De Didachè

 

Vanwege mijn onderzoek naar de christengemeenten in de eerste en tweede eeuw heb ik De Didachè eens wat beter bestudeerd. Een relatief klein werkje, dat we misschien als de eerste catechismus kunnen beschouwen. Voor het voorwoord heb ik uit wikipedia geput, voor de teksten uit De Didachè heb ik andere openbare bronnen gebruikt (vertaald).

 

   Voorwoord

De Didachè (Grieks: Διδαχή, "onderricht", "onderwijzing") is een vroeg-christelijk geschrift, gerekend tot de Apostolische Vaders, en werd in de eerste helft van de tweede eeuw na Christus door een onbekende auteur te Syrië in het Grieks geschreven. De tekst werd ontdekt in 1873 door aartsbisschop Philotheos Bryennios in de bibliotheek van het Oosters-orthodox Patriarchaat van Jeruzalem als onderdeel van de zogeheten Codex Hierosolymitanus.

 

Dit geschrift wil laten zien hoe de twaalf apostelen de Grote Opdracht van Jezus, "Gaat dan heen, maakt al de volken tot mijn discipelen" (Matt. 28:19), in praktijk brengen. Ook wordt er aandacht aan profetie gegeven. Het geschrift zelf bevat nuttige informatie over het leven in de gemeenschap en is volgens bovenstaande datering het oudst bewaarde document met voorschriften voor de eredienst en het kerkelijk leven. De Didachè is o.a. bij Clemens van Alexandrië rond het jaar 150 nChr bekent.

 

De eerste zes hoofdstukjes gaan vooral over de goede en de slechte weg waarop een christen kan wandelen (de 'twee wegen', die van het Leven en die van de Dood). Ze bevatten verschillende verwijzingen naar de Bergrede, Jezus Sirach en het boek Spreuken. Hoofdstuk 7 en 8 gaan hoofdzakelijk over de praktische aspecten van de doop en hoofdstuk 9 en 10 over de liturgie bij het Avondmaal. De laatste hoofdstukken (11-15) gaan ten slotte over het beleid in de gemeenschap en hoofdstuk 16 over de toekomstverwachting van de christenen.

 

- Hoofdstuk 1 t/m 6: De Leer van de Twee Wegen

Hoofdstuk 1: Overzicht met toelichting van de Bergrede

Hoofdstuk 2 en 3: Toelichting op enkele geboden en verboden

Hoofdstuk 4: Over het gedenken van de geloofsverkondigers en het nut van de goede werken

Hoofdstuk 5: De weg ten kwade

Hoofdstuk 6: Over het onderhouden van het "juk des Heren"; onthouding van offervlees

 

- Hoofdstuk 7 en 8: Praktische aspecten van de doop

Hoofdstuk 7: Over het doopsel

Hoofdstuk 8: Over het vasten (voorafgaand aan de doop)

 

- Hoofdstuk 9 en 10: Liturgie en Avondmaal

Hoofdstuk 9: Over de Avondmaal

Hoofdstuk 10: Eucharistisch/liturgisch gebed

 

- Hoofdstuk 11 t/m 15: Het beleid in de gemeenschap

Hoofdstuk 11 en 12: Over profeten en charismatici

Hoofdstuk 13: Over de plicht tot het onderhouden van profeten, leraren e.d. door de gemeenschap

Hoofdstuk 14: Over de belijdenis van de zonden alvorens deel te nemen aan de Avondmaal

Hoofdstuk 15: Over de aanstelling van oudsten en diakenen

 

Hoofdstuk 16: De toekomstverwachting van de Christenen, over de eindtijd

 

Ondanks dat de Didachè een hoogstaand werk kan worden genoemd, is het boek niet canoniek. Redenen hiervoor kan zijn:

- Het boek leert de ‘rechtvaardiging door goede werken’ (Didachè 4:6; 6:2; 16:2),

- Het strenge bevel voor de dopeling om minstens één dag te vasten voor zijn doop of de opdracht om drie keer per dag het Onze Vader te bidden is te wettisch (Didachè 7:4; 8:3).

 

Oudtestamentische profetieën voor het volk Israël worden op de Kerk toegepast (Didachè 9:4; 10:5). Zo dient de Kerk worden samengebracht vanaf het einde van de aarde in het Koninkrijk van God. Vreemd hierbij is het feit dat de auteur(s) ervan uitgaan dat de Kerk nog niet in het Koninkrijk van God is en dit lokaal aanwijsbaar lijkt. De profeet heeft een bijzondere plaats in de Didachè en wordt zelfs als enige ‘hogepriester’ genoemd (Didachè 13:3). Het slot van de Didachè is onzeker.

 

- DE DIDACHÈ -

 

De Leer van de Twee Wegen

 

hoofdstuk 1

1. Er zijn twee levenswijzen, een van het leven en een van de dood, en er is een groot verschil tussen de twee deze levenswijzen. 2. De levenswijze van het leven is: "Ten eerste dien je God liefhebben die je heeft gemaakt, ten tweede je naaste als jezelf, en wat jij niet wilt dat jou overkomt doe dat een ander ook niet aan." 3. Onthoudt de leer van deze woorden: "Zegen degenen die jou vervloeken, en bid voor je vijanden, en vast voor degenen die u vervolgen. Immers welk gewin geeft het jou als je liefhebt die jou liefhebben? Dat doen de heidenen ook. " Maar, van jou kant, heb lief degenen die jou haten", en je zal geen vijand hebben. 4. "Onthoud je van vleselijke" en lichamelijke "lusten". "Als iemand je op de rechterwang slaat, keer hem dan ook de andere wang toe," en je zal volmaakt zijn. "Indien iemand je dwingt om één kilometer met hem mee te gaan, ga met hem twee mee." Als iemand je jas neemt, geef hem ook je hemd. Als iemand van je afneemt, wat van jou is, weiger het dan niet, " gebruik geen geweld. 5. Geef aan iedereen die van jou vraagt, en weiger niet, want de wil van de Vader is dat wij aan allen geven van de geschenken die we hebben ontvangen. Gezegend is hij die geeft volgens het gebod, want hij is onschuldig; maar wie niet in nood is en ontvangt, zal rekening moeten afleggen waarom hij heeft genomen en waarvoor en in de gevangenis zal hij worden ondervraagd op zijn daden, en "hij zal daar niet uitkomen totdat hij de laatste penning betaalt." 6. Maar hierover werd ook gezegd: "Laat je aalmoezen in je handen zweten, totdat je weet aan wie je geeft."

 

hoofdstuk 2

1. Het tweede gebod van de onderricht is dit: 2. "Je zal niet moorden, je zal geen overspel doen"; je zal geen sodomie plegen; je zal geen ontucht plegen; je zal niet stelen; je zal geen magie gebruiken; je zal geen toverkunsten gebruiken; je zal geen abortus plegen, noch kindermoord plegen; "je zal de goederen van je naaste niet begeren"; 3. Je zal geen meineed begaan, "je zal geen valse getuigenis geven"; je zal geen kwaad spreken; je zal niet jaloers zijn. 4. Je zal niet dubbelzinnig zijn, noch huichelachtig, want een dubbele tong is een dodelijke strik. 5. Je spraak zal niet vals, noch ijdel zijn, maar voltooid zijn. 6. Je zal niet hebzuchtig noch wreed zijn, noch huichelachtig, noch kwaadaardig, noch trots, je zal geen kwaad tegen je naaste plegen. 7. Je zal niemand meer haten; maar sommigen zul je terechtwijzen en voor sommigen zul je bidden, en sommigen zul je meer liefhebben dan je eigen leven.

 

hoofdstuk 3

1. Mijn kind, vlucht voor slechte mensen en wat er op lijkt. 2. Wees niet trots, want trots leidt tot moord, noch jaloers, noch omstreden, noch gepassioneerd, want hier komt moord van. 3. Mijn kind, wees niet wellustig, want lust leidt tot hoererij, noch een spreker van grove woorden, noch laatdunkend, want uit al deze dingen vloeit overspel voort. 4. Mijn kind, doe niet aan voorspelling, want dit leidt tot afgoderij; noch een tovenaar, noch een astroloog, noch een tovenaar, noch deze dingen willen zien, want van hen is alles afgoderij voortgebracht. 5. Mijn kind, wees geen leugenaar, want liegen leidt tot diefstal, noch liefhebber van geld, noch ijdele glorieus, want uit al deze dingen zijn diefstal voortgevloeid. 6. Mijn kind, wees niet een zeurpiet, want dit leidt tot godslastering, noch koppig, noch een denker van het kwaad, want van al deze zijn godslastering opgewekt. 7. Maar wees zachtmoedig, want de zachtmoedigen zullen de aarde beërven; 8. Wees genadig, barmhartig en onschuldig, stil en goed, en vrees altijd de woorden die je hebt gehoord. 9. Je zal je niet verhogen, en laat je ziel niet aanmatigend zijn. Je ziel zal zich niet verenigen met de verhevene, maar je zal wandelen met rechtvaardigen en nederigen. 10. Aanvaart wat je overkomt als goed, wetende dat er niets gebeurt zonder God.

 

hoofdstuk 4

1. Mijn kind, je zal je herinneren, dag en nacht, hij die het woord van God tot je spreekt, en je zal hem als de Heer eren, want waar over de natuur van de Heer wordt gesproken, daar is hij aanwezig. 2. En je zal dagelijks de tegenwoordigheid van de heiligen zoeken, opdat je rust in hun woorden zal vinden. 3. Je zal geen afscheiding begeren, maar degenen die streven, verzoenen. Je zal een rechtvaardig oordeel geven; je zal geen mens begunstigen bij het terechtwijzen van overtreding. 4. Je zal niet uit twee gedachten zijn of het zal zijn of niet. 5. Wees niet iemand die zijn handen uitstrekt om te ontvangen, maar sluit ze als het gaat om geven. 6. Van hetgeen je door je handen hebt verkregen, zal je een losprijs voor je zonden geven. 7. Je zal niet aarzelen om te geven, noch zal je klagen wanneer je geeft, want je zal weten wie de goede Gever van de beloning is. 8. Je zal de behoeftigen niet afkeren, maar alles met je broeder delen, en niet zeggen dat het jouw is, want als je delers bent in het onvergankelijke, hoeveel te meer in de dingen die vergaan? 9. Je zal je hand niet afhouden van je zoon of van je dochter, maar je zal hun de trouw aan God leren van jongs af aan. 10. Je zal in je bitterheid niet je slaaf of je dienstmaagd bevelen, die op dezelfde God hopen, opdat zij ophouden te vrezen de God, die over je beiden is; want hij komt niet om mensen te roepen met betrekking tot personen, maar degenen die de Geest heeft voorbereid. 11. Maar ben je, die slaaf is, onderworpen aan je meester, aan Gods vertegenwoordiger, in eerbied en trouw. 12. Je zal alle huichelarij haten, en alles wat de Heer niet behaagt. 13. Je zal de geboden van de Heer niet verlaten, maar je zal houden wat je hebt ontvangen: "Niets toevoegen en niets wegnemen." 14. In de gemeente zal je je overtredingen belijden en je zal niet met een slecht geweten tot gebed bidden. Dit is de manier van leven.

 

hoofdstuk 5

1. Maar dit is de weg van de dood: ten eerste, het is slecht en vol van vloeken, moorden, overspel, lusten, hoererijen, diefstallen, afgoderij, hekserij, charmes, overvallen, valse getuigenissen, hypocrisie, een dubbel hart, fraude trots, boosaardigheid, koppigheid, hebzucht, vuile taal, jaloezie, onbeschaamdheid, hoogmoed, opschepperij. 2. vervolgers van het goede, haters van de waarheid, liefhebbers van leugens, niet wetende de beloning van gerechtigheid, niet vastklampend aan het goede of aan een rechtvaardig oordeel, wakende nachten doorbrengen niet om het goede maar om verdorvenheid, van wie zachtmoedigheid en geduld ver weg is, liefhebbers van ijdelheid, na beloning volgen, onbarmhartig voor de armen, niet werken voor hem die wordt onderdrukt door zwoegen, zonder kennis van hem die ze heeft gemaakt, moordenaars van kinderen, bedervers van Gods schepselen, de behoeftigen afwenden, de noodlijdende onderdrukkers verdrukken van de rijke, onrechtvaardige rechters van de armen, geheel zondig; moge je worden bevrijd, mijn kinderen, van al deze.

 

hoofdstuk 6

1. Zie "dat niemand je dwaalt" van deze Weg van de leer, want hij onderwijst je zonder God. 2. Want als je het gehele juk van de Heer kunt dragen, dan zal je volmaakt zijn, maar als je niet kunt, doe dan wat je kunt. 3. En wat voedsel betreft, draag wat je kunt, maar houd je verre aan hetgeen aan afgoden wordt geofferd, want het is de aanbidding van dode goden.

 

hoofdstuk 7

1. Wat de doop betreft, doop aldus: "doop in de naam van de Vader en van de Zoon en de Heilige Geest", in stromend water; 2. Maar als je geen stromend water hebt, doopt je in ander water en als je het niet koud kunt, dan in warm water. 3. Maar als je geen van beiden bent, giet water drie keer op het hoofd "in de Naam van de Vader, Zoon en Heilige Geest." 4. En laat degene die doopt de dag voor de doop vasten, ook de dopeling en de aanwezigen.

 

hoofdstuk 8

1. Laat je vasten niet als bij de huichelaars zijn, want zij vasten op maandagen en donderdagen, maar je vast op woensdag en vrijdag. 2. Bidt zeker niet als de schijnheiligen, maar bidt, zoals de Heer je heeft bevolen in zijn evangelie;

 

Onze Vader, die in de hemel is,

uw naam zij geheiligd,

uw koninkrijk kome,

uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.

Geef ons vandaag voldoende van ons brood,

en vergeef ons onze schulden,

zoals ook wij onze schuldenaren vergeven.

En leidt ons niet in verzoeking,

maar verlos ons van het boze.

Want van U is de macht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid.

 

3. Bid aldus drie keer per dag.

 

hoofdstuk 9

1. En wat betreft de Avondmaal, houd de Avondmaal aldus: 2. Eerst met betrekking tot de beker: "Wij danken U, onze Vader, voor de Heilige Wijnstok van David, je kind, dat Je ons hebt bekendgemaakt door Jezus, je Kind, tot je zij de heerlijkheid in der eeuwigheid." 3. En aangaande het gebroken Brood: "Wij danken U, onze Vader, voor het leven en de kennis, die U ons hebt bekendgemaakt door Jezus, uw Kind. Tot Uwer heerlijkheid tot in eeuwigheid. 4. Zoals dit gebroken brood op de bergen werd verstrooid, maar werd samengebracht en een werd, zo laat u de gemeente samen zijn van de einden van de aarde naar Uw koninkrijk, want u bent de glorie en de kracht door Jezus Christus voor altijd ." 5. Maar laat niemand van je Avondmaal eten of drinken, behalve degenen die in de Naam van de Heer zijn gedoopt. Om dit te betwijfelen zei ook de Heer: "Geef niet dat wat heilig is voor de honden."

 

hoofdstuk 10

1. Maar als je tevreden bent met eten, bedank dan: 2. "Wij danken u, o heilige Vader, voor uw heilige naam, die u in de harten tot tabernakel hebt gemaakt, en voor de kennis, het geloof en de onsterfelijkheid die u ons door Jezus, uw kind, hebt bekend gemaakt. In glorie voor altijd. 3. U, Almachtige Heer, hebt alle dingen geschapen terwille van Uw Naam, en hebt mensen en eten en drinken gegeven voor hun behoefte, om dankbaarheid aan u te geven, maar u hebt ons gezegend met geestelijk voedsel en drank en eeuwig licht door uw kind. 4. Vooral danken wij u, dat je machtig bent. Tot je zij de glorie voor altijd. 5. Gedenk, Heer, je gemeente, om haar te bevrijden van alle kwaad en om het vol te maken in je liefde, en verzamel het samen in zijn heiligheid van de vier winden naar je koninkrijk dat je ervoor hebt voorbereid. Want de uwe is de kracht en de glorie voor altijd. 6. Laat genade komen en laat deze wereld voorbijgaan. Hosannah voor de God van David. Als iemand heilig is, laat hem dan komen! indien iemand niet is, laat hem zich bekeren: Maranatha ("Onze Heer, kom!"), Amen. " 7. Maar laat de profeten te danken zoals zij willen.

 

hoofdstuk 11

1. Wie dan komt en je al deze dingen leert die hierboven zijn genoemd, ontvang hem. 2. Maar als de leraar zelf afgedwaald is en een andere doctrine leert om deze dingen te vernietigen, luister dan niet naar hem, maar als zijn lering is voor de toename van gerechtigheid en kennis van de Heer, ontvang hem dan als de Heer. 3. En wat betreft de apostelen en profeten, handel aldus overeenkomstig de verordening van het evangelie. 4. Laat elke apostel die naar je toe komt, ontvangen worden als de Heer, 5. Maar laat hem niet langer dan één dag blijven, of indien nodig ook een seconde; maar als hij drie dagen blijft, is hij een valse profeet. 6. En wanneer een apostel uitgaat, moet hij niets anders dan brood aannemen, totdat hij de nacht zijn slaap heeft bereikt; maar als hij om geld vraagt, is hij een valse profeet. 7. Test of onderzoek geen profeet die in een geest spreekt, "want elke zonde zal worden vergeven, maar deze zonde zal niet worden vergeven." 8. Maar niet iedereen die in een geest spreekt, is een profeet, tenzij hij het gedrag van de Heer heeft. Van zijn gedrag zal dan de valse profeet en de ware profeet bekend zijn. 9. En geen profeet, die in de geest een maaltijd besteld, zal daarvan eten; anders is hij een valse profeet. 10. En elke profeet die de waarheid onderwijst, als hij niet doet wat hij leert, is een valse profeet. 11. Maar geen enkele profeet die beproefd en oprecht is, hoewel hij een werelds mysterie van de kerk uitvoert, als hij anderen niet leert om te doen wat hij zelf doet, zal door je worden geoordeeld: want hij heeft zijn oordeel met God, want dat deden de profeten vanouds ook. 12. Doch zo wie in een geest zal zeggen: "Geef mij geld, of iets anders," dan zal je niet naar hem luisteren; maar als hij je zegt om namens anderen te geven in nood, laat niemand hem beoordelen.

 

hoofdstuk 12

1. Laat iedereen die "komt in de Naam van de Heer" worden ontvangen; maar wanneer je hem hebt getest, zal je hem kennen, want je zal begrip hebben voor waar en onwaar. 2. Als hij die komt, een reiziger is, help hem dan zo veel als je kunt, maar hij zal niet langer dan twee dagen bij je blijven, of, indien nodig, drie. 3. En als hij zich onder je wil vestigen en een ambacht heeft, laat hem voor zijn brood werken. 4. Maar als hij volgens je inzicht niet in een handwerk voorziet, zodat niemand in je leven in het niets zal leven, omdat hij een christen is. 5. Maar als hij dat niet doet, wil hij munt slaan uit het Christen zijn; pas op voor dergelijke personen.

 

hoofdstuk 13

1. Maar elke ware profeet die zich onder je wil vestigen, is 'zijn voedsel waardig'. 2. Evenzo is een echte leraar zelf waardig, net als de werkman, van zijn voedsel. 3. Daarom zal je de eerstelingen van de opbrengst van de persbak en van de dorsvloer en van runderen en schapen nemen en ze geven als eerstelingen aan de profeten, want zij zijn je hogepriesters. 4. Maar als je geen profeet hebt, geef die dan aan de armen. 5. Neem als je brood maakt de eerstelingen en geef het volgens het gebod. 6. Evenzo, wanneer je een kan wijn of olie opent, geef de eerstelingen aan de profeten. 7. Neem ook van geld en kleding, en van al je bezittingen de eerstelingen, zoals het je het beste schijnt, en geef volgens het gebod.

 

hoofdstuk 14

1. Kom op de dag van de Heer samen, breek brood en houd het Avondmaal, nadat je je overtredingen hebt beleden dat je offer zuiver mag zijn; 2. Maar laat niemand die ruzie met zijn medemens heeft, zich in je samenkomst voegen totdat zij verzoend zijn, opdat je offer niet verontreinigd wordt. 3. Want dit is hetgeen gesproken is door de Heer: "Geef mij in alle plaats en tijd een zuiver offer, want ik ben een grote koning," zegt de Heer, "en mijn naam is wonderbaarlijk onder de heidenen."

 

hoofdstuk 15

1. Stel daarom voor uzelf bisschoppen en diakenen aan die de Heer waardig zijn, zachtmoedige mannen, en geen liefhebbers van geld, waarheidsgetrouw en beproefd, want zij dienen je ook de bediening van de profeten en leraren. 2. Veracht hen daarom niet, want zij zijn je eervolle mannen samen met de profeten en leraren. 3. En bestraf elkander niet in toorn, maar in vrede zoals je vindt in het Evangelie, en laat niemand spreken met iemand die onrecht heeft gedaan aan zijn naaste, en laat hij je geen woord horen voordat hij berouw toont. 4. Maar je gebeden en aalmoezen en al je daden doen wat je in het evangelie van onze Heer vindt.

 

hoofdstuk 16

1. "Waakt" over je leven "laat je lampen" niet worden gedoofd en “je lendenen” niet vrij, maar wees "gereed", want je weet niet "het uur waarin onze Here komt". 2. Maar verzamel veelvuldig samen en zoek de dingen die nuttig zijn voor je zielen, want de hele tijd van je geloof zal je niet van nut zijn, tenzij je in de laatste tijd volmaakt wordt bevonden; 3. Want in de laatste dagen zullen de valse profeten en de boosdoeners worden vermenigvuldigd, en de schapen worden veranderd in wolven, en liefde zal veranderen in haat; 4. Want naarmate de wetteloosheid groter wordt, zullen zij elkander haten en vervolgen en verraden, en dan de bedrieger van de wereld als een Zoon van God verschijnen en tekenen en wonderen doen en de aarde in zijn handen overgeven en hij zal begaan ongerechtigheden die nooit zijn geweest sinds de wereld begon. 5. Dan zal de schepping van de mensheid tot het vurige proces komen en "velen zullen beledigd worden" en verloren gaan, maar "zij die verdragen" in hun geloof "zullen gered worden" door de vloek zelf. 6. En "dan zullen de tekenen verschijnen" van de waarheid. Eerst spreidde het teken zich uit in de hemel, toen het teken van het geluid van de bazuin en ten derde de opstanding van de doden: 7. Maar niet van alle doden, maar zoals er werd gezegd: "De Heer zal komen en al zijn heiligen met hem." 8. Dan zal de wereld 'de Heer zien komen op de wolken aan de hemel'.