je me vroeg, daarover kan ik het volgende zeggen:
- Niemand is in staat die weg te gaan, behalve degene die alles wat hij bezit verzaakt en iedere dag onderweg van rustplaats tot rustplaats niets eet en drinkt. 
- Want talrijk zijn de rovers en de wilde dieren op die weg. 
- Wie op deze weg brood meeneemt, zal door de zwarte honden gedood worden vanwege dat  brood. 
- Wie een kostbaar werelds kostuum draagt, zal door de rovers omgebracht worden vanwege dat kostuum. 
- Wie water met zich draagt, zal door de wolven verscheurd worden vanwege dat water, waarnaar ze zo dorstten. 
- Wie behoefte heeft aan vlees en verse groenten, zullen door de leeuwen gedood vanwege dat vlees. 
- En als hij aan de leeuwen weet te ontkomen, dan zullen de stieren hem vertrappen vanwege die verse groenten’.
Toen hij me dit gezegd had, zuchtte ik en zei: ‘groot  zijn de moeilijkheden op deze weg!  Als Jezus ons maar de kracht kon geven die weg met hem te gaan!’  Hij keek me vragend aan waarom mijn gezicht droevig stond en ik zo zuchtte. En Hij sprak: ’waarom zucht je toch, als je inderdaad deze “Jezus” kent en in hem gelooft'.  Hij is een grote macht in het geven van kracht. Want ook ik geloof in de Vader die hem gezonden heeft’. Ik antwoordde: ‘Wat is de naam van de plaats waar je heen gaat, van jouw stad?’  Hij zei: ‘de naam van mijn stad is: “Negen Poorten” ’. Laten we God loven nu we ons er rekenschap van geven dat de tiende sfeer de verhevenste is.” 
 ‘Dat doet me aan de hemel denken’, dacht ik (een voorstelling uit die tijd); ‘de hemel heeft tien sferen met een poort voor elke sfeer en voor de volgende sfeer moet je door die poort.
 Bij elke poort staat een wachter die waakt over die volgende hemelsfeer en ons vraagt naar het wachtwoord en dat is; 
 ‘in de naam van de verlosser geloven’, in alle eenvoud; geloven in de verlosser.  Waarbij de tiende sfeer God zelf is.
 Hierna ging ik in vrede van hem weg. 

Toen ik (Petrus) op het punt stond mijn vrienden te roepen, zag ik de golven en tegen de grote hoge muren beuken die de oevers van de stad omgeven.  Ik was verwonderd over de grootse dingen die ik zag.  Dan zag ik een oude man zitten en vroeg hem of de naam van deze stad inderdaad ‘Woonplaats van het Verduren’ was.  Hij zei me: ‘jawel, Woonplaats van het Verduren.  Die naam klopt want we wonen hier omdat we geduldig verduren.' Ik zei: ‘de mensen hebben terecht de stad zo genoemd, want voor allen die hun beproevingen geduldig verdragen worden zulke steden gebouwd en wordt hiermee een kostbaar koninkrijk opgebouwd, omdat zij temidden van verraad en de benardheden standhouden.  En zo zal een stad worden bereid voor iedereen die de last van zijn geloofsjuk verdraagt.  En hij zal tot het Koninkrijk van de Hemel worden gerekend’.  Ik (Petrus) haastte me om mijn vrienden te gaan roepen zodat we naar de stad konden gaan die Lithargoël ons gewezen had.  Verbonden in het geloof lieten we alles achter , zoals hij ons gezegd had. We ontsnapten aan de rovers omdat ze bij ons geen gewaden van hun gading vonden.  We vermeden de wolven omdat zij geen water bij ons vonden waarnaar ze zo dorstten.  We ontliepen de leeuwen, omdat ze geen verlangen naar vlees in ons troffen.  We ontkwamen aan de honden en de stieren omdat ze vlees noch verse groenten bij ons vonden. Een grote vreugde kwam over ons en de zorgeloze vrede van onze Heer.  We rustten uit voor de eerste poort van de stad met de negen poorten, en we spraken met elkaar over alles wat niets met de verstrooiingen van deze wereld van doen had.  Integendeel, we bleven standvastig ons bezinnen op het geloof. Terwijl we zo de valkuilen van deze weg, die we ontlopen hadden,  zaten te bepraten, kwam plotseling Lithargoël, die er anders uitzag, naar ons toe lopen.  Hij leek op een geneesheer, want hij droeg een zalfdoos onder zijn arm en een jonge leerling droeg een tas vol geneesmiddelen achter hem aan.  En we herkenden hem niet.
Ik (Petrus) nam het woord en zei tegen hem: ‘we zouden graag willen dat u ons een dienst bewees, want we zijn vreemdelingen hier’.  Zou u ons naar het huis van Lithargoël willen brengen, voordat de avond valt?'  Hij zei: ‘in alle oprechtheid zal ik u dat wijzen. Maar ik ben er verbaasd over dat jullie die goede man kennen.  Hij maakt zich niet zomaar aan iedereen bekend, want hij is zelf de zoon van een grote koning.  Rust een beetje uit terwijl ik verder ga om een zieke man te genezen. Daarna kom ik weer terug’.  Hij spoedde zich heen en keerde weldra weer terug. Hij zei tegen mij: ‘Petrus!’ en ik schrok want hoe kon deze man weten, dat ik Petrus heette?  Ik zei tegen de Verlosser: ‘hoe kent u mij, want u noemt mij bij mijn naam?’  Daarop antwoordde Lithargoël: ‘ik wil je vragen wie jou de naam Petrus gegeven heeft?'  Ik zei: ‘het was Jezus, de Zoon van de levende God. Hij gaf mij deze naam’. Hij antwoordde: ‘ik ben het! Herken me Petrus!’ 
Hij maakte zijn doek los, waarin hij zich voor ons gehuld had en onthulde ons dat hij het werkelijk was, zodat wij ons nog meer bewust waren van onze opdracht. We mochten de stad nog niet in ondanks de moeitevolle weg die waren gegaan.  We kregen de opdracht anderen deze weg te wijze en hen daarbij te helpen.  We wierpen ons ter aarde en aanbaden hem.  Hij strekte zijn hand uit en beduidde ons op te staan;  “we zijn immers wezensgelijken”, zei hij.   In alle nederigheid spraken we met hem.  Onze hoofden waren gebogen in het bewustzijn van onze onwaardigheid, toen we zeiden: ‘Wat u wenst zullen we doen. Maar geef ons te allen tijde de kracht te doen wat u wenst.’ Hij overhandigde ons nu de zalfdoos en de tas uit de handen van de jonge leerling.  Hij droeg ons het volgende op: ‘ga naar de stad vanwaar jullie gekomen zijn, die Woonplaats van het Verduren genoemd wordt. Onderricht allen die in mijn naam geloven, dat ook ik de moeilijkheden van het geloof heb doorstaan.  Ik zal jullie je beloning geven.  Geef aan de armen van die stad wat ze nodig hebben om van te leven tot ik hun iets veel beters geef waarvan ik jullie al gezegd heb, dat ik het voor niets zal geven.’ Ik zei tot Hem: ‘Heer, u heeft ons geleerd om de wereld en al haar goederen te verzaken.  We hebben daar omwille van u afstand van gedaan.  Maar waar we nu zorg om hebben is het voedsel voor één enkele dag.  Waar zullen we al het benodigde eten vandaan halen, dat u ons vraagt voor de armen te verzorgen?'  De Heer antwoordde en zei: ‘ach Petrus, begreep je maar de gelijkenis die ik je heb verteld! Begrijp je dan niet dat mijn naam, die je onderwijst, waardevoller is dan alle rijkdommen en dat Gods wijsheid goud, zilver en kostbare edelstenen overtreft?'  Hij gaf mij de medicijnbeurs en zei: ‘genees alle zieken van die stad die in mijn naam geloven.'  Ik schroomde een tweede keer een tegenwerping tegen hem te maken.  Ik stootte Johannes aan: 'Voer jij deze keer het woord!'  Johannes zei: 'Heer, tegenover u zijn we schuchter vele woorden te spreken.  Maar u bent het die ons vraagt deze geneeskunde uit te oefenen, hoewel we niet tot dokter zijn opgeleid.  Hoe zullen we dan weten hoe we lichamelijke ziekten moeten genezen, zoals u ons opgedragen heeft? Hij antwoordde hun: 'je hebt juist gesproken, Johannes, want ik weet dat de artsen van deze wereld louter de ziekten van deze wereld genezen.  De geneesheren van de ziel daarentegen genezen het hart.  Genees daarom eerst het lichaam, opdat zij, vanwege de geneeskrachten waarmee hun lichamen werden genezen zonder gebruik te maken van wereldse medicijnen, mogen geloven dat jullie ook in staat zullen zijn, hun zielsziekten te helen. Maar de rijken van die stad, zij die mij niet eens groetten, maar die zwelgen in hun welstand en trots zijn, pap niet met hen aan, opdat jullie niet door hun voorliefde worden besmet.  Want velen in de gemeenten hebben voorkeur voor de rijken en zij zijn zondig en zij stimuleren anderen ook te zondigen.  Maar oordeel hen rechtvaardig, opdat jullie missie verheerlijkt mag worden, en ook mijn naam in de gemeenten mag worden verheerlijkt.'  De discipelen antwoordden en zeiden: 'ja, waarlijk dit is wat ons te doen staat!'
Wij wierpen onszelf ter aarde en aanbaden hem. 
Hij liet ons opstaan en ging van ons heen, in vrede.   
 Amen