Het wonder van het geloof

De wijsgeren uit de oudheid zeiden: 'Verwondering is het begin van alle wijsheid.'
En zij hadden gelijk! Galileï verwonderde zich er over hoe het kwam dat een appel die van een boom valt loodrecht op de aarde valt. En hij ontdekte dat het dezelfde krachten zijn die maken dat een appel op de grond valt en dat de planeten hun baan om de zon beschrijven en de zonnen de hunne om het centrum van het melkwegstelsel waarin zij zich bevinden.
James Watt verwonderde zich er over dat een deksel van een overkokende pan water op en neer trilt en op grond van die waarneming vond hij de stoommachine uit. Miljoenen mensen uit duizenden generaties hebben vóór Galileï appels van de bomen zien vallen, maar niemand die zich er zo over heeft verwonderd als Galileï.
Alle kennis en alle wijsheid begint met de verwondering. Het vermogen zich te verwonderen is de fundamentele eigenschap van alle onderzoekers, wetenschappers en ontdekkers. Het is dat ook van wie gelooft. Alleen volstrekt afgestompte geesten houden op met zich te verwonderen. Het is zelfs een onmiskenbare aanwijzing van psychische veroudering en verstening, als we er al meer toe geneigd raken de dingen om ons heen voor vanzelfsprekend te verslijten en ze daarmee hun wondergehalte te ontnemen. Want niets om ons heen is vanzelfsprekend. Elke cel aan het uiteinde van een haar herbergt meer wijsheid dan ons verstand bij machte is zich voor te stellen.

Jezus moet de wonderbaarlijke eigenschap bezeten hebben als hij met mensen sprak hun het vertrouwen over te brengen dat zij iets te zeggen hadden en hen uit te nodigen dit dan ook te zeggen - al die dingen die niemand ooit van hen heeft willen horen, die mogen zij naar voren brengen, en meedelen. Het is het wonder van het luisteren, begeleiden, aanvaarden, accepteren, bevestigen, aangrijpen wat tot uitdrukking wil komen, net zo lang tot de ander merkt en ervaart dat het toch helemaal niet van welke grond ontbloot was wat hij gevoeld en gewild heeft.
Waar wij iets dergelijks meemaken bespeuren we iets van de genade die zich uitbreidt in deze wereld. Wij kunnen alleen maar dankbaar zijn voor het fundament van ons leven, voor de vergroting van ons innerlijk, voor de openheid tegenover alles wat ons omgeeft. Als wij ooit vanuit God iets weten te zeggen dat hout snijdt, dan in ieder geval in samenhang met zulke momenten van het wonderbare, het genezende, de ontmoeting met elkaar.

In het Nieuwe Testament is zo nu en dan sprake van mensen die Christus om een wonder vragen. Het is opvallend, dat zij dan dikwijls als antwoord krijgen: 'De Heer kon hier geen wonder doen, omdat men hem niet geloofde.' Wie elk vermogen tot verwondering heeft verleerd en is kwijtgeraakt, die kan zelfs God niet meer met een wonder van dienst zijn, zo min als men in een restaurant iemand die aan een maagkwaal lijdt nog een plezier doet met het beste diner dat op tafel gebracht kan worden. Alleen wie zich verwondert leert het wonder kennen. Die instelling van verwondering en nieuwsgierigheid, en dankbaarheid, is het die de gelovige en de onderzoeker met elkaar delen. Het is die eigenschap die ons mensen maakt.

Het is onze taak en opdracht de kleine rode draden van Gods leiding op te sporen en het kleine weefsel te ontwarren van een groeiend vertrouwen. Alles wat Jezus verlangde van hen die hij uitzond of die zich in navolging van hem op hem beriepen heeft alleen dit ene tot doel: de kudde die geen herder heeft te zoeken, vol erbarmen te zoeken wat verloren is. Onvoorstelbaar groot zal de oogst zijn aan verdriet, aan nood, aan zoeken. En er zal geen andere wég zijn dan allereerst stem te geven aan het nimmer gezegde, voelbaar te maken wat gevoelloos geworden is in de kilte van gebrek aan interesse en betweterij. Dan was er heel wat werk te verrichten, dan zal er één groot erbarmen neerdalen over de mensen in deze wereld. Mensen kunnen nog zo ziek schijnen, ze mogen nog zulke verkeerde dingen doen, geloof te schenken aan de mens is wellicht het grootste goed dat wij bezitten. Ik durf te stellen dat wie dit niet meer kan zelfs niet meer het instinct bezit Gods bestaan te wensen.

Zo is het. Religie wordt geboren uit menselijkheid. Geloof uit liefde. Vertrouwen uit goedheid. En alle piëteit uit de wijze waarop wij met elkaar omgaan, vooral de wijze waarop wij met elkaar spreken. Wij zouden, als we er alleen maar een aanvang mee maakten dit te begrijpen, veel zachter, veel vriendelijker met elkaar spreken. Dat is een spanning die in het hele evangelie hoorbaar is.

 

 

Wonder van het geloof 2

Markus 5:35-43
35 Nog voor hij uitgesproken was, kwamen enkele mensen tegen de leider van de synagoge zeggen: ‘Uw dochter is gestorven, waarom valt u de meester nog lastig?’ 36 Maar Jezus hoorde dat en zei tegen de leider van de synagoge: ‘Wees niet bang, maar blijf geloven.’ 37 Hij stond niemand toe om met hem mee te gaan, behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus. 38 Ze kwamen bij het huis van de leider van de synagoge en zagen daar een groep mensen die luid stonden te huilen en te weeklagen. 39 Hij ging naar binnen en zei tegen hen: ‘Waarom maken jullie zo’n misbaar en huilen jullie? Het kind is niet gestorven, het slaapt.’ 40 Ze lachten hem uit. Maar hij stuurde hen allemaal naar buiten en ging met de vader en moeder van het kind en de leerlingen die bij hem waren de kamer van het kind binnen. 41 Hij pakte de hand van het kind vast en zei tegen haar: ‘Talita koem!’ In onze taal betekent dat: ‘Meisje, ik zeg je, sta op!’ 42 Meteen stond het meisje op en begon heen en weer te lopen. Ze was twaalf jaar. Iedereen was met stomheid geslagen. 43 Hij drukte hun op het hart dat niemand dit te weten mocht komen, en zei dat ze haar te eten moesten geven.
 
Kan het gebeuren dat het leven van een mens al ten einde is als het nog maar nauwelijks is begonnen? Dit verhaal vertelt daarover en over de manier om dit te boven te komen.
Het is heel erg dat de dood de macht heeft al heel vroeg, schijnbaar naar willekeur en wanneer het hem uitkomt, het leven van iemand die ons zeer dierbaar is weg te nemen. De droefheid en de pijn die de dood teweegbrengt zijn verschrikkelijk. Maar nog erger is het dat de angst voor de dood verstikkend kan zijn voor het leven van iemand die geen mogelijkheid heeft om vrij en zelfstandig tot een eigen leven te komen en tot bloei te geraken. Het kan voorkomen dat men uit angst en zorg om het uitblussen van het levenslicht iemand zó met zorg en bescherming omringt en letterlijk overstelpt dat hij geen adem meer krijgt. Dit nu lijkt het geval te zijn geweest bij de overste van de synagoge Jairus en zijn dochter. Het meisje is twaalf jaar oud, zoals wij aan het eind van het verhaal vernemen, de leeftijd waarop een meisje in het oude Israël huwbaar was en als volwassen vrouw beschouwd werd. Juist toen gebeurde het dat het dochtertje van Jairus, zoals het steeds genoemd wordt, niet meer wist hoe zij verder moet leven. Zij blijft voor dood in haar kamer liggen. Dit verhaal noopt ons even na te denken over de vraag wat er terechtkomt van iemand over wie, met de beste bedoelingen, uit zorgzaamheid, in het volle besef van de eigen verantwoordelijkheid, alleen nog gesproken wordt als van 'de dochter van' of 'de zoon van'. In veel landen worden of zijn op die manier achternamen gevormd. Men heet Hendriksen, Jacobson of Gunnarsen. Maar het eigenaardige van een mens is nu juist dat hij of zij nooit alleen maar de zoon of dochter van Hendrik, van Jacob of van Gunnar, de zoon van of de dochter van deze vader is. Het is bepaald verstikkend als het leven van iemand alleen weergegeven wordt als schaduwbeeld of imitatie van wat de opvoeding, de sociale omgeving, alsmede de invloed van de dwingende voorschriften en voorstellingen van de ouders van dit leven hebben willen maken.
Misschien was het leven van de dochter van de voorzitter van de synagoge, zo kunnen wij denken, te vergelijken met het leven van kinderen van een ouderwetse dorpsonderwijzer of van een protestantse predikant op het platteland van enkele decennia geleden. Zulke kinderen waren het als het ware het uithangbord of het toonbeeld van de opvoedingskunst van hun ouders. Andere kinderen konden tollen of spelen of katte kwaad bedrijven zoveel zij wilden, maar zij mochten niet buiten de perken lopen, want op hen werd gelet. Als zij voor schut stonden, stonden hun ouders voor schut. Dat kan lange tijd goed gaan en het kan zijn dat een dochter er trots op is dat haar vader trots op haar is. Maar op de drempel van de volwassenheid houdt dit op en er ontstaat een keten van angst en schuldgevoelens. Zo iemand heeft namelijk niet geleerd voor zichzelf te beslissen. Want de kans dat hij of zij iets verkeerd doet is al te groot.
De afhankelijkheid en zelfs de plicht zich door zijn of haar vader te laten beschermen gaat boven alles. Maar de drang om zelf zijn eigen leven te leven wordt dan wel degelijk gevoeld en wil zich uiten. Er ontstaat een sterk verlangen, de liefde kondigt zich aan, voorstellingen over het leven, en dat alles laat zich niet zomaar verdringen. Vandaar dat het angst oproept en het voortdurende gevoel verwijten en straf over zichzelf uit te roepen.
Een leven dat alleen geleid wordt in verantwoordelijke zorgzaamheid kan letterlijk dodelijk worden. Vader Jaïrus zal nauwelijks beseft hebben in welke mate hij misschien zelf de oorzaak geweest is van de levensgevaarlijke aandoening van zijn dochter. Wij mogen aannemen dat het geen toeval was dat Jaïrus' dochter eerst moest sterven om te kunnen leven, dat haar vader op weg naar huis juist van Godswege met deze grenssituatie van dit definitieve verlies geconfronteerd moest worden voor zijn dochter werkelijk leven kon. Dat is blijkbaar zo. Maar dan vernemen wij iets buitengewoon dramatisch. Het is bijna treurig en wanhopig stemmend. De opzichter van de synagoge zal elke sabbat Gods naam in de mond genomen hebben, maar nu de mensen tegen hem zeggen: 'Uw dochtertje is dood,' blijkt dat zijn huisgenoten in werkelijkheid niet in God geloven, maar in de almacht van de dood. De laatste en echte realiteit is voor hen de dood.
En dan gaan we alles begrijpen. De hele manier waarop wij doorgaans met elkaar leven. Wij kunnen het niet duidelijk genoeg zeggen: als wij dát liefde noemen, elkaar dit aardse leven zo veilig mogelijk te maken en met de uiterste krachtsinspanning te vechten tegen de naar wij menen absolute macht van de dood, dan wordt ons leven vervormd tot een dienst aan de dood, die terreur over ons uitoefent, uit zorg, uit dwang, uit dirigisme (bemoeizucht), een benauwend en versmald bestaan. De liefde kan niet ademen als er alleen dit aardse leven is, want de liefde leeft van de vrijheid, van het opengaan van een horizon zonder grenzen, van het besef van het absolute, van de eeuwigheid, van onbegrensde grootheid van de andere mens, die men liefheeft. De liefde is de allerduidelijkste zekerheid dat er een eeuwig leven is. En de geschiedenis van het dochtertje van Jaïrus laat dat wel heel klaarblijkelijk zien: tot de menselijkheid behoort de liefde, tot het risico de vrijheid, tot het vermogen anderen te laten groeien in Gods licht het vertrouwen in de onsterfelijkheid, in de eeuwigheid van het leven. Jezus spreekt er over en hij stelt het woordelijk zo tegenover elkaar: 'Het meisje is niet dood, het slaapt alleen,' zegt hij. Daarmee wil hij zeggen: in Gods ogen bestaat er geen dood, alleen een overgang naar de eeuwigheid. Hij wordt uitgelachen. Op vrijwel geen enkele bladzijde in de bijbel vinden we een zo cynisch en gruwelijk gelach van zelfzekere twijfel. Maar leven wij over het algemeen niet net zo? Wij weten heel zeker dat we in het leven behoren te weten hoe wij goed parkeren moeten, hoe wij onze belastingaangifte moeten invullen, hoe wij geld van de bank moeten halen, wat wij voor voeding nodig hebben, welk dieet we moeten houden en welke medicijnen we moeten innemen. Dat moeten wij allemaal beslist weten en nog een paar andere dingetjes bovendien. Of God bestaat behoeven we niet meer te weten, we kunnen het eigenlijk helemaal niet weten. Het is een pijnlijk onderwerp geworden en je hoort het eigenlijk niet te zeggen, dat een heel leven er van afhangt of je weet dat God er is. Het is iets betrekkelijks, intussen. Maar het burgerlijk bestaan en hoe je dat moet leiden - dát staat vast, dat is geen kwestie meer. De keerzijde daarvan is de cynische spot over elke hoop, en het afschrijven van het leven middenin het leven, het gebrek aan openheid van een wereld die eendimensionaal geworden is en geheel beheerst wordt door de dood. Wat moet Jezus anders doen dan die hele rouwstoet de deur te wijzen? Dat doet hij dan ook. En hij laat er alleen "de mensen bij die bereid zijn het leven dieper te zien. Dan voltrekt zich het wonder. Liggen de handen van een mens gewoonlijk zwaar en drukkend op een ander, Jezus' handen raken de hand aan van dit kind, die vrouw. En zij richt zich op. Het is een wonderlijke mengeling van termen waarmee zij vervolgens aangesproken wordt: 'meisje' wil zoveel zeggen als 'Ik begrijp al je angst, de angst die je is bijgebracht, je vrees om op eigen benen te staan, Ik begrijp heel goed hoeveel afhankelijkheid, hoeveel inschikkelijkheid, hoeveel verkeerde gehoorzaamheid en streven naar veiligheid men je heeft opgedrongen. En toch: sta op, ga de weg die je zèlf kunt gaan. Sta op eigen benen en bepaal zelf de richting!' Het lukt. Het kind staat op en gaat, letterlijk, op eigen benen.
Verhinderd moet worden dat wat hier gebeurd is het gesprek van de dag wordt onder de massa. Want dergelijke wonderen hangen nu juist niet af van het gepraat van de grote massa. Daarom verbiedt Jezus er een paradepaardje van te maken. De echte wonderen van God voltrekken zich in de beslotenheid van het hart. Nu is het zaak in het besef van de oneindigheid dit kleine leven van ons op zichzelf te leren liefhebben. Dan is de tegenstelling tussen dit leven en het volgende verdwenen. De vrouw, die nu haar eigen vrijheid kent en niet meer slechts 'het dochtertje van Jaïrus' is, eet, ze kan gaan groeien en behoeft het leven niet meer negatief te ervaren, omdat het een oneindig groot, kostbaar en eeuwig geschenk is uit Gods hand, bestemd tot liefde, bestemd tot de hemel.


uit Drewermann 'Hij legde hun de handen op'
 

Wonder van het geloof 3

De hoofdman in Kapernaüm. (Kafarnaüm)

Matt 8:5-13

5 Toen hij Kafarnaüm binnenging, kwam er een centurio naar hem toe die hem om hulp smeekte. 6 'Heer,' zei hij, 'mijn slaaf ligt thuis verlamd op bed en lijdt hevige pijn.' 7 Jezus antwoordde hem: 'Ik zal meegaan en hem genezen.' 8 Daarop zei de centurio: 'Heer, ik ben het niet waard dat u onder mijn dak komt, u hoeft alleen maar te spreken en mijn slaaf zal genezen. 9 Ook ik ben iemand die onder andermans gezag staat en zelf weer soldaten onder zich heeft, en als ik tegen een soldaat zeg: "Ga!" dan gaat hij, en tegen een andere: "Kom!" dan komt hij, en als ik tegen mijn dienaar zeg: "Doe dit!" dan doet hij het.' 10 Toen Jezus dit hoorde, verbaasde hij zich en hij zei tegen degenen die hem volgden: 'Ik verzeker jullie: bij niemand in Israël heb ik zo'n groot geloof gevonden. 11 Ik zeg jullie dat velen uit het oosten en uit het westen zullen komen en met Abraham, Isaak en Jakob zullen aanliggen in het koninkrijk van de hemel, 12 maar de erfgenamen van het koninkrijk zullen worden verbannen naar de uiterste duisternis; daar zullen zij jammeren en knarsetanden.' 13 Tegen de centurio zei Jezus: 'Ga naar huis. Zoals u het geloofd hebt, zo zal het gebeuren.' Op hetzelfde moment genas zijn slaaf.

Daarbij ging het alleen om de manier waarop Jezus zich gedraagt tegenover een Romein, een vertegenwoordiger van de militaire dictatuur , een representant van het heidendom. Maar dat brengt, zonder enige aanspraak op een oordeelover de menselijke geschiedenis, iets nieuws in de wereldgeschiedenis. In plaats van dat volkeren elkaar in Gods naam haten en bestrijden kunnen zij zich ook naar elkaar toewenden en met elkaar samenleven, de mensen kunnen in elkaar een mens zien in plaats van een vijand en tegenstander, in plaats van de verpersoonlijking van haat en bedreiging. In Jezus' ogen is de Romeinse hoofdman een mens, en meer dan dit, iemand die in nood verkeert, door zijn goede wil. Hij komt namelijk op voor een ander, die terneer ligt en zich niet kan bewegen. Het is in feite beslissend voor de hele wereldgeschiedenis hoe men iemand ziet en, meer nog, in Gods naam durft te zien: als een afgevaardigde, een stroman, een marionet van een systeem, óf als een echt mens. Dat is het voor het oog onzichtbare rechterambt dat Jezus in feite heeft uitgeoefend. Hij accepteert de Romeinse hoofdman, in tegenstelling tot de dadelijk te voorziene bezwaren van de nationale orthodoxe en vooraanstaande kringen in Israël, heel gewoon, als een mens, die naar hem toekomt.
De vraag is nu hoe wij die Romeinse kapitein en zijn dienaar zien. De vertalingen zijn op dit punt niet al te puntig. Zij spreken over de 'knecht' van de hoofdman. Maar wie een dienaar heeft, of een knecht, beweegt zich in zekere zin binnen een gegeven sociale context. De Duitse vertaling van Fridolin Stier zegt het nauwkeuriger; deze geeft: 'de jongen'. Een hoofdman heeft een jongen ter beschikking, die hij opdrachten en bevelen kan geven en die hem moet gehoorzamen. De relatie tussen de hoofdman en die jongen is er een van baas en knecht, van iemand die de bevelen geeft en degene die de bevelen opvolgt. Zo moet zich iets voltrokken hebben dat uitliep op ziekte. Er trad een verlamming op, een chronisch lijden.
Hoe zit dat dan, kunnen we ons afvragen. Wat zegt de tekst er over? Bij nauwkeurig toezien komt er heel wat aan het licht. De manier waarop de hoofdman optreedt, hoe hij spreekt, hoe hij Jezus tegemoet treedt, is zeer veelzeggend. In het verhaal lijkt het buitensporig omslachtig, zoals de militair verklaart wie hij bevelen kan geven en opdrachten. Maar de man wordt juist zo volstrekt geloofwaardig geschetst. Hij beschrijft de wereld waarin hij leeft als een wereld waarin hij zijn plaats volkomen gevonden heeft. Het is er een die draait volgens de bevelsstructuur, een ambtelijke hiërarchie, waarin de top het voor het zeggen heeft en de commando's geeft naar onderen toe. Het is een wereld die feilloos functioneert doordat elk lid zijn plaats heeft en kent in het geheel van de machtsstructuur. De wereld waarin deze hoofdman leeft is tot in het kleinste onderdeel regelbaar , beheersbaar. En daardoor functioneert alles perfect. Binnen die wereld is vanuit het perspectief van de hoofdman een alternatief niet zichtbaar. Zo is de wereld nu eenmaal en zo behoort ze te zijn. Het is immers de enige werkelijkheid die hij heeft leren kennen en die er voor hem bestaat. Binnen die wereld kent men zorg voor een medemens in nood. De bereidheid tot gehoorzaamheid van de onderhorigen gaat hand in hand met verantwoordelijkheidsbesef en de serieuze taakopvatting van de anderen. Zo grijpen die beide in elkaar: de bevelsstructuur en het vlak van de uitvoering. In die wereld gaat nooit iets verkeerd. In die wereld is alles organiseerbaar, maakbaar, om het zo uit te drukken.
Dat moeten we tot zover eens op ons laten inwerken. Dat is immers beslist niet bij uitstek Romeins. Het is in zekere zin ook heel modern. En dan gaat het zelfs niet alleen om de Romeinse militaire wereld en de huidige. Waar is het in de wereld van vandaag zoals wij die kennen eigenlijk anders, in de Kerk, in onze sociale omgeving? Leven wij niet in een perfecte en correcte wereld, capabel, bevredigend?
En dan stuiten we op een zekere innerlijke tegenstrijdigheid in het wezen van deze hoofdman, die onlosmakelijk tot deze wereldopvatting behoort, zodra wij zien hoe hij Jezus benadert. De woorden die hij spreekt zijn katholieken zeer vertrouwd, doordat ze bij elke mis aan het begin van de communie gezegd worden: 'Heer, ik ben niet waard dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn knecht zal herstellen'. De Kerk zegt hier niet 'mijn knecht' maar 'mijn ziel'. Dat is een deemoedige uitspraak, schuldbewust, onder worpen, smekend haast en aangewezen op genade van een an der. Dat is de ene kant. De hoofdman weet het. Maar op het zelfde ogenblik waarop hij dit zegt Iaat hij zich ook, bewust of niet bewust, zien van een heel andere kant. Nauwelijks heeft Je zus gezegd: 'Zal Ik komen en hem genezen?' of de man Iaat zich kennen als een officier. Hij is weliswaar de man die in dit geval hulp vraagt, maar tegelijk schrijft hij voor hoe die hulp er uit moet zien, precies zoals hij, de kapitein, gewend is op te treden. Hij is tegelijkertijd degene die vraagt en die beveelt, dege ne die deemoedig is en superieur, verantwoordelijk en zorgzaam en onverzettelijk. Naar mijn idee vormen die beide aspecten één geheel. In psychologische termen uitgedrukt moeten we hier spreken van een dwangmatig of dwangneurotisch gedrag. Er is sprake van medelijden en van kwelling, van deemoed en van machtswil, van onderworpenheid en heerszucht, gehoorzaamheid en geldingsdrang en machtsstreven en dit alles in één persoon verenigd en tegelijk aanwezig. Wie zo voelt en denkt heeft geen enkele kans deze innerlijke tegenstellingen, deze schaduwkanten van zijn persoonlijkheid en wereldvisie zelfs maar op te merken. Misschien zegt iemand: welnu, ak koord, wij hebben hier te maken met een beroepsmilitair die liefst tweeduizend jaar geleden leefde, waarom moeten we daar zo lang bij stilstaan? Ik ben van mening dat wij dat moeten doen om in staat te zijn te begrijpen hoe onder bepaalde omstandigheden zorg en ziekte kunnen samenhangen en over welke mogelijkheden wij beschikken om in naam van God iemand te genezen. Wij kunnen ons afvragen hoe het is om als 'jongen' naast zo'n hoofdman te leven. Wat 'verlamd zijn' is weten we wel, uit eigen ervaring, althans in aanleg. ledereen heeft zijn ogenblikken van depressiviteit. We weten niet altijd precies waar onze gevoelens van terneer geslagenheid vandaan komen. Maar zo voelen wij ons, en wel in een mate die veroorzaakt dat wij het liefste in bed zouden blijven liggen. Wij komen letterlijk niet meer omhoog, wij hebben eenvoudig de kracht niet meer , we zakken in elkaar, we zijn uitgeput. Bij nauwkeuriger toezien blijkt er sprake te zijn van een verborgen conflict. Je wilt iets doen maar je bent er bang voor, je hebt in de gaten dat je het niet moet of mag doen, je snijdt jezelf de pas af. Ons geheime verlangen staat in contrast met het al even geheime niet-mogen. Wil en gebod (of verbod) komen met elkaar in conflict. Het conflict zelf is niet bespreekbaar. Of een ander geval. Wij zijn ergens tegen, we zouden de strijd willen aangaan, maar we zijn bang voor de gevolgen. Ons humeur lijdt eronder, we tonen ons geïrriteerd, we zijn boos, we willen eigenlijk ageren, maar we schrikken terug voor de overmacht van de ander. Dan keert zich de impuls tot verzet naar binnen. Dat leidt tot passiviteit, tot een soort staking. Dat ervaren wij dan als een soort verlamming. De ene mens blokkeert zo een ander, hij belichaamt een conflict en hij brengt dit teweeg zonder het te willen, bij die ander, die niet begrijpt wat zich van binnen afspeelt. Als wij ons de situatie van die jongen van deze hoofdman zo voorstellen, dan wordt hij door zijn chef werkelijk gezien als een volwassen kind, een ledepop, een marionet, waarvan een ander de touwtjes in handen houdt. Het leven dat hij moet leven is voorgeschreven, het is een vervreemd leven dat met zijn eigen leven niet samenvalt. Alles in hem, zo valt te vermoeden, komt op den duur in verzet tegen die vervreemding. Hij zou tegen zijn chef in verzet willen komen, hij zou tegen hem willen spreken, als hij er maar toe in staat was. Mogelijk wordt hij daarin gehinderd door de sociale dwang die hem in haar macht houdt, maar meer nog door de persoon van de hoofdman zelf. Was hij maar eenvoudig een gruwelijke despoot, een tiran, dan was het nog denkbaar dat hij hem zonder schuldgevoelens frontaal attaqueerde. Maar de hoofdman is zoals het verhaal hem beschrijft, vol roerende zorg voor zijn jongen. Hij voelt zich verantwoordelijk en hij staat hem menselijk zeer na. Hij is een goede kapitein, iemand van wie men moet aannemen dat hij voor zijn jongen alleen maar het beste wenst. Het bevel van zo'n man is even verstikkend als zijn zorgzaamheid. Er is geen ontsnappen aan.
als hij er maar toe in staat was. Mogelijk wordt hij daarin gehinderd door de sociale dwang die hem in haar macht houdt, maar meer nog door de persoon van de hoofdman zelf. Was hij maar eenvoudig een gruwelijke despoot, een tiran, dan was het nog denkbaar dat hij hem zonder schuldgevoelens frontaal attaqueerde. Maar de hoofdman is zoals het verhaal hem beschrijft, vol roerende zorg voor zijn jongen. Hij voelt zich verantwoordelijk en hij staat hem menselijk zeer na. Hij is een goede kapitein, iemand van wie men moet aannemen dat hij voor zijn jongen alleen maar het beste wenst. Het bevel van zo'n man is even verstikkend als zijn zorgzaamheid. Er is geen ontsnappen aan.
Laten we er verder eens van uitgaan dat de jongen als protestuiting, als vorm van verzet, niets anders overbleef dan verlamming. Hij beleeft die als pijnlijk, hij wil die niet echt, ze vormt een probleem voor hem, het is beslist niet wat hij eigenlijk wil. Maar hij komt met zijn conflict niet klaar. Wat moet er nu gebeuren? Hoe is een ander, een vreemde, benaderbaar, zodat hij door middel van iemand als deze hoofdman genezen kan worden? Eén ding is duidelijk, Jezus bezit de mogelijkheid door te drukken en te zeggen: 'U hebt gelijk, ik heb de macht en als ik het zeg handel ik zoals het mij goed dunkt. Dus linksom of rechtsom: mij gaat het om die jongen van u. Breng mij naar hem toe.' Dan stond het ene commando tegenover het andere. Dan zou tenslotte de hoofdman alleen nog gehoorzamen, maar dan zou hij geen inzicht hebben in de situatie. Het verwonderlijke is, dat Jezus heel anders handelt dan hele generaties theologen ons hebben willen doen geloven. Zij hebben het er voortdurend over gehad dat als God de wereld van de mensen binnenkomt zoals hij dit vooral gedaan heeft in de persoon van Zijn zoon, Jezus van Nazareth, de wil van de mens die zich in tegenspraak bevindt met de goddelijke wil teniet gedaan wordt. volgens hen is wat God wil, zowel formeel als inhoudelijk, nu juist het tegendeel van de wil van de mens en de bedoeling van de mens. Maar wat Jezus in feite hier doet, voegt zich soepel naar de voorwaarden die de hoofdman stelt, tot in onderdelen toe. Hij schikt zich zelfs in de vooronderstelling dat de jongen wel genezen zal worden, zoals de hoofdman van hem verlangt. Hoe zit dat precies? Het is misschien wel voor de eerste keer in zijn leven dat deze militair ontdekt dat er nu eenmaal situaties zijn, gebieden van de werkelijkheid, die zich niet met een machtswoord of een bevel, niet met een 'ik zeg' of een 'ik wil' uit de wereld geholpen zijn. De 'staking' van zijn jongen is als het ware een bom, die heel het gebouw van zijn wereldbeschouw opblaast. Zijn macht breekt stuk op de ziekte van die jongen. De hoofdman blijft niets anders over dan, helemaal binnen het kader van zijn wereldbeeld, een beroep te doen op een nóg hogere macht, hoewel die in zijn levenssfeer eigenlijk niet zou behoren binnen te dringen, die buiten zou moeten blijven, omdat ze van een heel ander werkelijkheidsgehalte is. Maar hij moet er een beroep op doen, hij heeft die nodig. Die uitweg die hij zoekt in hulpeloosheid wordt het beslissende keerpunt. Dat is het in feite wat Jezus met zijn hele bestaan representeert. Hij wil ons mensen uitzicht verschaffen op een andere wereld, een andere macht, waarover wij letterlijk niets te zeggen hebben. Die macht dringt in ons door als de lucht, ze dringt evenzeer tot in de kleinste uithoeken door als water, ze is in strijd met alles wat wij kennen, maar dan toch op zo'n manier dat ze ons aanvaardt en erkent en bevestigt en opricht en laat leven. En ze is daartoe in staat juist doordat ze van een zo totaal andere orde is.

Doordat de hoofdman in zijn onmacht deze macht leert zien en kennen, die heel andere levenssfeer, gebeurt er in hem iets wat zijn jongen zijn gezondheid hergeeft. Hij ontdekt dat hij als officier niet definitief en absoluut in het leven van een ander het te zeggen heeft. Vanuit de jongen gezien begrijpen wij hoe iemand die verlamd is en die zichzelf daarmee kwelt gezond kan worden. Plotseling dringt het in een flits tot hem door: niemand is eigendom van een ander, niemand is bezit van een ander. Pas wie dat beseft is in staat te gehoorzamen zonder zelf als mens teniet te gaan. Hij wordt zich er van bewust dat geen mens alleen middel is, als een radertje in het drijfwerk van een grote machine. Pas dan kan men werkelijk als mens leven en zelfs nuttig een dienstbaar zijn voor anderen. Wij leren zien dat ziekte als het ware het begin van de genezing kan zijn. Ziekte kan een protest zijn, een luid neen, dat de wereld tot stilstand wil dwingen. En plotseling dringt door de kieren van de wereld iets anders naar binnen, dat wij nodig hebben om weer terug te keren en de wereld weer haar plaats te laten hebben in ons leven. Het is de wonderbaarlijke geschiedenis van een macht die juist hierin haar sterkte toont, dat zij afziet van het bevel en alleen ruimte laat aan het sterkste verlangen, die de macht haar glans en glorie ontneemt, juist door deze formeel te bevestigen, die de verlamming overwint in een onzichtbare dialoog via een ander. 

  uit Drewermann 'Hij legde hun de handen op'