Corona

Corona ......(of een andere invulling), een groot verduren

Iets verduren - dat is een belangrijk begrip bij Heidegger. Dat is stilzitten en aanvaarden. Je ogen en je oren en je zintuigen openzetten, en kijken wat er gebeurt en op je af komt."

Tijdens het verplicht thuis zitten en het lezen van deze tekst van de denker des vaderlands moest ik denken aan een tekst uit de Nag Hammadi geschriften, NHC VI. Het verhaal een allegorie heeft de titel “Handelingen van Petrus en de twaalf apostelen”, een paar zinnen; En ik, Petrus, vroeg naar de naam van deze stad bij inwoners op de kade. Eén van hen zei: ‘de naam van deze stad is Woonplaats, dat wil zeggen Vesting van het Verduren’. Dat betekent eigenlijk dat ons leven, onze woonomgeving, vaak met moeite tot stand komt, dat we veel moeten verduren in ons leven.

Deze allegorie heb ik vaak gelezen, het op FB NAK-Holland geplaatst, er een thema-avond aan besteed, kortom een allegorie die als een mijlpaal in m’n religieuze leven staat. Een religieus leven dat meer op het verstand dan op mystieke gevoelens is gebaseerd. Vaak moest ik bespeuren dat ik met veel moeite moest leren wat andere briljante geesten ontdekten. Deze allegorie sluit dan ook precies aan bij wat zich latent bij mij aan het ontwikkelen was en wat ik (noch) niet onder woorden kon brengen. Midden jaren negentig lees ik deze allegorie voor het eerst en de eerste keer dat hier iets over verteld heb, was vrij snel na het lezen, op een zondagmiddag in NAK Utrecht Zuid. De inhoud van deze allegorie in één zin; het leven is niet mooi, geen kristallenmeer en niet zonder dat je in je leven veel tijd besteed aan het dienen van de ander.

Eind negentiende eeuw had men in de natuurkunde een beetje het idee dat het meeste ontdekt was. We weten nu wel beter, niet dat we die gedachten nu weer hebben, in tegendeel. Onze huidige beeldvorming t.o.v. toen is er één dat wij nu in een helikopter zitten en een veel groter terrein kunnen zien. Helaas staan er ook nog want grote heuvels waar we nog niet achter kunnen kijken. Met het vergroten van onze kennis moeten we ook steeds het wereldbeeld (kosmos) aanpassen dat heeft grote consequenties voor het begrijpelijk maken van de vele gelijkenissen en andere uitspraken uit de Bijbel. In het antieke wereldbeeld konden we spreken van een platte aarde met een hemelkoepel en de onder- wateren (onderwereld). Al voor de jaartelling zagen scherpe geesten dat het anders was. In onze omgeving heeft het tot na de Middeleeuwen geduurd voordat gedachten uitgingen naar een beeld wat veel weidser was dan het nauwe beeld van een platte aarde met een hemelkoepel. Langzamerhand kon er ook wat aan gerekend worden, Keppler en Newton. In de eerste helft van de vorige eeuw ontdekte Edwin Hubble, dat er niet één maar miljarden melkweg-(sterren)-stelsels zijn. Door deze en andere ontdekkingen weet men nu dat de materie uitdijt (het heelal groter wordt). Voor andere vormen en/of meerdere universums zijn geen mogelijkheden om die waar te nemen met de huidige kennis van in de natuurkunde. Goed wat we zien met de huidige kennis is een uitdijend heelal. Hetgeen betekend een uitstervend heelal, wat op zijn beurt betekent een tijdelijk bouwwerk. Slotconclusie is dan ook dat alles tijdelijk en niet eeuwig is in de materie. Tot zover het bouwwerk van God voor dat wat wij kunnen zien.

Na verhalen die ik zag van André Kuipers op TV over het imponerende zicht wat hij had en de gedachten die hij daar kreeg, ontwikkelde ook bij mij gedachten over de Kosmos en haar grootsheid. De eerder omschreven kennis en deze gedachten vormen mijn huidige beeld over de ‘schepping’. Vanuit deze kennis heb ik steeds weer geprobeerd de bedoelingen van God met deze schepping te begrijpen. Eén conclusie kan al wel vast trekken; eigenlijk snap ik er niets van. De bedoeling van God met dit alles? Met het leven op aarde en mogelijk andere plaatsen in het heelal. Kon God overzien dat er een evolutie zou ontstaan? Had Hij dat ook zo gewild? Waar heeft Hij dat bijgestuurd en heeft Hij dat gedaan? Het hier en daar bijsturen sluit ik niet uit. Maar een constant bijsturen b.v. vanwege onze gebeden (vrouwtje Pigelmee) geloof ik geen fluit van. Dit verklaart dan ook veel beter het inconsequente in de uitkomst van wonderen (die er dus niet zijn). Maar ook het ontbreken van die wonderen op een moment dat God zich zou kunnen tonen, zoals Hij dat deed aan Elia, het volk en de Baäl priesters. Een voorbeeld geef ik hierna.

Voor veel joden is het na de holocaust onmogelijk geworden in de traditionele God te geloven. Toen de Nobelprijswinnaar Elie Wiesel als kind in Roemenië opgroeide, leefde hij alleen voor zijn God; zijn leven werd door de Talmoed gevormd en hij hoopte dat hij eens in de geheimen van de kabbala zou worden ingewijd. Als jongen werd hij naar Auschwitz en later naar Buchenwald gedeporteerd. Toen hij de eerste avond in het dodenkamp naar de zwarte rook keek die uit het crematorium opkringelde waarin het lijk van zijn moeder en zuster waren geworpen, wist hij dat zijn geloof voor eeuwig door de vlammen was verteerd. Hij bevond zich in een wereld die het objectieve correlaat van de godverlaten wereld was die Nietzsche zich had voorgesteld. 'Nooit zal ik die nachtelijke stilte vergeten die mij voor eeuwig van het verlangen om te leven heeft beroofd,' schreef hij jaren later. 'Nooit zal ik die ogenblikken vergeten die mijn God en mijn ziel vermoordden en mijn dromen, die het aanzien van de woestijn kregen.' Op een dag hing de Gestapo een kind op. Zelfs de SS-ers voelden zich niet op hun gemak bij het vooruitzicht dat ze voor het front van duizenden toeschouwers een jongen moesten ophangen. Het kind dat in Wiesels herinnering het gezicht van een 'engel met bedroefde ogen' had, zei geen woord, was doodsbleek, bijna kalm toen hij het schavot beklom. 'Waar is de Goede God, waar is Hij ?' hoorde Wiesel een van de gevangenen achter hem vragen. Het duurde een half uur voordat het kind stierf en in die tijd moesten de gevangenen toekijken. 'Waar is God toch?' vroeg dezelfde man. En Wiesel hoorde een stem in zijn binnenste antwoord geven: 'Waar is Hij? Hier - Hij is hier opgehangen - aan deze galg.' Dostojewski had gezegd dat God door de dood van één enkel kind onaanvaardbaar kon worden, maar zelfs hij, toch niet onbekend met onmenselijkheden, had zich nooit de dood van een kind onder deze omstandigheden voorgesteld. De verschrikkingen van Auschwitz zetten veel conventionele ideeën over God op losse schroeven. De verre God van de filosofen die zich in transcendente apatheia verliest, wordt een ondraaglijk wezen. Veel joden kunnen het bijbelse concept van een God die zich in de geschiedenis openbaart en die, zeggen ze met Wiesel, in Auschwitz is gestorven, niet meer onderschrijven. Het idee van een persoonlijke God die net zo is als wij, maar dan met hoofdletters geschreven, is doortrokken van problemen. Als deze God almachtig is, had Hij de holocaust kunnen voorkomen. Als Hij niet in staat was hem tegen te houden, is Hij onmachtig en nutteloos; als Hij hem wel had kunnen tegenhouden, maar verkoos het niet te doen, is Hij een monster. De joden zijn niet de enigen die geloven dat de holocaust het einde van de conventionele theologie is geweest. [Karin Amstrong, de dood van God, blz 415]

Wat ik steeds in m’n overwegingen mee probeer te nemen, ik geloof in God, maar ik begrijp niets van Zijn bedoelingen. Sommige dingen lijken zo logische terwijl andere dingen volkomen onbegrijpelijk zijn. Wat is de zin van al dat lijden. En dan komen we aan bij Corona of te wel Covid 19. Geleerden weten te vertellen dat virussen tot de allereerste levensvormen behoren. Of is het geen levensvorm? Geen stofwisseling!. Maar het leven zonder virussen kan ook weer niet. Wat is dan de bedoeling van God? Heeft Hij voorzien dat het leven zo bedoeld is? En wat is eigenlijk de zin van het leven? Of zijn we per ongeluk een (beperkte) intelligente levensvorm geworden als een soort bijproduct van de schepping? En wat was dan het hoofddoel van die schepping, deze (hele lange) periode? Als het stof neergedaald is, heb een paar conclusies:

- ik hoop dat goed begrepen heb dat wij er zijn om anderen te helpen en daarmee God te helpen, [Gebed van Etty Hillesum, Westerbork 1943] Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen. En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen. Er zijn mensen, het is heus waar, die nog op het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en lepels, in plaats van jou, mijn God. En er zijn mensen, die hun lichamen in veiligheid willen brengen, die alleen nog maar behuizingen zijn voor duizend angsten en verbittering. En ze zeggen: Mij zullen ze niet in hun klauwen krijgen. En ze vergeten, dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen is. Ik begin alweer wat rustiger te worden mijn God, door dit gesprek met jou. Voor het grote heroïsche lijden, heb ik genoeg krachten, mijn God, maar het zijn meer dan duizend kleine dagelijkse zorgen, die je soms plotseling als bijtend ongedierte bespringen.

- ik hoop dat ik goed begrepen heb, dat God geen dingen en /of zaken voor ons wegneemt of geeft, om het ons makkelijker te maken,

- ik hoop dat ik goed begrepen heb, de wonderen die Jezus deed er niet waren in de zin van vingerknip en je was van je ellende af, maar veel meer zoals Eugen Drewermann beschrijft, in Hij legde hun de handen op, een reproduceerbaar wonder dat Hij voordeed en wij Hem daarin moeten volgen,

- ik hoop dat ik goed begrepen heb, dat we nooit klaar zijn met onze weg die (moeten) gaan,

- ik hoop dat ik goed begrepen heb, dat het zinloos is enige gedachten te maken over een leven na de dood, immers kunnen wij bedenken over hoe een eventueel leven buiten de materie en de tijd zal zijn?,

- voor een ‘leven’ na de dood, ik verheug me op het antwoord op de vraag wat de zin van dit alles is. Een soort paradijs verhaal van de boom van de kennis van het goed en (maar niet) van het kwaad. Zonder een verbod er van te eten. Een soort helikopter-view, maar dan veel groter. Niet alleen in een baan om de aarde maar een zicht op het al. Niet alleen het zicht maar ook de mogelijkheid om het al te begrijpen en niet de beperking om vanuit het al te moeten inzoomen op een detail, omdat we beperkt zijn, maar het al te begrijpen.

Tot zover fantaseren over een leven na de ‘dood’. Terug in het heden gaan we nog een poosje met Corona ‘dealen’, waarin wij niet door God geholpen worden, zodat ons geen ziekten, in casu Covid 19 zullen overkomen. Nee wij moeten God helpen andere mensen en dieren een leven te laten leven zo als dat bedoeld is. Het is onze (christelijke) taak hieraan gehoor te geven. Al of niet met wat in de bijbel staat. Ik bedoel met de kennis die we nu hebben weten we dat veel dingen in de bijbel niet (meer) kloppen. Waren geschreven met de kennis van toen, maar niet alles is niet goed of zinloos. De ouden hadden een aantal dingen ook goed begrepen, zoals Prediker 12:9-14:

Heb ontzag voor God      

Prediker was een wijs man en heeft het volk veel kennis bijgebracht. Hij heeft gewikt en gewogen en veel spreuken opgesteld. In treffende spreuken probeerde Prediker de waarheid getrouw onder woorden te brengen. De woorden van de wijzen zijn zo scherp en puntig als een ossenprik, al hun spreuken zijn ons door één herder ingeprent. En tot slot, mijn zoon, nog deze waarschuwing: er komt geen einde aan het aantal boeken dat geschreven wordt, en veel lezen mat het lichaam af. Alles wat je hebt gehoord komt hierop neer: heb ontzag voor God en leef zijn geboden na. Dat geldt voor ieder mens, want God oordeelt over elke daad, ook over de verborgen daden, zowel over de goede als de slechte.

Het christendom is een monotheïstische godsdienst die zijn wortels bij de ‘Joden’ (wie waren ‘de Joden’?) heeft. We mogen dus niet vergeten dat het christendom voort komt uit het Jodendom (voornamelijk de Farizeeën). Onthoudt daarom de Joodse gedachte; God is overal in de Kosmos maar niet hier, niet omdat de aarde een verdorven poel is (na de zondeval, wat dat ook betekenen mag), Hij heeft de aarde aan ons gegeven, om als goede rentmeesters hier te handelen. Wij zoeken God, Hij dringt zich niet op en Hij laat zich vinden, als we Hem aanroepen. Vroeger was dat voor de Joden in het heilige der heilige in de tempel. In het kort; God is niet hier maar laat zich wel aanroepen, niet om te geven in materiele zin maar om er te zijn, als sturende macht. Covid 19 is dus gewoon een gevolg van de schepping het probeert z’n ruimte en zijn deel te krijgen, opportunistisch zonder kwade gedachten en gevoelens. Een onderdeel van de schepping, waarvan in de Bijbel staat dat God na de schepping zei: “dat het goed was”.